Home > Nieuws archief
Nader inzicht in spiegelen emoties bij autisme en schizofrenie


Groningen, 1 november 2011 - Bij autisme zijn o.m. emotieherkenning en empathie verstoord. Het spiegelneuronensysteem is voor deze sociale processen van groot belang. Daarom werd eerder aangenomen dat autisme (grotendeels) wordt veroorzaakt door afwijkingen in dit spiegelneuronensysteem. Onderzoek van promovenda Jojanneke Bastiaansen laat zien dat dit onwaarschijnlijk is. Wel vond Bastiaansen aanwijzingen dat bij volwassenen met autisme de spiegelactiviteit in de loop der jaren toeneemt en dat dit samenhangt met een lichte verbetering in sociaal functioneren. Dit zou erop kunnen wijzen dat er bij autisme sprake is van een vertraagde ontwikkeling van het spiegelneuronensysteem. Wellicht kunnen op imitatie gerichte trainingen hier vroegtijdig op ingrijpen.


Mensen met schizofrenie kunnen soortgelijke beperkingen in hun sociaal gedrag hebben als mensen met autisme, zeker wanneer ‘negatieve symptomen', zoals emotionele vervlakking, meer op de voorgrond staan. Op basis van gedragskenmerken zijn deze groepen dan moeilijk van elkaar te onderscheiden, zo laat Bastiaansen zien. De onderliggende neurale profielen van autisme en schizofrenie lijken echter meer verschillen dan overeenkomsten te vertonen. Gecombineerde vervolgstudies naar deze twee stoornissen zijn nodig om de gevonden aanwijzingen over neurobiologische mechanismen die mogelijk ten grondslag liggen aan sociaal disfunctioneren in het algemeen, en aan autisme en schizofrenie in het bijzonder, verder uit te diepen.


In Codex Medicus: Autistische stoornis


In Codex Medicus: Schizofrenie


Bron: rijksuniversiteit groningen

Steeds meer werknemers met burn-outklachten

Den Haag, 25 oktober 2011 - Tussen 2007 en 2010 is het aandeel werknemers met burn-outklachten toegenomen. Hoogopgeleiden voelen zich iets vaker opgebrand dan lager opgeleiden. Jongeren hebben er relatief weinig last van. Het onderwijs is de bedrijfstak waar burn-outklachten het meest voorkomen.


In 2010 kampte 13 procent van de werknemers met een burn-out, in 2007 was dat nog 11 procent. Van de hoogopgeleide werknemers, die vaak ook een hoog beroepsniveau hebben, voelde bijna 15 procent zich opgebrand. Van de laagopgeleiden was dat ruim 13 procent. Werknemers met een middelbare opleiding hadden met 12 procent het minst last van burn-out klachten.
Jonge werknemers hebben minder vaak een burn-out dan oudere werknemers. Van alle 15- tot 25-jarigen had een op de tien te maken met burn-out klachten. Bij de 25-plussers ging het om ruim een op de zeven werknemers.


Tussen bedrijfstakken bestaan verschillen in de mate waarin werknemers met burn-out kampen. De onderwijssector is koploper voor wat betreft het percentage medewerkers met een burn-out, op de voet gevolgd door de industrie.


In Codex Medicus: Burn-out


Bron: CBS

Verwekker gonorroe diepgaand bestudeerd


Groningen, 12 oktober 2011 - Samta Jain heeft zich gericht op het bestuderen van het type IV secretiesysteem (T4SS) en type IV pili (Tfp) systeem van de voor de mens besmettelijke verwekker van gonorroe, de bacterieNeisseria gonorrhoeae. Het T4SS is een multi-eiwitcomplex dat betrokken is bij conjugatie, secretie van substraten/toxinen en het opnemen/uitscheiden van DNA. Het gonococcal genetic island (GGI) blijkt te coderen voor componenten van het T4SS, met als belangrijke functie het uitscheiden van DNA in het omringende milieu. Het GGI codeert onder andere voor het Tfp-eiwit TraAGGI. Dit eiwit heeft Jain in meer detail bestudeerd. Hieruit bleek dat TraAGGI wordt geknipt door leader peptidase, na co-translationele membraaninsertie en cirkelvormig gemaakt door het processing eiwit TrbIGGI. Tevens omvat het T4SS een piloteiwit, genaamd relaxase, dat DNA bindt, knipt en transporteert naar het ontvangende organisme. Door de relaxase TraI verder te bestuderen ontdekte Jain drie unieke kenmerken, namelijk: het bezitten van een Nterminal hydrofoob domein, een HD domein van de metaalafhankelijke fosfohydrolase amilie en een C-termial DUF 1528 domein.


Verder codeert het GGI voor een ‘single stranded DNA bindingprotein' genaamd SsbB. Ook de functie en biochemie van dit eiwit bestudeerde zij en hieruit bleek dat SsbB DNA in een magnesiumonafhankelijke wijze bindt en de topoisomerase-I-activiteit in vitro stimuleert. PilQ-eiwitten van het Tfp-systeem behoren tot de secretinsuperfamilie die oligomerische complexen vormt voor de secretie van macromoleculen. Tijdens bestudering van het PilQ-secretincomplex ontdekte Jain grote flexibele domeinen in de membraanomgeving van de pathogeenNeisseria.


Samta Jain promoveert 17 oktober 2011.


In Codex Medicus: Gonorroe

Bron: rijksuniversiteit groningen

Tailleomtrek voorspelt kans op overlijden aan hartziekte ouderen


Bilthoven, 3 oktober 2011 - De tailleomtrek blijkt een goede voorspeller van de risico’s die ouderen lopen om te sterven aan hart- en vaatziekten. Dit is het resultaat van één van de 40 onderzoeken, die vandaag op de zogeheten SOR markt (Strategisch Onderzoek RIVM) worden gepresenteerd.

Ouderen met een buikomtrek van 123 cm (mannen) of 105 cm (vrouwen) hebben twee keer zoveel kans te overlijden aan hart en vaatziekten dan ouderen met een gemiddelde tailleomtrek. Het onderzoek over de associaties tussen de tailleomtrek / BMI en specifieke sterfte bij 65-75 jarigen is gehouden onder meer dan 58.000 ouderen. De resultaten van het onderzoek kunnen worden gebruikt in klinische richtlijnen voor de behandeling van obesitas. Naast de tailleomtrek blijft ook de body mass index van belang om bij ouderen het risico te bepalen.

Uit het onderzoek blijkt dat ook ouderen met ondergewicht (BMI<20 kg/m2) twee keer zoveel kans lopen om vroegtijdig te overlijden. Naast de directe klinische relevantie, zullen de resultaten van het project dus bijdragen aan een betere kwaliteit van berekeningen met het Chronische Ziekten Model.

SOR
Naast onderzoek in opdracht initieert het RIVM zelf ook onderzoek. Het gaat om een onderzoeksbudget van ongeveer 12 miljoen euro per jaar. Met SOR wordt de benodigde expertise en kwaliteit in het RIVM opgebouwd door te anticiperen op relevante ontwikkelingen op de middellange en de lange termijn.   
Het programma SOR heeft een vierjaarlijkse programmering. Het programma 2007-2010 is eind 2010 grotendeels afgerond en wordt vandaag gepresenteerd.

In Codex Medicus: Hart- en vaatziekten

Bron: RIVM

Aantal zelfdodingen in Vlaanderen stijgt

Brussel, 28 september 2011 - In 2009 stierven 1.102 Vlamingen door zelfdoding. Ruim twee op de drie van hen waren mannen: 792 mannen tegenover 310 vrouwen. In de jaren na 2000 daalden de suïcidecijfers maar deze trend wordt sinds 2007 gebroken. Sinds 2007 stijgen de cijfers opnieuw, vooral bij de economisch actieve bevolking.
In vergelijking met 2008 overleden in 2009 8% meer mannen en 4% meer vrouwen door zelfdoding. Zelfdoding is één van de meest voorkomende doodsoorzaken bij jongvolwassenen tussen 20 en 49 jaar. Ouderen, en vooral oudere mannen, lopen het grootste risico te overlijden door zelfdoding.

Het Vlaams Gewest bevindt zich in het gezelschap van Europese lidstaten met hogere suïcidecijfers: voor vrouwen bevindt het zich onderaan met slechts 3 lidstaten die het slechter doen. Voor mannen zijn er nog 9 landen die hogere suïcidecijfers hebben.

Het Vlaamse suïcidecijfer ligt 1,5 keer hoger dan het EU-gemiddelde.
- Ook Frankrijk heeft relatief hoge suïcidecijfers, vergelijkbaar met die in Vlaanderen.
- Nederland, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk hebben lagere cijfers dan het EU-gemiddelde.

Algemeen wordt aangenomen dat de economische crisis een negatieve impact heeft op het aantal zelfdodingen. Internationale vergelijking toont aan dat zowel in de oude EU lidstaten als in de groep nieuwe lidstaten de werkloosheid steeg vanaf 2007. Met uitzondering van Oostenrijk, dat het enige land is waar in 2009 minder zelfdodingen waren dan in 2007, steeg in alle landen van de EU het aantal zelfdodingen met gemiddeld 5 %. In Nederland kampt men met dezelfde trend, sinds 2007 stegen ook daar de zelfdodingsaantallen, en dat in dezelfde mate, of nog sterker voor vrouwen, als bij ons.

In Codex Medicus: Suïcide

Bron: Vlaams Agentschap Zorg & Gezondheid
Vergeet dementie, onthou mens


Brussel, 21 september 2011 - Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Jo Vandeurzen stelt een plan voor om een meer genuanceerde beeldvorming over dementie te bereiken. Een dementievriendelijke samenleving veronderstelt dat we dementie anders benaderen. Dementie is een verschrikkelijke aandoening, maar er is meer. Mensen met dementie blijven mensen. Van vandaag af is er een campagneplatform met informatie en communicatietools. Het is er voor al wie aan de beeldvorming over dementie wil werken. De campagne heeft ook ambassadeurs. Ze getuigen openhartig over hun eigen ervaring met de dementie van hun partner, ouder, vriend.


Isolement vermijden
Het eenzijdig negatieve beeld over dementie dat in onze samenleving overheerst, leidt tot laattijdige of verkeerde diagnose, gemiste zorg en isolement. Het heersende taboe bemoeilijkt de deelname van mensen met dementie aan het sociale leven en isoleert niet alleen de persoon met dementie, maar ook zijn naasten. Het contact tussen een persoon met dementie, zijn naasten en de lokale gemeenschap dreigt dan te verwateren. Een genuanceerde beeldvorming en destigmatisering is daarom een ambitie in het Dementieplan Vlaanderen 2010 - 2014.


Stijging met 30% tegen 2020
Vlaanderen telt vandaag zo'n 100.000 personen met dementie, van wie ongeveer 65% thuis woont, al dan niet omringd door familie, kennissen en vrienden. Hun aantal zal tegen 2020 stijgen met bijna 30 % en bereikt zo een omvang die iedereen zal beroeren en die een andere aanpak dan de huidige vergt. Het is een opdracht van alle overheden, zorgverstrekkers en zeker ook voor onze samenleving in haar geheel. Zowat iedereen zal in de toekomst met dementie worden geconfronteerd: als patiënt, als parnter, als familielid, vriend, collega, buur, enz. De druk op de samenleving om de zorgnoden op te vangen zal toenemen en we zullen deze verantwoordelijkheid samen moeten dragen. In het Dementieplan Vlaanderen 2010-2014 staat hoe de minister daarom wil evolueren naar een dementievriendelijke samenleving. Een genuanceerde beeldvorming ingang laten vinden is daarvan, naast vele andere initiatieven, een cruciaal onderdeel. Op dit ogenblik is de overheersende inschatting van dementie vrij negatief. Dat is begrijpelijk en niet helemaal ten onrechte, maar toch is het verhaal genuanceerder dan doorgaans wordt aangenomen.


In Codex Medicus: Dementie

Bron: Vlaams Agentschap Zorg & Gezondheid

Tumoren ongevoelig door visolie


Utrecht, 13 september 2011 - Het lichaam produceert een stof die kankercellen ongevoelig maakt voor veelgebruikte chemotherapie. Onderzoekers van het UMC Utrecht schrijven dit in het tijdschrift Cancer Cell. Dezelfde stof zit ook in visoliecapsules die veel patiënten met kanker gebruiken. De onderzoekers raden het gebruik van visolie af voor patiënten die chemotherapie ondergaan.


Onderzoekers van het UMC Utrecht hebben een stof gevonden die kankercellen ongevoelig maakt tegen vrijwel alle vormen van chemotherapie. De stof die tumoren resistent maakt zit ook in commercieel verkrijgbare visolie-supplementen met omega-3 en omega-6 vetzuren en in sommige algenextracten. In de experimenten werden tumoren in muizen ongevoelig voor chemotherapie door toediening van normale hoeveelheden visolie. Kankerpatiënten gebruiken regelmatig visolie en andere natuurproducten als ondersteuning.


Prof. dr. Emile Voest, medisch-oncoloog in het UMC Utrecht leidde het onderzoek. "Bij resistentie tegen chemotherapie denken we meestal dat de kankercel veranderd is. Wij laten nu zien dat het lichaam zelf beschermende stoffen in het bloed kan brengen die krachtig genoeg zijn om het effect van chemotherapie te blokkeren. Deze stoffen zijn ook in sommige vormen van visolie te vinden. In afwachting van verder onderzoek, raden wij het gebruik van deze middelen tijdens de chemobehandeling af."


In Codex Medicus: Chemotherapie van tumoren

Bron: Universiteit Utrecht

Jaarlijks 630.000 enkelblessures bij sporters


Amsterdam, 8 september 2011 - Elk jaar lopen 630.000 sporters een enkelblessure op. De kans dat dit terugkomt is 1 op 3. Via een app voor de iPhone kunnen sporters een oefenschema volgen en zo sneller genezen en nieuwe blessures voorkomen.


De feiten
Na de knieblessure is de enkelblessure de meest voorkomende sportblessure in ons land. Voor bijna 4 op de 10 enkelblessures is medische behandeling nodig. Vooral enkelverstuikingen komen veel voor. De medische kosten zijn 46 miljoen euro per jaar. De kosten door arbeidsverzuim zijn geschat op 140 miljoen euro per jaar.


Als een sporter eenmaal een enkelblessure heeft gehad, is de kans 1 op 3 dat deze blessure in de toekomst terugkomt. Met name het eerste jaar na de blessure is het risico groot.*


'Versterk je enkel'-app helpt blessures voorkomen
Consument en Veiligheid ontwikkelde de 'Versterk je enkel'-app. De app is bedoeld voor sporters met zwakke enkels of die herstellende zijn van een enkelblessure. De app biedt een oefenschema van 8 weken, dat bestaat uit 3 sets oefeningen per week. Elke oefening wordt duidelijk uitgelegd in een instructiefilm. Het doel: geblesseerde enkels sneller genezen en nieuwe blessures voorkomen.


De oefeningen en het bijbehorende schema zijn afkomstig uit de 2BFit studie van het EMGO / VUmc en zijn wetenschappelijk effectief bewezen voor een goed herstel van enkelblessures. Sporters die de oefeningen uit 'Versterk je enkel' doen, reduceren de kans dat de blessure terugkomt.


De 'Versterk je enkel'-app is vooralsnog alleen beschikbaar voor iPhone en gratis te downloaden in de App Store.


In Codex Medicus: Enkelbandletsels


Bron: Consument en Veiligheid

Nieuw KNMG-standpunt over zelfgekozen levenseinde


Utrecht, 7 september 2011 - Ook patiënten die niet lijden aan een ernstige ziekte kunnen in aanmerking komen voor euthanasie. Een nieuw standpunt van artsenfederatie KNMG geeft een overzicht van de rol en grenzen van artsen bij het zelfgekozen levenseinde.


Artsen moeten elk euthanasieverzoek serieus nemen, stelt de KNMG in het nieuwe standpunt De rol van de arts bij het zelfgekozen levenseinde. Ook als iemand zijn leven voltooid vindt of bang is voor de gevolgen van dementie heeft de arts de taak te onderzoeken of iemand ondraaglijk lijdt en waaruit dat lijden bestaat. Veel artsen lijken zich onvoldoende bewust van de mogelijkheden en belemmeringen voor levensbeëindiging. Het KNMG-standpunt biedt artsen steun met een actueel overzicht van de verantwoordelijkheden, mogelijkheden en grenzen van de arts bij het zelfgekozen levenseinde. Een concept van het standpunt stond sinds december integraal online en is bediscussieerd via debatavonden, een ledenpeiling en expertmeetings. Het standpunt wordt breed gedragen.


Medische grondslag
Het standpunt benadrukt dat iemand die dood wil omdat hij oud is of zijn leven voltooid vindt, niet binnen de euthanasiewet valt. Een arts mag dan geen euthanasie uitvoeren. Er moet sprake zijn van een medische grondslag die ondraaglijk en uitzichtloos lijden veroorzaakt. Daarbij hoeft het niet te gaan om een ernstige ongeneeslijke of terminale aandoening. Ook een opeenstapeling van ouderdomsklachten kan een gerechtvaardigde grond zijn voor euthanasie of hulp bij zelfdoding.


Dilemma's rond euthanasie
Met dit standpunt zijn de dilemma's voor artsen rond het zelfgekozen levenseinde zeker niet van de baan. Zo kunnen patiënten met beginnende dementie en chronisch psychiatrische ziektebeelden binnen de criteria van de euthanasiewet vallen, maar blijft het beoordelen van deze verzoeken erg ingewikkeld. De KNMG vindt behoedzaamheid en zorgvuldigheid in deze situatie terecht.


In Codex Medicus:  Euthanasie

In Codex Medicus:  Euthanasie en hulp bij zelfdoding


Bron: KNMG

Minister Schippers niet tegen ziekenhuispretecho's


Den Haag, 1 september 2011 - Minister Schippers van VWS is er niet op tegen dat ziekenhuizen pretecho's aanbieden. Zolang er maar geen publiek geld in de activiteit wordt gestopt en als zwangere vrouwen het onderscheid wordt duidelijk gemaakt tussen pretecho's en echo's op medische indicatie, ziet Schippers geen bezwaar.


Ze schrijft dit in antwoord op Kamervragen van het Kamerlid Nine Kooiman (SP) over het bericht dat het Zeeuwse Admiraal De Ruyter Ziekenhuis pretecho's aanbiedt.


Volgens de minister genereert het ziekenhuis met deze commerciële activiteit in ‘Echocentrum Michieltje' na aftrek van kosten jaarlijks 15.000 euro. Tientallen ziekenhuizen bieden niet-noodzakelijke echo's voor zwangeren aan.

SP-lid Kooiman maakt zich zorgen dat onder zwangere vrouwen in het ziekenhuis reclame wordt gemaakt voor de pretecho. Ze is van mening dat een ziekenhuis zich moet bezighouden met medische zorg en niet met commerciële activiteiten.


Op de vraag ‘Is het niet principieel onjuist dat publiek gefinancierde instellingen hun autoriteit en gezag misbruiken voor commerciële doeleinden?' antwoordt de minister dat dit gezag niet erodeert door deze activiteit. Schippers: ‘Integendeel, sommige zwangere vrouwen zullen deze extra dienstverlening juist op prijs stellen.'


In Codex Medicus: Echoscopie

Bron: Medisch Contact

Inzicht in darmkanker via poliepen


Utrecht, 30 augustus 2011 - Het polyposissyndroom is een erfelijke aandoening waarbij poliepen ontstaan en patiënten een grotere kans op kanker hebben. Danielle Langeveld onderzocht het slijmvlies van de dikke darm van deze patiënten.

Ze probeerde factoren te vinden die bepalen wanneer er tumoren ontstaan. Ze concludeert onder meer dat bij patiënten met het polyposissyndroom de darmstamcellen langer leven. Hierdoor hebben deze cellen meer tijd om mutaties op te lopen die kanker veroorzaken. Het doel van Langevelds onderzoek is een eenvoudige test te ontwikkelen die op grote schaal toepasbaar is. Zo wordt de kans op het ontstaan van darmkanker beter voorspelbaar.


Langeveld promoveert op 15 september a.s.


In Codex Medicus: Tumoren van colon en rectum


Bron: Universiteit Utrecht

Hersenen bij ouderdomsdiabetes langzaam achteruit


Utrecht, 23 augustus 2011 - De hersenen van oudere diabetespatiënten nemen in vier jaar iets in omvang af. Maar nauwelijks meer dan bij gezonde mensen. Dat blijkt uit het promotieonderzoek van Jeroen de Bresser. Hij promoveert 25 augustus aan de Universiteit Utrecht.
Bij diabetespatiënten zijn tekenen van hersenveroudering duidelijker dan bij gezonde mensen. Maar hoe snel de hersenen van deze patiënten verder achteruit gaan, was nog onbekend. Jeroen de Bresser van het UMC Utrecht maakte daarom MRI-scans van de hersenen van 55 diabetespatiënten en 28 gezonde proefpersonen. Hij maakte van alle deelnemers twee hersenscans: bij aanvang van het onderzoek en vier jaar later. De mensen waren gemiddeld 65 jaar.


Bij de start van het onderzoek bleken de diabetespatiënten een kleiner hersenvolume dan de gezonde proefpersonen te hebben. Vier jaar later was het hersenvolume van zowel de diabetespatiënten als de gezonde mensen ruim een procent kleiner geworden, dat is een teken van hersenveroudering. Bij diabetespatiënten nam het volume van de ventrikels, een hersenstructuur die gevuld is met hersenvocht, meer toe dan bij gezonde proefpersonen. Bij diabetespatiënten nam het volume van het hersenvocht in de ventrikels toe met vijftien procent, bij gezonde proefpersonen elf procent. Het wil zeggen dat de hoeveelheid hersenweefsel bij diabetespatiënten iets meer is afgenomen.


De veranderingen op MRI-scans hangen samen met het functioneren van de hersenen. Het kleiner worden van de hersenen zou de opmaat kunnen zijn tot cognitieve achteruitgang. Mensen met diabetes lopen een grotere kans op vroegtijdige achteruitgang van hersenfuncties en het ontstaan van dementie. De schade die hieraan vooraf gaat, ontstaat echter sluipend, blijkt uit het onderzoek van De Bresser. "De hersenen van diabetespatiënten gaan achteruit, maar slechts langzaam en nauwelijks sneller dan gezonde proefpersonen. Dat is goed nieuws voor diabetespatiënten. Op basis van eerdere onderzoeken dachten we dat de hersenen sneller achteruit zouden gaan." Het is voor het eerst dat de hersenen van diabetespatiënten zo gedetailleerd in de loop van vier jaar gevolgd zijn.


In Codex Medicus: Diabetes mellitus bij ouderen

Bron: Universiteit Utrecht

Gendefect vergroot kans op ovariumcarcinoom


Londen, 15 augustus 2011 - Vrouwen hebben meer kans op ovariumcarcinoom als zij afwijkingen in het gen RAD51D. De gemiddelde kans neemt hierdoor toe van één op zeventig naar één op elf. Dat concluderen onderzoekers van The Institute of Cancer Research. Zij vergeleken het DNA van 911 families waarbij eierstok- en baarmoederhalskanker voorkomt met 1060 mensen uit de algemene bevolking.


Acht fouten
In vergelijking tot de controlegroep hebben de vrouwen met kanker acht fouten in het gen RAD51D.


Eierstokken
'Vrouwen die dit verhoogde risico hebben, kunnen overwegen hun eierstokken te laten verwijderen nadat ze kinderen hebben gekregen', zegt onderzoeker Nazneen Rahman.


Beschadigd DNA
RAD51D is belangrijk voor reparatie van beschadigd DNA. Wanneer het gen een afwijking heeft, ontbreekt de mogelijkheid voor herstel van het DNA. Cellen die daardoor ontstaan, kunnen de kanker veroorzaken.


Rahman verwacht dat er medicijnen komen die zich op het specifieke gen richten.


In Codex Medicus: Carcinoom van het ovarium


Bron: The Institute of Cancer Research

Nieuwe therapie slachtoffers seksueel kindermisbruik

Rotterdam, 12 augustus 2011 - Het Instituut voor Psychologie van de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR) zet virtual reality in bij een nieuwe therapie voor slachtoffers van seksueel kindermisbruik. Bij de behandeling bouwen deelnemers zelf een virtuele wereld.

Herinneringen
Bij de nieuwe therapie ligt de nadruk op het structureren en concretiseren van herinneringen aan het seksueel kindermisbruik. Nieuw is het gebruik van virtual reality voor volwassenen met depressieve of posttraumatische stressklachten die het gevolg zijn van herinneringen aan dit misbruik in hun kindertijd. Het therapiesysteem biedt deelnemers de mogelijkheid om zelf een virtuele wereld op te bouwen.

Effectiviteit
De therapie is grotendeels gebaseerd op effectief bewezen cognitieve gedragstherapie en bestaat uit acht sessies van ongeveer één uur. Voorafgaand aan de therapie is er een meting van de klachten en een één-op-één introductie met de therapie en het therapiesysteem op de Erasmus Universiteit Rotterdam. Hierna doorlopen slachtoffers op vaste momenten gedurende vier weken thuis de therapie. Aan de gratis behandeling is een onderzoek gekoppeld waarbij de effectiviteit van de therapie wordt onderzocht.

In Codex Medicus: Seksuele kindermishandeling

Bron: Erasmus MC
Nieuwe richtlijn ‘Hersenmetastasen' beschikbaar


Utrecht, 9 augustus 2011 - Het optreden van hersenmetastasen is de meest voorkomende neurologische complicatie van solide tumoren. Metastasering naar de hersenen van hematologische maligniteiten (leukemie, lymfoom) komt ook regelmatig voor, maar wordt in deze richtlijn buiten beschouwing gelaten, omdat het een ander diagnostisch- en behandeltraject vraagt. Alle solide tumoren kunnen metastaseren naar de hersenen, meestal laat in het beloop van de ziekte. Bij het frequent voorkomende long- en mammacarcinoom treden hersenmetastasen relatief vaak op. Ongeveer 10-30% van de patiënten met gemetastaseerde solide tumoren ontwikkelt hersenmetastasen. Jaarlijks wordt bij ongeveer 75.000 patiënten in Nederland voor het eerst kanker vastgesteld.


De landelijke richtlijn is multidisciplinair en evidence based opgesteld onder voorzitterschap van mw. dr. J.M.M. Gijtenbeek, neuroloog, Universitair Medisch Centrum St Radboud, Nijmegen. De aanbevelingen zijn gebaseerd op een zo hoog mogelijke graad van wetenschappelijk bewijs en consensus binnen de werkgroepleden. De richtlijn biedt de gebruikers inzicht in het tot stand komen van de aanbevelingen. De Landelijke werkgroep neuro-oncologie is eigenaar van de richtlijn, het Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL) heeft de procesbegeleiding verzorgd. De richtlijn is goedgekeurd door alle relevante autoriserende verenigingen.


Voor wie is de richtlijn?

De richtlijn is bestemd voor alle professionals die betrokken zijn bij de diagnostiek, behandeling en begeleiding van volwassen patiënten met hersenmetastasen van solide tumoren.
 
In Codex Medicus: Metastasen in cerebro

Bron: Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers

Stijging verstrekte ooggeneesmiddelen


Den Haag, 8 augustus 2011 - In de eerste helft van 2011 verstrekten de Nederlandse openbare apotheken 2,75 miljoen keer een oogmiddel dat vergoed werd uit het basispakket. Dat is een stijging van 8%. Middelen tegen droge ogen werden het vaakst verstrekt.


De groep ooggeneesmiddelen kent een grote diversiteit. Artsen schrijven oogmiddelen voor bij droge ogen, bij de behandeling van glaucoom, ter bestrijding van ooginfecties, en ter bestrijding van allergische en ontstekingsreacties. Ook worden oogdruppels gebruikt om een verwijding van de pupil te bewerkstelligen. In totaal verstrekten Nederlandse apotheken in de eerste helft van 2011 2,75 miljoen keer een geneesmiddel voor het oog dat in het basispakket is opgenomen. Dat is 8% meer dan in dezelfde periode van 2010.


Droge ogen
Kunsttranen, die worden toegepast bij de behandeling van droge ogen, zijn met 1,6 miljoen verstrekkingen de meest verstrekte oogmiddelen in de eerste helft van 2011. Ze zijn beschikbaar in de vorm van oogdruppels, ooggel en oogzalf. Kunsttranen bevatten een verdikkingsmiddel, en geen werkzame stof, waardoor de ogen langer vochtig blijven. Kunsttranen zijn per 1 mei 2009 zonder recept verkrijgbaar en worden onder voorwaarden vergoed vanuit de basisverzekering.


Glaucoom
Bij glaucoom is de druk in het oog te hoog. Nadat artsen glaucoom vaststellen, zullen zij in het algemeen kiezen om dit te behandelen om progressie tegen te gaan. Als artsen niet behandelen kan dit leiden tot beperkingen in het gezichtsveld en uiteindelijk tot blindheid. Als eerste type behandeling kiezen artsen veelal voor verlaging van de oogdruk door de productie van kamerwater te verminderen of door de afvoer van kamerwater te bevorderen. Dit kan in de vorm van oogdruppels of gels, die doorgaans chronisch gebruikt moeten blijven worden. In de eerste helft van 2011 verstrekten apothekers ruim 550.000 keer een middel dat de oogboldruk verlaagt.


In ruim 40% van de gevallen betrof dat een middel met bètablokker timolol, dat de eerste keus is vanwege de lage kosten. Timolol vermindert de productie van kamerwater. Opvallend is dat de afgelopen jaren een verschuiving heeft plaatsgevonden van timolol naar het gebruik van combinatiepreparaten met timolol. Binnen deze groep combinatiepreparaten is de combinatie timolol met dorzolamide het meest voorgeschreven.
Het tweede meest voorgeschreven middel om de oogdruk te verlagen is latanoprost. Dit middel verlaagt de oogdruk door de bevordering van de afvoer van kamerwater. Bij latanoprost is in de eerste helft van 2011 duidelijk te zien dat het aantal verstrekkingen afneemt ten opzichte van eerdere jaren. Mogelijk schrijven artsen in plaats daarvan vaker het halverwege 2010 geïntroduceerde tafluprost voor.


In Codex Medicus: Droge ogen


In Codex Medicus: Glaucoom

In Codex Medicus: Allergische reactie


Bron: Stichting Farmaceutische Kengetallen

Jaarlijks sterven 8000 patiënten aan gevolgen COPD


Amersfoort, 4 augustus 2011 - Jaarlijks overlijden in Nederland zo'n 8000 mensen aan de gevolgen van COPD, wat dit bijna de derde doodsoorzaak in Nederland maakt. De Long Alliantie Nederland heeft recent de richtlijn Palliatieve zorg voor mensen met COPD uitgebracht om zorg op dit vlak te verbeteren. Waar de sterftecijfers van andere chronische ziekten dalen, is de voorspelling dat de sterfte voor mensen met COPD juist toeneemt in de komende jaren


Laatste zorg
Uit onderzoek naar de palliatieve zorg - zorg in de laatste levensfase - voor mensen met COPD is gebleken dat deze vorm van zorg minder goed georganiseerd is dan bijvoorbeeld de palliatieve zorg voor mensen met kanker. Voor deze groep patiënten was er nog geen richtlijn voorhanden. De nieuwe richtlijn Palliatieve Zorg voor mensen met COPD beschrijft wat in het algemeen wat de beste zorg is voor COPD-patiënten in de palliatieve fase.


Zorg optimaliseren
De richtlijn Palliatieve zorg voor mensen met COPD biedt zorgverleners een handvat om de inhoud van de zorg te optimaliseren. Dit is van groot belang omdat palliatieve zorg voor mensen met COPD complex is. Dit komt doordat de palliatieve fase bij COPD meerdere jaren kan duren. Daarbij is het in de praktijk moeilijk om vast te stellen of een patiënt in deze fase van COPD is terecht gekomen.


Wensen van de patiënt
In de richtlijn wordt veel aandacht besteed aan het patiëntenperspectief. De wensen van de patiënt zijn namelijk van groot belang voor het verdere behandelproces in deze fase van COPD. Zo kan de patiënt er voor kiezen om wel of niet een verdere behandeling te ondergaan zonder (blijvend) effect. De richtlijn biedt hiermee verschillende invalshoeken binnen de behandeling van palliatieve zorg voor mensen met COPD.


In Codex Medicus: COPD

In Codex Medicus: Palliatieve zorg


Bron: Long Alliantie Nederland

Bof vooral aangetroffen in universiteitssteden


Bilthoven, 2 augustus 2011 - Vanaf 1 december 2009 tot 26 juli 2011 zijn er 1004 meldingen van patiënten met bof bij het RIVM binnengekomen. De meldingen komen vooral uit universiteitsteden. Het RIVM doet onderzoek naar de oorzaken van de epidemie van bof, die sinds eind 2009 vooral heerst onder studenten.


Een mogelijke oorzaak van de epidemie is dat de bescherming door het bofvaccin in de tijd afneemt, waardoor jongvolwassenen, die onderling veel nauwe contacten hebben (studentenhuizen, feesten van studentenverenigingen, sportverenigingen), na blootstelling toch de ziekte kunnen ontwikkelen. Wel blijkt dat de kans op complicaties ten gevolge van bof bij gevaccineerden kleiner is dan bij ongevaccineerden.

De meeste studenten met bof zijn in het verleden tweemaal gevaccineerd tegen BMR. Er is op dit moment onvoldoende aanleiding om revaccinatie van al volledig gevaccineerde studenten te adviseren. Gezien de kleinere kans op complicaties zullen GGD'en studenten die nog niet of niet volledig ingeënt zijn tegen de bof, een BMR-vaccinatie aan blijven bieden.


Het bofvirus wordt overgebracht door hoesten, niezen en speekseluitwisseling. Bof verloopt vaak ongemerkt, maar kan ook leiden tot complicaties als doofheid en teelbalontsteking. Zeer zelden leidt dat tot blijvende onvruchtbaarheid. Het vóórkomen van bof in Nederland is sterk afgenomen sinds de inenting ertegen in 1987 werd opgenomen in het Rijksvaccinatieprogramma. Sindsdien krijgen kinderen op de leeftijd van 14 maanden en 9 jaar een BMR-inenting, tegen bof, mazelen en rodehond.


In Codex Medicus: Parotitis epidemica

Bron: RIVM

Belangrijke ontwikkeling in de behandeling van bloedkanker


Gent, 28 juli 2011 - Onderzoekers van de UGent ontrafelden de ruimtelijke structuur van de humane Flt3 receptor uit beenmergcellen. Als deze receptor geactiveerd wordt door een specifieke sleutelstof (cytokine ligand), gaan beenmergcellen zich verder vermenigvuldigen en ontwikkelen tot celtypes die belangrijk zijn voor de opbouw van immuniteit. De Flt3 receptor werd ruim 20 jaar geleden ontdekt maar de structuur ervan en zijn interactie met zijn cytokine ligand waren nog niet bekend. De ontdekking is van groot belang voor de behandeling van bloedkanker en werd gepubliceerd in het toonaangevende wetenschappelijke tijdschrift "Blood".


Nieuwe generaties en zelfs nieuwe klasse geneesmiddelen
De ontdekkingen kunnen de basis vormen voor het gericht ontwikkelen van een nieuwe generatie van Flt3 gebaseerde geneesmiddelen voor de behandeling van bloedkankers zoals acute myeloïde leukemie (AML). Dergelijke nieuwe medicijnen beloven effectiever te zijn dan de huidige geneesmiddelen in het stoppen van de ongeremde productie van bloedcellen.


Bovendien opent het onderzoek perspectieven om de Flt3 receptor zelf te activeren in plaats van te blokkeren. Die strategie zou kunnen leiden tot een nieuwe klasse van geneesmiddelen ter ondersteuning van patiënten met een verlaagde immuniteit.


In Codex Medicus: Leukemie


Bron: Universiteit Gent

Vaccin tegen Mexicaanse griep verhoogt kans op slaapziekte bij kinderen en jongeren


Londen, 26 juli 2011 - Kinderen en jongeren onder de 20 kunnen indien mogelijk beter niet worden ingeënt met Pandemrix, het vaccin tegen de Mexicaanse griep. Dat zorgt bij hen namelijk voor een hoger risico op narcolepsie of slaapziekte. Dat heeft het Europees Geneesmiddelenbureau EMA laten weten na een grondige analyse.

In Zweden en Finland liepen mensen onder de 20 die het vaccin gekregen hadden, zes tot dertien keer meer risico om de ziekte te krijgen. Narcolepsie is een neurologische ziekte waarbij de patiënt zelfs bij voldoende nachtrust overdag geregeld in slaap valt.

Het verhoogde risico werd niet bevestigd buiten de Scandinavische landen, maar het kan ook niet uitgesloten worden, aldus het EMA. Vandaar dat Pandemrix voor die leeftijdsgroep beter alleen wordt gebruikt, als er geen ander vaccin ter beschikking is en er een bescherming tegen het H1N1-virus noodzakelijk is. Bij volwassenen werd het hogere risico op slaapziekte niet vastgesteld.


In Codex Medicus: Narcolepsie

Bron: European Medicines Agency

Veilig werken met graan


Den Haag, 25 juli 2011 - Mensen die werkzaam zijn in de opslag en overslag van graan en in de diervoederindustrie ademen daar graanstof in. Dit kan leiden tot schade aan de longen en de luchtwegen. Wanneer de concentratie inhaleerbaar graanstof op deze werkplek lager blijft dan 1,5 mg/m3, gemiddeld over een achturige werkdag, treden geen gezondheidsklachten op. Dit schrijft de Gezondheidsraad in een advies dat is aangeboden aan de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.


In Codex Medicus: Organisch stof


Bron: Gezondheidsraad

Chemo maakt kankercellen gevoelig voor het afweersysteem


Nijmegen, 21 juli 2011 - Lang werd gedacht dat chemotherapie en immuuntherapie elkaar niet goed verdragen. Chemo tast immers de witte bloedcellen aan en die zijn nou juist nodig voor de immuuntherapie. Maar in The Journal of Clinical Investigation toont dr. Joost Lesterhuis van het UMC St Radboud aan, dat platinumchemotherapie bepaalde afweercellen juist stimuleert en tumoren gevoeliger maakt voor vernietiging door het immuunsysteem.

Bij de behandeling van kanker was het lange tijd een dogma: chemotherapie ondermijnt de mogelijkheden om ook immuuntherapie toe te passen. Want chemotherapie tast de witte bloedcellen aan en die vormen nou juist de basis voor de immuuntherapie. Joost Lesterhuis, medisch oncoloog in het UMC St Radboud: “Bij chemotherapie daalt inderdaad het aantal granulocyten; de witte bloedcellen die ongewenste bacteriën opruimen. Maar het aantal lymfocyten - een andere groep witte bloedcellen - daalt niet. Juist deze lymfocyten zijn betrokken bij een aanval op kankercellen.”

 

Aanvoerders van de afweer
Om het systeem beter te begrijpen onderzocht Lesterhuis de werking van de platinum bevattende chemotherapie, een vorm van chemotherapie die in een groot deel van patiënten met kanker wordt toegepast. Vooral het effect op de dendritische cel is belangrijk. Lesterhuis: “Dendritische cellen zijn namelijk de aanvoerders van het afweersysteem. Zij bepalen of de lymfocyten de kankercellen gaan aanvallen of niet.”

Lesterhuis deed een interessante ontdekking: “De platinumchemotherapie haalt aan het oppervlak van de dendritische cellen het eiwit PD-L2 weg. Verdwijnt dat eiwit, dan geven dendritische cellen veel makkelijker opdracht aan de lymfocyten om de kankercellen aan te vallen. De chemo stimuleert in dit geval dus de afweerreactie tegen kankercellen.”

In Codex Medicus: Chemotherapie van tumoren

Bron: UMC St. Radboud

Is veel water drinken wel zo gezond?

Londen, 15 juli 2011 - Organisaties als de WHO (Wereldgezondheidsorganisatie) en de EFSA (Europese autoriteit voor voedselveiligheid) geven het advies om iedere dag twee liter water te drinken. Maar volgens de Britse arts Margaret McCartney hoeft veel water drinken niet goed voor je te zijn. Het kan zelfs schadelijk voor de gezondheid zijn.


McCartney suggereert dat de roep om meer water te drinken wordt gepromoot door de Franse voedselgigant Danone, die onder andere gebotteld water verkoopt.

Volg de discussie op deze pagina van het British Medical Journal.

In Codex Medicus: Vocht (waterbalans)

Bron: Britisch Medical Journal

Nieuwe stap naar de harmonisering van de rectumkankerzorg

Brussel, 13 juli 2011 - Het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) zocht samen met UGent de beste manier om de zorgkwaliteit voor rectumkanker in kaart te brengen. De artsen van de PROCARE groep stelden de anonieme gegevens ter beschikking van 3300 patiënten uit 79 Belgische ziekenhuizen. Bij de beoordeling werd o.m. rekening gehouden met het feit dat niet alle kankers in een even ver gevorderd stadium zijn, want alleen al hierdoor kunnen de resultaten verschillen van ziekenhuis tot ziekenhuis. Daarnaast werd ook getracht de grote hoeveelheid aan kwaliteitsinformatie te bundelen in enkele samenvattende indicatoren. De inspanningen die de voorbije jaren werden geleverd om de chirurgie te standaardiseren blijken succesvol te zijn. Op het gebied van diagnose en weefselonderzoek bestaan er wel nog veel verschillen tussen ziekenhuizen. De ontwikkelde methode van kwaliteitsevaluatie van rectumkanker is ook bruikbaar voor andere soorten kankers.

In Codex Medicus: Tumoren van colon en rectum

Bron: Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg
Aanleg voor eetstoornissen genetisch bepaald


Leiden, 29 juni 2011 - Mensen met een bepaalde genetische variatie hebben meer kans op eetstoornissen. Dat ontdekte promovenda Rita Slof-Op 't Landt tijdens haar onderzoek waarop zij gisteren aan het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) promoveerde.


Tweelingstudies wijzen erop dat erfelijke factoren een rol spelen bij eetstoornissen, zoals anorexia nervosa en boulimia nervosa. Promovenda Rita Slof-Op 't Landt onderzocht welke genen de kans beïnvloeden om anorexia en eetstoornissen die gepaard gaan met zelfopgewekt braken te ontwikkelen. Ongeveer 0,3 procent van de vrouwen tussen 15 en 29 jaar lijdt aan anorexia nervosa (stoornis gekenmerkt door ondergewicht en extreme angst om in gewicht aan te komen of dik te worden) en 1 procent aan boulimia nervosa (eetbuien gecombineerd met braken of gebruik van laxeermiddelen).


Impulsiviteit
De onderzoekster vergeleek vier mogelijk bij eetstoornissen betrokken genen van patiënten met die van gezonde mensen. Ze ontdekte dat één ervan, het gen voor tryptofaanhydroxylase 2 (TPH2) gekoppeld is aan de kans op de ontwikkeling van eetstoornissen. Bepaalde varianten van dit gen blijken de kans hierop te verhogen. Daarnaast bleek genetische variatie binnen dit gen ook betrokken bij impulsiviteit.
TPH2 speelt een belangrijke rol binnen het serotoninesysteem. Dat systeem is betrokken bij verschillende biologische, fysiologische en gedragsfuncties die een rol kunnen spelen bij de ontwikkeling van een eetstoornis. Zo is serotonine van invloed op de regulatie van lichaamsgewicht, eetgedrag, maar ook op psychische kenmerken zoals perfectionisme, impulsiviteit en obsessief gedrag", aldus de promovenda. "Genetische variatie in TPH2 lijkt dus invloed te hebben op impulsiviteit, wat de kwetsbaarheid op het ontstaan van anorexia nervosa of eetstoornissen gekenmerkt door zelfopgewekt braken kan beïnvloeden."


In Codex Medicus: Anorexia nervosa

In Codex Medicus: Boulimia nervosa

Bron: Leids Universitair Medisch Centrum

.

Veilig werken met twee glycol ethers


Den Haag, 27 juni 2011 - Inademing van ethyleenglycol monomethylether (EGME) en ethyleenglycol monomethylether acetaat (EGMEA) door zwangere vrouwen kan schade veroorzaken aan het ongeboren kind. Wanneer de concentratie EGME in de lucht op de werkplek lager blijft dan 0,5 mg/m3 (0,16 ppm), gemiddeld over een achturige werkdag, treden geen gezondheidsklachten op. Voor EGMEA is dat 0,8 mg/m3 (0,16 ppm). Dit schrijft de Gezondheidsraad in een advies dat is aangeboden aan de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.


In Codex Medicus: Ethyleenglycol

Bron: Gezondheidsraad

Leververvetting meten met MR-spectroscopie


Amsterdam, 22 juni 2011 - Leververvetting wordt veroorzaakt door de stapeling van vet in de lever. Het komt tegenwoordig vaker voor vanwege onder andere de toename van overgewicht.


Met Magnetic Resonance (MR)-spectroscopie kan dit op een non-invasieve manier worden gemeten. Jochem van Werven onderzocht de reproduceerbaarheid van MR-spectroscopie en de nauwkeurigheid ervan in een cohort van extreem dikke patiënten. Hij evalueerde leververvetting in een experimenteel proefdiermodel en bekeek de mogelijkheid om MR-spectroscopie te gebruiken voor de bepaling van de samenstelling van levervet in ratten en patiënten.


In Codex Medicus: Vetlever

In Codex Medicus: Magnetische resonantie (MR)

Bron: Universiteit van Amsterdam

Test helpt signalen van kindermishandeling herkennen


Den Haag, 21 juni - Staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten (VWS) pakt kindermishandeling aan. Zij heeft in Apeldoorn de signalentest gelanceerd. Mensen die de test doen, leren de signalen van kindermishandeling kennen, wat belangrijk is bij de aanpak van kindermishandeling. De signalentest die te zien is op Hyves, Nu.nl, Startpagina.nl, en diverse andere websites, maakt onderdeel uit van de publiekscampagne aanpak kindermishandeling.


'Jaarlijks worden er naar schatting 107.000 kinderen mishandeld. Kindermishandeling is vaak onzichtbaar. Dat is een groot probleem, want veel slachtoffers krijgen dus ook geen hulp', aldus Veldhuijzen van Zanten. 'We herkennen de signalen van kindermishandeling niet goed genoeg. De signalentest kan ons daarbij helpen. Ik roep iedereen op de test te doen', aldus Veldhuijzen van Zanten.


De signalentest
Zie ik het nu wel of niet goed? We herkennen de signalen van kindermishandeling onvoldoende. Door de test te doen, worden mensen bewuster en alerter. Vervolgens kunnen ze tot actie over gaan door de signalen bespreekbaar te maken met betreffende ouders of - als dat niet lukt - advies te vragen bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling.


Publiekscampagne aanpak kindermishandeling
De signalentest staat niet op zichzelf, maar is onderdeel van de campagne aanpak kindermishandeling van de staatssecretaris van VWS. De lancering van de signalentest vond plaats in Apeldoorn. De komende dagen trekt een infoteam het land in met de signalentest. Op verschillende locaties kunnen mensen kennis maken met de test en worden ze aangespoord om de test te doen. Het infoteam voorziet geïnteresseerden daarnaast van informatiemateriaal en kan eventuele vragen beantwoorden. Op dinsdag is het infoteam in Den Haag, op woensdag in Amsterdam en op donderdag in Rotterdam.

Meer informatie over de campagne aanpak kindermishandeling en de signalentest is te vinden op watkanikdoen.nl.


In Codex Medicus: Kindermishandeling


Bron: Minsterie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Antivirale medicatie bij chronische hepatitis B vooral aanbevolen bij verder gevorderde ziekte


Brussel, 14 juni 2011 - Sinds enkele jaren zijn nieuwe geneesmiddelen beschikbaar voor de behandeling van chronische hepatitis B. De prijs van deze behandeling bedraagt rond de 5000 euro per patiënt per jaar. Belgische beleidsmakers vroegen aan het Vlaamse Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) na te gaan welke groepen patiënten het meest baat kunnen hebben bij deze behandeling, en tegen welke prijs. Het KCE concludeerde dat het behandelen van een meer gevorderd ziektestadium, in dit geval levercirrose, gepaard gaat met de hoogste gezondheidswinst per uitgegeven euro. De berekeningen door het KCE zijn gebaseerd op een origineel onderzoek naar het ziekteverloop en de ziektekosten in samenwerking met een groot aantal leverspecialisten.


In Codex Medicus: Hepatitis chronica

In Codex Medicus: Cirrhosis hepatitis

Bron: Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg

Kanker wordt steeds meer een chronische ziekte


Alexandria (USA) en Gent (B) - Zijn we kanker aan het overwinnen? Daar lijkt het op als we de jongste berichten over 'wondermiddelen' en 'de grootste doorbraken ooit' mogen geloven. Maar we zijn er nog niet. 'Kanker als ziekte uitroeien is een utopie, maar meer en meer wordt het een chronische, controleerbare ziekte', zegt oncoloog Simon Van Belle.


De voorbije veertig jaar is de gemiddelde overlevingskans voor alle kankers gestegen met 18procent, zodat vandaag twee op de drie kankerpatiënten minstens nog vijf jaar leven na de diagnose', zegt dokter George Sledge Jr., voorzitter van de ASCO (American Society of Clinical Oncology) die dit weekend haar jaarlijkse conferentie hield. Het was in de marge daarvan dat heel baanbrekend kankernieuws naar buiten kwam.


Meer kankergevallen
Maar niet te snel gejuicht. De ASCO schat ook dat het aantal kankergevallen de komende tien jaar zal stijgen, van zo'n 12,7miljoen in 2008 tot meer dan 20miljoen in 2030.

'We hebben de jongste decennia heel wat vooruitgang geboekt, maar ondanks die verbeterde behandelmethodes zal steeds meer kanker voorkomen aangezien het vooral een ouderdomsziekte is', zegt professor Frank Speleman van de dienst Medische Genetica van de Universiteit Gent. 'De vraag vanuit de maatschappij naar een soort wondermiddel tegen Kanker met de grote K is dan natuurlijk groot.'

Maar, zegt Speleman, één medicijn dat alle kankers verslaat, is sciencefiction. 'De strijd tegen kanker winnen is zoals zeggen dat we alle oorlogen wereldwijd op één dag kunnen stoppen', zegt de Gentse wetenschapper. 'We strijden hier met verschillende strategieën op verschillende fronten. Kanker is niet één ziektebeeld: het is een verzameling van honderden ziektebeelden.'


Klein wondertje
Toch zijn er recent veel successen geboekt. 'Ons inzicht is de laatste jaren spectaculair toegenomen: we begrijpen in groot detail wat er aan de hand is met kankercellen, kunnen beter diagnoses stellen en prognoses maken, en zo ook gerichter behandelen', zegt Speleman. 'En ja, we kunnen nog niet alle kankers definitief behandelen, maar we kunnen de toekomst met optimisme tegemoet zien.'


Professor Simon Van Belle, hoofd van de afdeling Medische Oncologie in het Universitair Ziekenhuis Gent, geeft zijn collega gelijk. Hij ziet het middel ipililumab, tegen melanoom als een 'klein wondertje'.
'De concepten zijn belangrijker dan het middel. Zo maakt het middel gebruik van het eigen afweersysteem van het lichaam om kwaadaardige kankercellen aan te vallen. En het valt meer gericht aan, alleen op dié specifieke afwijking die de kankercellen vertonen. Belangrijk omdat we deze werkwijze ook bij andere kankers kunnen gebruiken.'


Geen snelle dood meer
Vroeger betekenden uitzaaiingen een snelle dood. Nu wordt dat proces gerekt, door de tumor tot een leefbaar stadium terug te dringen. 'Een biopsie leert ons precies wat de basiseigenschappen van een specifiek type tumor zijn, bijvoorbeeld welk type abnormale eiwitten aanwezig zijn. Met die kennis kunnen we de nieuwe, zeer doelgerichte middelen efficiënt inzetten', zegt professor Van Belle. 'En de kanker controleerbaar maken. Kanker als ziekte uitroeien is een utopie, maar meer en meer mogen we hopen dat kanker een chronische ziekte wordt. In de toekomst zullen veel mensen niet sterven door, maar met kanker. Al spreken we nog over enkele tientallen jaren', zegt Van Belle.


'De ontdekkingen volgen elkaar steeds sneller op', zegt Frank Speleman nog. 'Maar het uittesten van die nieuwe medicijnen vraagt veel tijd. We weten doorgaans pas na een paar jaar hoe efficiënt ze zijn.'


In Codex Medicus: Oncologie

Verkoudheidsvirussen tegen hersenkanker


Amsterdam, 7 juni 2011 - In zijn promotieonderzoek bekijkt Sander Idema het gebruik van genetisch gemodificeerde verkoudheidsvirussen (adenovirussen) bij de behandeling van het Glioblastoma multiforme (GBM). Deze vorm van hersenkanker is momenteel niet behandelbaar. De onderzochte vorm van gentherapie, oncolytische virotherapie, lijkt preklinisch veelbelovend. Toch is de klinische toepassing vooralsnog beperkt vanwege de complexiteit ervan. Nader onderzoek is inmiddels gestart.


Het glioblastoma multiforme (GBM) is een vorm van hersenkanker die zich kenmerkt door zowel snelle groei als uitgebreide infiltratie van het normale hersenweefsel. Dit maakt het GBM een tot op heden onbehandelbare ziekte. Sander Idema onderzocht het gebruik van genetisch gemodificeerde verkoudheidsvirsussen bij de bestrijding van het GBM.


De virussen zijn zo gemanipuleerd dat zij enkel tumorcellen kunnen infecteren en vervolgens alleen in deze tumorcellen kunnen repliceren en zo de cel doden. Het onderzoek richt zich op verbeteringen in zowel de toediening van het virus, onder andere middels continue infusie in de hersenen (convection-enhanced delivery, CED), als de effectiviteit van het virus al dan niet gecombineerd met radiotherapie. Hiernaast worden de PET scan en wiskundige modellen gebruikt om het effect van de virussen te beoordelen en te voorspellen.

Inmiddels worden onderdelen van dit proefschrift reeds gebruikt in een fase I/II studie waarbij GBM patiënten met behulp van CED worden behandeld met oncolytische adenovirussen.

In Codex Medicus: Glioma

Bron: VU medisch centrum

Vernieuwde website over prestaties Nederlandse gezondheidszorg


Bilthoven, 31 mei 2011 - Van de vrouwen bij wie borstkanker wordt vastgesteld, is 84 % na vijf jaar nog in leven. Bevallingen eindigen in het ene ziekenhuis veel vaker in een keizersnede dan in het andere. In 2009 hebben zorgverzekeraars voor het eerst verdiend aan de basisverzekering. Dit is een kleine greep uit de informatie van de vernieuwde Zorgbalans-website.

De Zorgbalans schetst hoe de gezondheidszorg er in Nederland voor staat aan de hand van ruim 125 indicatoren over kwaliteit, toegankelijkheid en kosten. Deze indicatoren geven een antwoord op belangrijke beleidsvragen over de zorg: Is zorg voor iedereen goed bereikbaar? Hoe doet Nederland het in vergelijking met de ons omringende landen? Hoe ervaren patiënten de zorg? Wat kost onze gezondheidszorg eigenlijk en wat krijgen we daarvoor terug? De Zorgbalans is een essentiële informatiebron voor het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, en wordt bijvoorbeeld gebruikt bij het opstellen van de beleidsagenda.


Sinds 2006 brengt het RIVM de Zorgbalans uit in de vorm van een rapport dat ook via het internet te lezen is. Met ingang van 2011 wordt de Zorgbalans een website die tenminste twee maal per jaar wordt geactualiseerd met nieuwe cijfers. In mei 2011 zijn 21 indicatoren geactualiseerd.


Bron: RIVM

Voorspelling en behandeling van posttrombotisch syndroom

Nijmegen, 25 mei 2011 - Het posttrombotisch syndroom (PTS) is een combinatie van huidverschijnselen aan het been die ontstaan bij mensen die een diepe veneuze trombose (DVT) hebben doorgemaakt. Het gevolg is vermindering van de kwaliteit van leven voor de patiënt en kosten voor de gezondheidszorg. De oorzaken kunnen zijn: belemmering van de doorstroom in de bloedvaten (vene-obstructie), klepinsufficiëntie of een combinatie hiervan.

Edith Klappe toont in haar proefschrift aan dat met niet-invasief vaatfunctieonderzoek het optreden van PTS drie maanden na DVT is te voorspellen. Obesitas is daarbij duidelijk een risicofactor. Verder blijkt uit haar onderzoek dat in de acute fase van een diepe veneuze trombose een ontstekingsreactie optreedt, die een rol speelt in het ontstaan van PTS. Ontstekingsremming bij de behandeling zou kunnen leiden tot een vermindering van PTS. Zwachtelen in de acute fase van DVT - dus vóór het aanmeten van elastische kousen - leidt daarentegen niet tot een vermindering van PTS. Het leidt wel tot een afname van klachten en oedeem.

In Codex Medicus: Postoperatieve vasculaire complicaties

Bron: Radboud Universiteit
Aantal meerlingen neemt af

Den Haag, 20 mei 2011 - Sinds 2003 daalt het aantal meerlinggeboorten in Nederland. Doordat er de laatste jaren vaak maar 1 eicel wordt teruggeplaatst bij in-vitrofertilisatie is het aantal tweelingen fors afgenomen.

In 2009 zijn in ons land ongeveer 3 200 meerlingen geboren. Meestal zijn dit tweelingen. Het aantal geboorten van drie(-plus)lingen bedroeg slechts 44. Het aantal tweelinggeboorten noteerde in 2002 een record van 3,7 duizend. Daarna is het aantal afgenomen. Het aantal drie(-plus)lingen bereikte al in 1991 zijn piek. Toen werden er 124 drie(-plus)lingen geboren.

Ivf leidde tot groeiend aandeel meerlingen
Het aandeel meerlinggeboorten is vanaf het midden van de jaren zeventig fors toegenomen: van 10 per 1 000 geboorten in 1975 naar 19 per 1 000 in 2002. Dit is vooral toe te schrijven aan in-vitrofertilisatie (ivf), een techniek die sinds ongeveer dertig jaar steeds vaker wordt toegepast. Ook het toenemende aantal oudere moeders, die een hogere kans hebben op een meerling, speelde een bescheiden rol. Het totale aantal geboren kinderen lag in 2009 niet ver boven het aantal van medio jaren zeventig.

Minder eicellen teruggeplaatst
Om de slagingskans te vergroten werden er bij de toepassing van ivf aanvankelijk vaak 4 of 5 bevruchte eicellen teruggeplaatst. Hierdoor nam in de jaren tachtig en negentig het aantal meerlingen fors toe. Daarna werden hooguit 2 eicellen teruggeplaatst, waardoor het aantal drie(-plus)lingen ging dalen. Het aantal tweelingen bleef echter nog wel toenemen.

De afgelopen jaren wordt vaker maar 1 eicel teruggeplaatst en is dus ook het aantal ivf-tweelinggeboorten afgenomen. Tussen 2003 en 2009 daalde daardoor het aandeel van de tweelinggeboorten dat het gevolg was van een ivf-behandeling van 22 naar 15 procent. Het aandeel enkelvoudige geboorten door ivf in het totaal van de enkelvoudige geboorten nam daarentegen toe van 1,5 naar 2,2 procent.

In Codex Medicus: Meerlingzwangerschap

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek
Toenemend aantal gevallen van mazelen in Frankrijk


Amsterdam, 18 mei 2011 - De komende maanden vertrekken weer veel Nederlanders voor vakantie naar Frankrijk. Het is goed om daarbij te weten dat de uitbraak van mazelen die sinds 2008 in Frankrijk wordt beschreven nog niet voorbij is. Sinds oktober 2010 is weer een sterke stijging van het aantal meldingen beschreven. Vooral in het zuidoosten van Frankrijk worden veel gevallen gemeld. De departementen Rhône-Alpes, Provence-Alpes-Côte d'Azur, Languedoc-Roussillon, Franche-Comté, Auvergne en Midi-Pyrénées melden de grootste stijging. Dit heeft te maken met het feit dat in deze gebieden relatief veel personen niet gevaccineerd zijn tegen mazelen.


Indien tijdens een verblijf in Frankrijk sprake zal zijn van nauw contact met de plaatselijke bevolking in de genoemde gebieden wordt vaccinatie geadviseerd aan alle ongevaccineerde kinderen vanaf de leeftijd van 6 maanden, en aan ongevaccineerde volwassenen geboren vanaf 1 januari 1970 die geen mazelen hebben doorgemaakt.


De meeste reizigers die in Nederland zijn geboren hebben bescherming tegen mazelen opgebouwd omdat ze de ziekte als kind hebben doorgemaakt (geboren voor 1 januari 1970) of tegen mazelen zijn gevaccineerd (geboren na 1 januari 1970). Voor deze reizigers worden geen extra maatregelen geadviseerd.


In Codex Medicus: Mazelen


Bron: Landelijk Coördinatiecentrum Reizigersadvisering

Gevolgen van mondkankeroperaties


Utrecht, 17 mei 2011 - Caroline Speksnijder onderzocht het effect van opereren en bestralen bij patiënten met mondkanker op het functioneren van mond, nek en schouders. Zij analyseerde 145 patiënten tot één jaar na de behandeling. Hoeveel bijtkracht en kauwfunctie houdt de patiënt? Hoe gevoelig, beweeglijk en krachtig blijft de tong? Hoe beweeglijk blijven nek en schouders?


Uit haar onderzoek blijkt dat de achteruitgang van de mond-, nek- en schouderfunctie afhangt van de grootte van de tumor. Een aantal functies, zoals kauwen en tongbeweeglijkheid, herstelden gedeeltelijk in het eerste jaar na de kankerbehandeling. Het functieherstel was echter minder na intensievere chirurgie. Waarschijnlijk heeft bij deze patiënten herstel meer tijd nodig.


Ontwikkeling van nieuwe revalidatietechnieken voor diëtist, logopedist en fysiotherapeut kunnen bijdragen aan verder functieherstel.


De gevolgen van mondkanker zijn ingrijpend. De tumor en eventuele uitzaaiingen naar lymfeklieren in de nek moeten weggesneden en/of bestraald worden. Artsen proberen de gevolgen te minimaliseren. Een aangetaste tong wordt bijvoorbeeld gerepareerd met huid van de onderarm. Desondanks zijn patiënten na behandeling soms levenslang aangewezen op vloeibaar voedsel en hun gezicht kan verminkt zijn.

Roken, alcohol en vooral de combinatie daarvan heeft grote invloed op het ontstaan van mondkanker.


In Codex Medicus: Carcinoom in de mondholte


Bron: Universiteit Utrecht

Eén op de drie kankers wordt door Britse huisartsen niet opgemerkt


Londen, 16 mei 2011 - 36 Procent van de kankerpatiënten wordt niet naar een ziekenhuis doorverwezen voor verder onderzoek, wanneer ze met klachten bij hun huisarts komen. Zo blijkt uit een studie onder 67.000 kankerpatiënten die behandeld werden via de National Health Service. Bovendien blijkt dat twintig procent van de kankerpatiënten hun huisarts minstens drie keer bezocht met klachten, vooraleer ze voor verder onderzoek doorverwezen werden. Zeven procent van de kankerpatiënten had al minstens vijf doktersbezoeken achter de rug, vooraleer aan de alarmbel werd getrokken.


Vooral borst- en huidkankers blijken snel door huisartsen opgespoord te worden, terwijl dat minder het geval is bij wekedelentumoren, bot- en bloedkankers.


Vertraging in de behandeling
Een late of foute diagnose betekent een vertraging in behandeling. Engelse gezondheidsspecialisten vragen meer training voor huisartsen. "Sommige kankers zijn moeilijk op te sporen en we pleiten er niet voor dat iedereen na zijn eerste bezoek aan een huisarts moet doorverwezen worden, maar het kan niet dat patiënten pas na vijf bezoeken aan de huisarts doorverwezen worden", zegt Mike Hobday van Macmillan Cancer Support.


De overlevingskans van Britse kankerpatiënten is laag vergeleken met die in andere Europese landen. Alleen in Polen, Tsjechië en Slovenië is de overlevingskans lager.


In Codex Medicus: Oncologie

Bron: The Telegraph

Zelftest mogelijk effectief in strijd tegen baarmoederhalskanker

Groningen, 13 mei 2011 - Van de opgeroepen Nederlandse vrouwen neemt dertig procent niet deel aan het bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker. Deelname aan het bevolkingsonderzoek kan worden verbeterd door gebruik te maken van moleculaire testen in combinatie met een zelftest, waarbij lichaamsmateriaal door de vrouw zelf thuis kan worden afgenomen. Jasper Eijsink ontwikkelde een moleculaire test, die als zelftest kan dienen, hetgeen de vroege opsporing van baarmoederhalskanker moet bevorderen.

Het huidige bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker (het uitstrijkje) onderzoekt de aanwezigheid van afwijkende cellen. Eijsink ontwikkelde en evalueerde een zogeheten DNA-methylatietest. Met behulp van deze test worden zogenaamde epi-genetische veranderingen opgespoord, die in baarmoederhalskanker of voorstadia daarvan voorkomen. Deze test blijkt in staat om ongeveer 95 procent van de baarmoederhalskankers en ongeveer 65 procent van de ernstige voorstadia op te sporen. Eijsinks onderzoek laat eveneens zien dat de test inderdaad kan worden toegepast op materiaal dat door vrouwen zelf afgenomen wordt. Nader onderzoek in een grote groep vrouwen die in aanmerking komen voor het bevolkingsonderzoek moet de effectiviteit van de nieuwe test verder in kaart brengen.

In Codex Medicus: Carcinoom van de cervix uteri

Bron: Rijksuniversiteit Groningen
Juiste slaaphouding maakt gezond


Antwerpen, 11 mei 2011 - Niet alleen de kwaliteit en de kwantiteit van onze slaap hebben een invloed op de gezondheid, onze houding is minstens even belangrijk. Zowat 95 procent van de bevolking nestelt zich elke nacht in dezelfde positie, al is die lang niet altijd ideaal. Zo slapen drie op de vier in een veilige foetushouding die rugklachten en stress doet verdwijnen, maar wel zorgt voor nek- en hoofdpijn. "Normaal gezien nemen mensen in bed automatisch de positie aan die hen zo weinig mogelijk ongemakken bezorgt", verklaart professor Johan Verbraecken van de Antwerpse Slaapkliniek. "Maar bij specifieke klachten kan de juiste slaappositie veel zorgen wegnemen."


Lijk
- Hoe? Plat op de rug met de armen naast het lichaam en de benen ontspannen gestrekt.
- Goed tegen? Artritis.
- Slecht voor? Astma, snurken, slaapapneu en hart.


Zich op de rug neervlijen, is goed voor mensen die last hebben van gewrichtspijnen en artritis omdat het gewicht van het lichaam gelijkmatig verdeeld wordt. "Dit geldt wel alleen voor mensen met een aangepaste, moderne matras die extra steun biedt aan de enkels, schouders en rug", aldus Verbraecken. "Anders zakt de rug als het ware door en veroorzaakt dit net extra klachten." Mensen met korte ademstilstanden in de slaap (slaapapneu), snurkers en hart- en astmapatiënten kiezen beter voor een andere slaaphouding. In deze positie zijn de spieren in de kaak en tong ontspannen en onderhevig aan de zwaartekracht. Daardoor wordt de keelholte smaller en wordt er gesnurkt of ontstaat slaapapneu. Ook het hart en de ademhaling zijn niet gebaat bij deze pose. "Door op de rug te liggen, drukt de vetmassa in de buik op het middenrif. Daardoor vermindert de longcapaciteit en ontstaat een snellere ademhalingsfrequentie, wat tot hart-, ademhalings- en circulatieproblemen kan leiden."


Herstelpositie
- Hoe? Zijlings, met de armen in de richting van het lichaam en de benen lichtjes gebogen.
- Goed tegen? Indigestie, maagproblemen en zure oprispingen.
- Slecht voor? Rimpels


De herstelpositie heeft ettelijke voordelen en weinig nadelen. Mensen die last hebben van indigestie, maagproblemen en reflux (waarbij het maagzuur terugkeert naar de slokdarm) dutten het best in deze houding. De problemen verminderen en de pijn wordt verlicht. "De maag en de longen worden tijdens het slapen het minst belast in een zijdelingse positie", vult slaapexpert Johan Verbraecken aan. "Ook voor mensen met verscheidene rugklachten is slapen op deze manier optimaal." Maag- en rugpijnen mogen dan wel verlicht worden, dermatologen waarschuwen voor rimpels bij liggen op de zij. Door op één bepaalde kant te slapen, wordt de druk op de ene kaak verhoogd en kan de lijn tussen de neus en de mond - de lachrimpel - versterkt worden. "Puur theoretisch kan dit wel degelijk, maar het lijkt me eerder onwaarschijnlijk."


Foetus
- Hoe? Zijlings met de armen in de slaaprichting en de benen opgetrokken naar de borst toe.
- Goed tegen? Lagerugpijn, stress, slaapapneu
- Slecht voor? Nek- en hoofdpijn


De meerderheid van de bevolking rolt zich voor het vallen van de nacht in een foetushouding. In deze positie verdwijnen rugklachten en stress als sneeuw voor de zon. "In de foetushouding voelen we ons veilig en beschermd. Niet enkel lagerugpijnen worden hierdoor verlicht, ook slaapapneu stopt. Door de knieën op te trekken - en nóg beter er een kussen tussen te steken - blijft meer vocht in de benen. Dit zorgt voor een beter evenwicht ter hoogte van de keel, waardoor apneu uitblijft." Bij bestaande nekpijn is het zeker in deze positie belangrijk ervoor te zorgen dat de nek- en de rugwervels in een vloeiende lijn doorlopen. Indien niet, kan de nekpijn verergeren en doorstralen naar de rug en het hoofd.


Lepeltjes
- Hoe? De foetushouding, maar dan in de armen van de partner, die op dezelfde manier achter of voor je ligt.
- Goed tegen? Stress, rugpijn en slaapapneu.
- Slecht bij? Rug- en nekklachten.


Slapen in de armen van de geliefde vermindert stress, zorgt voor een veilig gevoel en verbetert de relatie. Minpunt is wel dat we ons in de lepeltjeshouding naar de stand van de partner wringen, waardoor de noden van het eigen lijf genegeerd worden. Daardoor loop je het risico het lichaam te forceren en bestaande klachten te versterken. Vooral de rug, nek en schouder worden door het slapen in een nachtelijke omhelzing belast. Het is belangrijk egoïstisch te zijn als het op slapen aankomt, benadrukken de vorsers. "Iedereen moet slapen in de positie waarin hij of zij zich het best voelt, zelfs al zorgt dit voor enige afstand met de partner."


Zonneklopper
- Hoe? Plat op buik met de armen naast het lichaam en de benen gestrekt.
- Goed tegen? Snurken.
- Slecht bij? Tandenknarsen, pijnlijke en gevoelloze ledematen.


Fervente snurkers opteren het best voor de 'zonneklopper' - al krijgen de onderkaak en -tanden dan extra druk te verduren. Dit leidt tot knarsen en slijtage van de tanden. "Bij kinderen wordt die houding afgeraden, maar ook voor volwassenen heeft ze wellicht weinig voordelen. Door op de buik te liggen, wordt de ademhaling bemoeilijkt en de keel geblokkeerd", stelt de slaapexpert. Ook de onnatuurlijke kromming van de rug in deze houding is niet optimaal. Zenuwen raken sneller gekneld, met verhoogd risico op pijnlijke en gevoelloze ledematen tot gevolg. Een kussen onder de buik en schouders vangt die kromming op en vermijdt het nodige leed.


In Codex Medicus: Slaappatroon en slaapstoornissen


In Codex Medicus: Slaapstoornissen


Bron: Universitair Ziekenhuis Antwerpen

Nierdonoren eerder aan de beurt voor nieuwe nier


Den Haag, 10 mei 2011 - Het is billijk om mensen die ooit een nier hebben gedoneerd en die er nu zelf een nodig hebben, als compensatie voor geleden gezondheidsnadeel, extra punten toe te kennen op de wachtlijst. Daardoor komen zij sneller in aanmerking voor een donornier, zonder eerst te hoeven dialyseren. Een wetswijziging is hiervoor niet nodig. Dat schrijft de Gezondheidsraad in een advies dat vandaag is aangeboden aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.


Mensen die bij leven een nier hebben afgestaan, worden daardoor niet per se beperkt in hun functioneren of levensverwachting. Ook lopen ze niet zonder meer een grotere kans op een ernstige nierziekte. Maar als ze die wel krijgen, zijn ze kwetsbaarder dan mensen met twee nieren, omdat ze hun reservecapaciteit zijn verloren. Daardoor zijn zij dan sneller aangewezen op dialyse en ondervinden ze eerder de nadelen daarvan. Uit moreel oogpunt is het volgens de Gezondheidsraad goed verdedigbaar om hen te compenseren voor dit gezondheidsnadeel. Door een nier af te staan heeft de donor immers geholpen de wachttijd voor transplantatie met een nier van een overledene drastisch te bekorten. De wachttijd voor een donornier bedraagt nu drie tot vier jaar, en zou als er geen levende donoren waren twee keer zo lang zijn.


In Codex Medicus: Niertransplantatie

In Codex Medicus: Donorregister

Bron: Gezondheidsraad

Snel detecteren, helpt chronische pijn voorkomen


Antwerpen, 6 mei 2011 - De wachtlijsten in pijnklinieken worden steeds langer. Verpleegkundigen en artsen moeten lessen krijgen in pijnbehandeling. Snel detecteren, helpt chronische pijn voorkomen.


In de grote pijnklinieken in Vlaanderen groeien de wachttijden voor chronische pijnpatiënten. Patiënten moeten in het beste geval drie maanden wachten, als het wat tegenzit acht maanden. Ze zijn dan al minstens een half jaar in behandeling voor de pijn. 'Vaak kampen ze al jaren met de problematiek, maar zochten ze eerst hulp bij huisartsen of specialisten', zegt dokter Bart Morlion, coördinator van het pijncentrum UZ Leuven en voorzitter van de Belgian Pain Society.


De wachtkamer in de pijnkliniek is een weerslag van de maatschappij. Jong of oud, rijk of arm, het lijden kent geen onderscheid. Of toch? 'Een warm nest als sociaal vangnet is heel belangrijk. Mensen die een moeilijke jeugd hadden en een gebrekkig sociaal netwerk, zullen makkelijker chronische pijnklachten ontwikkelen. Ik overdrijf niet als ik zeg dat er elke week zes à tien misbruikte patiënten op consultatie komen.'


Verkeerd afgesteld
Wetenschappelijk wordt pijn gedefinieerd als een onplezierige sensorische en emotionele ervaring. Bij acute pijn is er een direct verband tussen pijnplaats en het gevoel. Als je in je vinger snijdt, zendt je lichaam pijnprikkels vanaf die plaats. Bij chronische pijn is dat direct verband er niet. Er worden pijnprikkels doorgestuurd, maar op de pijnplaats zelf is geen oorzaak te vinden. 'Dat betekent niet dat de pijn ingebeeld is', benadrukt Morlion. 'Het is eigenlijk een alarmsysteem dat fout afgesteld is en continu afgaat', verduidelijkt pijnverpleegkundige Susan Broekmans.


Chronische pijn is niet één-twee-drie op te lossen. Het zenuwstelsel is meestal zodanig ontregeld, dat de pijn zelden honderd procent te genezen is. 'Ik ben in feite eerder een pijnmanager dan een pijngeneesheer', zegt Morlion. 'Patiënten zullen altijd last hebben van de pijn, in meerdere of mindere mate. En we hopen op dat laatste.'


In Codex Medicus: Pijnbestrijding

Bron: Universitair Ziekenhuis Antwerpen

Radio-embolisatie hoopvolle nieuwe techniek voor behandeling leverkanker


Antwerpen, 4 mei 2011 - In het Universitair Ziekenhuis Antwerpen vindt vandaag een symposium plaats dat de praktijkervaring met radio-embolisatie toelicht. De praktijk wijst uit dat die behandeling goede resultaten biedt bij patiënten met niet te opereren leverkanker die niet reageren op chemotherapie of die wegens bijwerkingen moeten stoppen met die therapie.


Radio-embolisatie is een doelgerichte bestralingstherapie voor gevorderde leverkanker. De techniek kwam recent ter beschikking. Radioactief geladen partikels worden in de tumor ingebracht. Ze geven daar hun radioactiviteit af met als doel de tumorcellen te vernietigen. Met de techniek kunnen levertumoren gericht behandeld worden zonder het normale leverweefsel bloot te stellen aan een toxische stralingsdosis.


Voor de behandeling wordt de patiënt beoordeeld door een multidisciplinair team.

Het is een weinig ingrijpende behandeling. In de meeste gevallen gaat de patiënt de dag na de behandeling weer naar huis.


Tijdens het symposium vandaag wordt een aantal praktijkvoorbeelden uit het UZA toegelicht.


In Codex Medicus: Embolisatie

In Codex Medicus: Tumoren van de lever

Bron: Universitair Ziekenhuis Antwerpen

HPV-detectie en genotypering in lesies van de lagere tractus genitalis


Amsterdam, 3 mei 2011 - Edyta Piro onderzocht de prevalentie van HPV in lesies van de lagere tractus genitalis en evalueerde de rol van moleculaire markers als aanvullende testen voor een meer accurate diagnose van HPV-gerelateerde lesies. De studie van HPV DNA-detectie in endocervicale adenocarcinomen toonde aan dat mucineuze adenocarcinomen een zeer hoge prevalentie hebben van HPV DNA (>90%), terwijl zeldzame histologische adenocarcinoma varianten, zoals 'minimal deviation adenocarcinoma', het heldercellig carcinoom en sereuze en mesonephrische adenocarcinomen niet geassocieerd waren met een HPV-infectie.


In Codex Medicus: Humaan papillomavirus


In Codex Medicus: Adenocarcinoma

Bron: Vrije Universiteit Amsterdam

Grote toename hooikoortsklachten vanwege droog en warm weer


Amersfoort, 2 mei 2011 - Nederlandse ziekenhuizen melden een grote toename van het aantal gevallen van hooikoorts. Niet alleen zijn er meer patiënten, ook hebben zij dit jaar veel meer klachten. Experts wijten de toename aan het warme en droge weer van de afgelopen weken.


'Mensen die de laatste jaren matige klachten hadden, hebben het nu echt zwaar', aldus Thomas Ruste­meyer, dermatoloog van het VU medisch centrum te Amsterdam, in de Volkskrant van 28 april. 'In de westerse wereld is al tientallen jaren sprake van een toename in het aantal allergieën. Steeds meer mensen beginnen medicijnen te gebruiken.' Omdat er geen landelijke cijfers zijn, valt niet te zeggen hoe veel groter de toeloop exact is.


Droog en warm
Het ongewoon droge en warme weer is de boosdoener. Maria van den Eijnden-Manders, analiste van algemeen klinisch laboratorium van het Elkerliek ziekenhuis te Helmond: ‘Er zit dit jaar veel meer stuifmeel in de lucht. We hebben bijvoorbeeld nu 1.600 berkenpollen per kubieke meter lucht, tegen 600 op de top vorig jaar.' Ook bij het andere telstation in Leiden worden veel meer pollen gemeten in de lucht.


Meer soorten
Behalve grotere aantallen worden er ook meer soorten pollen gevonden. Van den Eijnden: ‘Vergeleken met vorig jaar bloeien zowel bomen en grassen zeven tot tien dagen eerder. Hierdoor bloeien veel bomen tegelijkertijd terwijl ze normaal hun piek in aparte perioden beleven.'


Verergering
Hans de Groot, allergoloog van het Reinier de Graaf Ziekenhuis in Voorburg, merkt dat bij patiënten met hooikoorts de laatste jaren de klachten verergeren. 'Je ziet een intensivering van het pollenseizoen. Mensen die normaal twee weken niet lekker waren, trekken begin februari al aan de bel. Dat duurt tot juni en soms zelf tot eind augustus.' De oorzaak hiervan is onduidelijk. Volgens De Weger is er geen bewijs dat het pollenseizoen langer of intensiever wordt. Wel staat vast dat hooikoortspatiënten op steeds jongere leeftijd last krijgen. 'Vroeger zagen we geen hooikoortssymptomen voordat kinderen 6 tot 7 waren,' zegt De Groot. 'Nu zie je dit al rond 2 tot 3 jaar.'


Fijn stof
Een populaire verklaring voor het toegenomen aantal allergieën is de betere lichaamsverzorging. Door de afwezigheid van ziekteverwekkers wordt het afweersysteem lui en reageert het op fel op ongevaarlijke stoffen zoals pollen. Volgens Rustemeyer kan ook de toegenomen fijn stof de toename deels verklaren. 'Roetdeeltjes uit diesel leiden tot lichte ontstekingen in de luchtwegen. Dit verergert de reacties op pollen.'


In Codex Medicus: Pollinose en Allergische rhinitis 

Bron: Astmafonds

Minder uitstrijkjes nodig na behandeling voorstadium baarmoederhalskanker


Amsterdam, 29 april 2011 - Vrouwen, behandeld voor een voorstadium van baarmoederhalskanker, zouden niet alleen met een uitstrijkje, maar ook met een HPV-test moeten worden gecontroleerd. Bij meer dan de helft van deze vrouwen kan dan het aantal vervolgbezoeken aan het ziekenhuis naar beneden. Dat is de conclusie van een studie die vandaag door onderzoekers van VU medisch centrum en het Erasmus MC online in Lancet Oncology is gepubliceerd.


Alle 6.000 vrouwen in Nederland die jaarlijks worden behandeld voor een voorstadium van baarmoederhalskanker, krijgen na 6, 12 en 24 maanden een controle-uitstrijkje in het ziekenhuis. Ruim de helft van deze vrouwen zou echter slechts twee vervolgonderzoeken hoeven te ondergaan, blijkt uit een studie van VUmc en Erasmus MC.


In de studie kreeg een groep van ruim 400 behandelde vrouwen na 6 maanden niet alleen een uitstrijkje, maar ook een HPV-test. Was de uitslag van deze gecombineerde test goed, dan verviel het testmoment op 12 maanden en werd deze combi-test na 24 maanden herhaald. Als deze test ook goed was, dan konden de vrouwen terugverwezen worden naar het 'gewone' bevolkingsonderzoek op baarmoederhalskanker. Het risico op het ontwikkelen van nieuwe afwijkingen aan de baarmoedermond was dan de komende vijf jaar namelijk zelfs lager dan het risico van behandelde vrouwen met drie achtereenvolgende goede uitstrijkjes. In het bevolkingsonderzoek worden alle vrouwen tussen de 30 en 60 jaar iedere 5 jaar gecontroleerd op afwijkende cellen van de baarmoedermond door een uitstrijkje.


Bij ruim de helft van de vrouwen was de uitslag van de gecombineerde testen beide keren goed. Daarmee hoeven jaarlijks zo'n 3.000 Nederlandse vrouwen maar twee, in plaats van drie keer terug te komen voor vervolgonderzoek na behandeling voor een voorstadium van baarmoederhalskanker. En voor vrouwen in Duitsland en Engeland hebben deze studieresultaten nog meer gevolgen: deze worden nu 5 jaar achter elkaar met een uitstrijkje gecontroleerd en dit kan nu achterwege blijven.


In Codex Medicus: Carcinoom van de cervix uteri


Bron: VU medisch centrum

Cystische fibrose toegevoegd aan hielprikscreening


Bilthoven, 28 april 2011 - Pasgeborenen worden vanaf 1 mei a.s. via de bekende hielprik voortaan ook getest op cystische fibrose (taaislijmziekte of CF). Het Centrum voor Bevolkingsonderzoek van het RIVM heeft deze aanpassing in samenwerking met kinderlongartsen, klinisch genetische centra, de patiëntenorganisatie NCFS en screeningslaboratria doorgevoerd.


De verwachting is dat jaarlijks gemiddeld 30 kinderen met cystische fibrose worden opgespoord. Vroege opsporing en behandeling van cystische fibrose kan helpen om gezondsheidsproblemen te voorkomen of te verminderen. Dit is belangrijk omdat infecties van de longen al in de eerste levensmaanden kunnen optreden.


De maatregel volgt nadat minister Edith Schippers van VWS eind vorig jaar het advies van de Gezondheidsraad uit 2010 overnam om de screening op ccystische fibrose toe te voegen aan de hielprik. De afgelopen maanden zijn betrokken professionals bijgeschoold en zijn voorlichtingsmaterialen aangepast.


In Codex Medicus: Hielprik

In Codex Medicus: Cystische fibrose

Bron:  RIVM

Bacteriële klokkenluider voor dikke darmkanker


Nijmegen, 26 april 2011 - In de voering van een gezonde dikke darm komt de bacterie Streptococcus gallolyticus niet of nauwelijks voor. Dat verandert wanneer in de darmen (een voorstadium van) kanker ontstaat. Op die locaties vestigt de bacterie zich juist heel graag. Wetenschappers van het UMC St Radboud beschrijven deze maand in The Journal of Infectious Diseases hoe die kennis is te gebruiken voor de ontwikkeling van een nieuwe test om darmkanker in een vroeg stadium op te sporen.


Een infectie met de bacterie Streptococcus gallolyticus (S. gallolyticus) kan bij de mens een ernstige ontsteking van de hartklep (endocarditis) veroorzaken. Al meer dan vijftig jaar is bekend dat veel van deze hartpatiënten dikke darmkanker hebben. Dat komt zelfs zo vaak voor, dat ze tegenwoordig standaard worden onderzocht op dikkedarmkanker.


Kankerkolonist
Annemarie Boleij en Harold Tjalsma, moleculair biologen in het UMC St Radboud, hebben het verband tussen S. gallolyticus, hartklepontsteking en dikke darmkanker verder onderzocht. Samen met collega's publiceren ze hun opmerkelijke resultaten deze maand in The Journal of Infectious Diseases. Tjalsma: 'Op de binnenkant van onze darmen leven enorm veel verschillende soorten bacteriën. Met genetisch onderzoek zijn die bacteriële darmbewoners recentelijk in kaart gebracht. Hoewel de samenstelling van de darmflora per persoon sterk kan verschillen, blijft die samenstelling tijdens het leven vrij stabiel. Maar op plaatsen waar darmkanker ontstaat, wijzigt de darmflora ingrijpend. Dat hebben we aangetoond door de darmflora van gezond weefsel en tumorweefsel van dezelfde patiënt met elkaar te vergelijken.'

'Uit studies valt op dat S. gallolyticus niet of nauwelijks voorkomt in een gezonde dikke darm," zegt Annemarie Boleij, "maar we vinden hem wel vaak bij patiënten met darmtumoren of een voorstadium daarvan. We denken dat dit komt doordat tumorweefsel heel anders is dan gezond darmweefsel. De hele structuur van het darmweefsel verandert, het weefsel raakt nóg sterker doorbloed en het is ook makkelijker te passeren door bacteriën. Doordat ook de stofwisseling sterk verandert, gaan zich andere bacteriën vestigen op het tumorweefsel. De Streptococcus gallolyticus is daar een duidelijk voorbeeld van; hij is een onmiskenbare kankerkolonist.'


Vroege opsporing
In een begeleidend commentaar spreekt Mary E. Hensler van de University of California San Diego van ‘exciting' onderzoek, omdat Boleij en Tjalsma de relatie van de bacterie met darmkanker en hartklepontstekingen veel begrijpelijker en inzichtelijker hebben gemaakt. Bovendien is deze kennis misschien bruikbaar om darmkanker in een vroeg stadium op te sporen.


In Codex Medicus: Tumoren van colon en rectum


In Codex Medicus:  Endocarditis


Bron: Radboud Universiteit

Basis voor nieuwe therapie myotone dystrofie


Nijmegen, 21 april 2011 - Myotone dystrofie (de ziekte van Steinert) is de meest voorkomende erfelijke spierziekte bij volwassenen. Kenmerkende verschijnselen zijn een vertraagde ontspanning van skeletspieren (myotonie) en spierafbraak (dystrofie).

Genezing is momenteel niet mogelijk. Myotone dystrofie wordt veroorzaakt door een verlenging van het DMPK-gen, dat de erfelijke informatie bevat voor het DMPK-eiwit. Verlengd DMPK-RNA, dat ontstaat als product van het defecte gen, blijkt schadelijk te zijn voor cellen in de patiënt. Susan Mulders heeft onderzocht waar DMPK-RNA en -eiwit in het lichaam voorkomen en wat hun functie aldaar is. Gebleken is dat ieder orgaan dat aangedaan is in de ziekte een eigen specifieke mix van DMPK-varianten bevat.


Om het defecte DMPK-RNA onschadelijk te maken zijn moleculen ontworpen die precies passen op het verlengde deel. Deze zogenaamde oligonucleotiden zijn met succes gebruikt in kweken van patiëntencellen en in muizen die model staan voor myotone dystrofie. Deze nieuwe kennis zal worden gebruikt voor de ontwikkeling van een moleculaire therapie voor myotone dystrofie.


In Codex Medicus: Dystrophia myotonica

In Codex Medicus: Myotone dystrofie


Bron: Radboud Universiteit Nijmegen

Cellen geïdentificeerd die aan basis liggen van veel voorkomende vorm van huidkanker


Brussel, 20 april 2011 - Onderzoekers hebben de cellen geïdentificeerd die aan de basis liggen van het plaveiselcelcarcinoom van de huid, de op één na meest voorkomende vorm van huidkanker bij de mens, die jaarlijks honderdduizenden mensen in de wereld treft.


Dit heeft het onderzoeksinstituut IRIBHM (Institut de recherche interdisciplinaire en biologie humaine et moléculaire) van de Franstalige Brusselse universiteit ULB meegedeeld. Het onderzoek werd door Cédric Blanpain geleid, onderzoeker bij IRIBHM en bij het Franstalige fonds voor wetenschappelijk onderzoek FRS, en ook door William Lowry, onderzoeker aan de universiteit van Los Angeles.

Dit kwam tot stand dankzij het gebruik van een genetische benadering bij de muis "die op getrouwe wijze nabootst hoe de kanker zich bij de mens ontwikkelt".


In Codex Medicus: Huidcarcinoom


Bron:  Université libre de Bruxelles

Dove kinderen met implantaat houden moeite met woorden leren


Amsterdam, 19 april 2011 - Veel dove kinderen krijgen tegenwoordig een cochleair implantaat (CI), en dat op steeds jongere leeftijd. Een CI zet binnenkomend geluid om in elektrische signalen die de gehoorzenuw stimuleren en maakt het voor veel dove kinderen mogelijk om omgevingsgeluid waar te nemen en een gesproken taal te leren. De behaalde resultaten variëren echter sterk tussen kinderen.


Met de opkomst en het succes van het CI is opnieuw discussie ontstaan over het aanbieden van gebaren aan dove kinderen. Hebben kinderen met een CI nog wel een gebarentaal nodig? Remt het aanbieden van gebaren hun gesproken taalontwikkeling af? Om deze vragen te beantwoorden onderzocht Marcel Giezen zowel gesproken- als gebarentaalvaardigheden bij jonge kinderen met een CI. Zijn onderzoek laat zien dat deze kinderen moeite blijven houden met het waarnemen van belangrijke klankverschillen en het leren van nieuwe woorden. Het aanbieden van gebaren heeft geen negatief effect op hun spraakwaarneming. Gebarenondersteuning lijkt zelfs een positief effect te hebben op de snelheid van gesproken woordherkenning. Deze bevindingen suggereren dat gebarentaalvaardigheid de gesproken taalontwikkeling bij kinderen met een CI niet in de weg hoeft te staan en vormen een argument voor het aanbieden van zowel gesproken taal als gebaren aan deze kinderen.


In Codex Medicus: Hoortoestel


Bron: Universiteit van Amsterdam

Mogelijk nieuwe methode om TSC op te sporen

Utrecht, 15 april 2011 - Zowel met CT, MRI, echocardiografie als histopathologisch onderzoek zijn nooit eerder beschreven focale gebieden met vet in het hart aangetoond bij patiënten met het Tubereuze Sclerose Complex (TSC). Deze gebieden lijken uniek te zijn voor TSC. Dat beschrijft Miraude Adriaensen in haar proefschrift.
Gezien de frequentie van voorkomen van deze focale gebieden met vet in het hart bij meer dan de helft van alle TSC-patiënten in een patiënt-controle-onderzoek, zou het toevoegen van deze nieuwe bevinding aan de lijst van majeure diagnostische criteria voor TSC overwogen moeten worden. Dat zou de opsporing en herkenning van patiënten met TSC kunnen verbeteren.

TSC is een erfelijke aandoening gekenmerkt door tumorachtige afwijkingen in veel organen waaronder de hersenen, de longen, het hart, de nieren en de huid. De klassieke diagnostische triade van epilepsie, mentale retardatie en faciale angiofibromen treedt op in minder dan de helft van het aantal patiënten, omdat de expressie en ernst van de aandoening erg varieert zowel binnen als tussen families. Daarom zijn er diagnostische criteria voor de diagnose TSC ontwikkeld. Echter tot op heden is geen enkel diagnostisch criterium uniek voor TSC. Mogelijk zijn de nu beschreven afwijkingen met vet in het hart dit echter wel.

In Codex Medicus: Tubereuze sclerosecomplex

Bron: Universiteit Utrecht
Genoom-brede genetische studie identificeert nieuwe types van kinderleukemie


Rotterdam, 13 april 2011 - Onderzoekers van het Erasmus MC hebben twee nieuwe typen van leukemie ontdekt bij kinderen met een T-cel acute lymfatische leukemie (ALL). De ontdekking kan leiden tot een betere diagnose van dit type leukemie bij aanvang van de ziekte zodat daarop de verdere behandeling aangepast kan worden. De onderzoekers publiceren het onderzoek deze week in het toonaangevende wetenschappelijke tijdschrift Cancer Cell.


ALL is de meest voorkomende vorm van kanker op de kinderleeftijd. Bij 1 op de 6 kinderen met ALL betreft het een T-cel ALL, die gepaard gaat met een hoger risico op falen van de behandeling met dodelijke afloop. Uit onderzoek door o.a. het Erasmus MC blijkt dat dit type van leukemie verschillende genetische varianten kent waarbij de gevoeligheid voor behandeling verschilt. Deze genetische variaties zouden in de toekomst gebruikt kunnen worden voor diagnostische testen bij kinderleukemie, waarbij de behandeling afgestemd kan worden op het risicotype.


In Codex Medicus: Acute lymfatische leukemie

Bron: Erasmus MC

Na hartinfarct: niet alleen dotteren, maar ook stolsel verwijderen


Groningen, 12 april 2011 - Na een hartinfarct moet een patiënt niet alleen gedotterd worden, maar moet het stolsel dat het infarct veroorzaakte ook worden verwijderd. Hierdoor verbetert de uitkomst na een hartinfarct, zo blijkt uit onderzoek van promovendus Pieter-Jan Vlaar.


Een hartinfarct ontstaat wanneer een kransslagvat wordt afgesloten door een stolsel. Hierdoor krijgt (een deel van) de hartspier geen zuurstof meer en sterft af. De standaardbehandeling is dotteren. Hierbij wordt het kransslagvat met een ballonnetje opengemaakt, waarna er een buisje (stent) wordt geplaatst dat het bloedvat openhoudt. Het stolsel wordt dan niet verwijderd, maar tegen de wand van het bloedvat gedrukt.


Een recent ontwikkelde techniek maakt het mogelijk het stolsel door een dun slangetje weg te zuigen. Grootschalig onderzoek in het UMCG, waaraan ook promovendus Pieter-Jan Vlaar bijdroeg, laat zien dat de doorbloeding van de hartspier verbetert bij gebruik van deze nieuwe techniek. Ook lijkt de overlevingskans te verbeteren. De nieuwe behandeling wordt in het UMCG inmiddels standaard toegepast en vindt wereldwijd navolging.


Pieter-Jan Vlaar (Almelo, 1984) studeerde geneeskunde te Groningen. Hij verrichtte zijn onderzoek bij de afdeling Cardiologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG). Vlaar is in opleiding tot cardioloog in het UMCG.


In Codex Medicus: Hartinfarct

Bron: Rijksuniversiteit Groningen

Gezond ouder worden in Nederland


Bilthoven, 7 april 2011 - Ouderen die ziek zijn, hoeven niet per se beperkt te zijn in hun functioneren. De helft van de zelfstandig wonende Nederlandse ouderen leeft met één of meer chronische ziekten. Toch ervaart twee derde van de zelfstandig wonende ouderen geen lichamelijke beperkingen, en voelt meer dan de helft zich gezond. Dit blijkt uit het rapport ‘Gezond ouder worden in Nederland', een overzicht van het RIVM van de gezondheid en preventie bij zelfstandig wonende ouderen.

Het rapport is geschreven in opdracht van het ministerie van VWS. De landelijke gegevens kunnen gemeenten ondersteunen bij de uitvoering van de preventieve gezondheidszorg voor ouderen. In 2010 heeft VWS deze taak van gemeenten verder uitgewerkt. Gisteren presenteerde het RIVM het rapport op het Nederlands Congres Volksgezondheid.


In Codex Medicus: Ouderengeneeskunde


Bron: RIVM
 

Gediagnosticeerde soa neemt nog steeds toe in Nederland


Bilthoven, 6 april 2011 - De soa-poliklinieken van de GGD'en weten steeds effectiever mensen met een hoog risico op te sporen en te behandelen. In 2010 is het aantal nieuwe consulten met 13% gestegen ten opzichte van 2009 tot 105.000 bezoeken.


De belangrijkste bevindingen
- Het aantal door de soa-centra opgespoorde en behandelde soa onder hoogrisicogroepen is opnieuw toegenomen in 2010.
- Het percentage bezoekers gediagnosticeerd met één of meer soa (chlamydia, gonorroe, infectieuze syfilis, hepatitis B of hiv) bleef zeer hoog: 14% en is licht gestegen ten opzichte van eerdere jaren. Bij 19% van de MSM en bij ruim 12% van de heteroseksuele populatie werden één of meer soa gediagnosticeerd, en bij 31% van de bekend hiv-positieve bezoekers werden één of meer soa gevonden. In 2009 was dit respectievelijk 20%, 12% en 34%.


Chlamydia
Chlamydia was in 2010 met 11.526 nieuwe gevallen de meest voorkomende soa binnen de soa-centra, net als in voorgaande jaren. Het absolute aantal gevallen van chlamydia nam toe met 18% in vergelijking met 2009. Het percentage positieve testen voor chlamydia is ten opzichte van 2009 gestegen bij zowel heteroseksuele mannen (van 10,8% naar 11,3%), vrouwen (van 10,6% naar 11,1%) als bij MSM (van 9,9% naar 10,3%, fig. 4). Met name bij jonge heteroseksuelen tot 25 jaar was het percentage positieve testen hoog met 14,1% (binnen deze groep lag het hoogste vindpercentage bij 15-19 jarige vrouwen: 18,1%).

In Codex Medicus: Soa


Bron: Thermometer soa-hiv RIVM

Rol chemische stoffen bij niet-ingedaalde teelballen of afwijking plasbuis

Nijmegen, 1 april 2011 - Veel jongens worden geboren met niet-ingedaalde teelballen of met hypospadie, een aandoening waarbij de plasbuis niet goed is aangelegd. De vraag is of chemische stoffen tijdens de zwangerschap hierbij een rol bij spelen. Daarom verrichtte Marijn Brouwers een groot onderzoek, waaraan de ouders van ruim 1.300 kinderen meewerkten. Uit haar onderzoek blijkt dat moeders die op een boerenbedrijf of in de tuinbouw werkten, waar veel bestrijdingsmiddelen gebruikt worden, vaker een kind met een niet-ingedaalde teelbal kregen. Ook werken met cosmetica lijkt de kans op het krijgen van een kind met die aandoening te verhogen. Maar deze bevindingen moeten nog door andere studies bevestigd worden.

Dit onderzoek laat bovendien zien dat niet-ingedaalde teelballen en hypospadie vaker voorkomen als de vader minder vruchtbaar is en er medische hulp nodig is om zwanger te worden. Of als de placenta (moederkoek) tijdens de zwangerschap niet goed werkt. Bij hypospadie blijken ook erfelijke factoren een belangrijke rol te spelen. Daar doet het UMC St Radboud momenteel verder onderzoek naar.

In Codex Medicus: Niet-scrotale testes

In Codex Medicus: Hypospadie

Bron: Radboud Universiteit Nijmegen
Prostaatonderzoek steeds meer uitgevoerd in België


Brussel, 31 maart 2011  - Het aantal PSA-tests, gebruikt om prostaatkanker op te sporen en op te volgen, is in België tussen 2000 en 2009 met maar liefst 76 procent gestegen. In 2009 werden 1,5 miljoen mannen getest. Toch is een georganiseerde PSA-screening niet verantwoord, omdat hoge PSA-waarden geen zekerheid geven over de aanwezigheid van prostaatkanker, en een laag PSA-gehalte geen bewijs is dat er geen prostaatkanker is. Dit geeft ook mogelijk een overbehandeling tot gevolg. Het Belgische christelijk ziekenfonds CM vraagt de huisartsen de patiënten beter in te lichten over de voor- en nadelen van de test, wanneer de patiënt zelf om de test vraagt.


Het aantal uitgevoerde PSA-tests (PSA: Prostaat Specifiek Antigeen) steeg tussen 2000 en 2009 van 850 000 naar 1,5 miljoen. 80 procent van de tests werd voorgeschreven door een huisarts. Een vierde van de 50-plussers en een derde van de 70-plussers wordt onderzocht. Van de op PSA geteste 50-plussers, gebeurde dit bij meer dan de helft minstens om de twee jaar (zie grafieken in bijlage). Deze praktijk doet zich in heel België voor, maar iets minder in Brussel.


Blijkbaar maakt de test steeds vaker deel uit van een routine-onderzoek bij de arts. Maar ondanks de sterke toename van het aantal PSA-tests registreert de Stichting Kankerregister sinds 2004 een stabiel aantal van ongeveer 9 000 nieuwe gevallen van prostaatkanker per jaar.


Prostaatkanker ontwikkelt traag
Prostaatkanker komt vooral voor bij mannen ouder dan 60 jaar en groeit meestal heel langzaam. Plasklachten worden veroorzaakt door een banale prostaatvergroting en bijna nooit door een beginnende kanker. De evolutie verloopt zo langzaam dat de meeste mannen met prostaatkanker er nooit last van zullen krijgen. Boven de 75 jaar is deze test voor vroegdiagnose daarom zeker zinloos. De meeste patiënten sterven dan ook door andere ziekten, vooral hart- en bloedvaatziekten.


PSA-test eerder aanbevolen bij opvolging
De PSA-waarde wordt gemeten via een bloedtest. Een hoge waarde zou wijzen op een mogelijke prostaataandoening, zoals de goedaardige prostaatvergroting, de ontsteking van de prostaat en soms kanker. Hoge PSA-waarden geven geen zekerheid over de aanwezigheid van prostaatkanker. Een laag PSA-gehalte is geen bewijs dat er geen sprake is van prostaatkanker.


In Codex Medicus: Prostaatspecifiek antigeen


Bron: Christelijke Mutualiteit

Overlap tussen risicogenen bij chronische darmziekten


Groningen, 30 maart 2011 - De ziekte van Crohn, colitis ulcerosa en coeliakie zijn chronische ontstekingsziekten van de darm. Ze komen veel voor in de westerse wereld. Nagenoeg iedere Nederlander kent wel iemand met een van deze ziekten. Niettemin zijn de ziekten slecht behandelbaar. Patiënten zijn vaak aangewezen op een streng dieet of zware ontstekingsremmers, die veel bijwerkingen met zich meebrengen.


Noortje Festen onderzocht de genetische risicofactoren die de kans op genoemde ziekten vergroten. Ze identificeerde meerdere nieuwe risicogenen voor de ziekte van Crohn en colitis ulcerosa, en ontdekte dat er overlap bestaat tussen de risicogenen voor de ziekte van Crohn, colitis ulcerosa en coeliakie. Deze ontdekkingen vergroten het inzicht in het ontstaan van de ziekten en brengen daarmee een effectieve behandeling dichterbij. Om de behandelingen effectiever te maken en beter op de individuele patiënt af te kunnen stemmen, is echter nog wel verder onderzoek nodig naar het exacte effect van de gevonden risicogenen.


Op 6 april promoveert Noortje Festen op haar onderzoek.


In Codex Medicus: Enteritis regionalis

In Codex Medicus: Colitis ulcerosa

In Codex Medicus: Glutenenteropathie

Bron: rijksuniversiteit groningen

Langzame groei aantal kankerdiagnoses in Vlaanderen. 10 jaar kankerregistraties geven goed beeld per soort kanker.


Brussel, 25 maart 2011 - In Vlaanderen neemt het aantal kankergevallen jaarlijks gemiddeld met 2,6% toe bij mannen en 2,4% bij vrouwen. De voor leeftijd gestandaardiseerde incidentie is in tien jaar (1999-2008) zowel bij mannen als vrouwen gestaag toegenomen met 1% per jaar. Een belangrijk deel van de stijging valt toe te schrijven aan de vergrijzing en factoren als levensstijl (rookgedrag, alcohol, obesitas), maar ook screening, vroegdiagnose en omgevingsfactoren verklaren mee de toename van het aantal geregistreerde kankers.
Vlaanderen heeft er meer dan tien jaar kankerregistratie opzitten. De cijfers voor de periode 1999-2008 laten een eerste evaluatie van trends toe binnen het Vlaamse Gewest. Een overzicht per soort kanker.


Tussen 1999 en 2005 is de prostaatkankerincidentie met 3,5% per jaar gestegen, wat deels kan worden verklaard door de toepassing van de opportunistische PSA-screening. Sinds 2006 wordt een jaarlijkse daling van de incidentie met 3,2% opgemeten. Die is het meest uitgesproken bij de 75-plussers.


De incidentie van borstkanker (alle leeftijden) blijft stabiel. Voor de leeftijdscategorie 50-69 jaar is de incidentie tussen 1999 en 2003 toegenomen, voornamelijk voor kleine tumoren (pT1, < 20 mm). Een verklaring voor de stijging is wellicht het opstarten van borstkankerscreening in 2001, in combinatie met hormoonsubstitutietherapie die voor meer hormoongevoelige tumoren kan zorgen. Na 2003 daalt de incidentie weer, vermoedelijk door een daling in het gebruik van hormoonsubstitutie. Bij vrouwen ouder dan 70 jaar neemt de incidentie van pT2 tumoren (20-50 mm) toe, terwijl in de verschillende leeftijdscategorieën een afname van tumoren in een gevorderd stadium (pT4-tumoren met een directe doorgroei naar de borstholte en/of huid) wordt vastgesteld.


De incidentie van colorectale kanker neemt wel toe en de diagnose wordt frequent in een gevorderd stadium gesteld. Er zijn vooral doeltreffende behandelingen beschikbaar voor tumoren in een weinig gevorderd stadium. Vandaar het belang van screeningsprogramma's om de mortaliteit terug te dringen.


Voor hoofd- en halstumoren, met als voornaamste risicofactor roken al dan niet in combinatie met een hoog alcoholgebruik, is de incidentie bij mannen tussen 1999 en 2008 jaarlijks met 1% gedaald, terwijl ze bij vrouwen jaarlijks met 3% is toegenomen. Een trend die zeer duidelijk is bij vrouwen ouder dan 50 jaar waar een toename van 4% per jaar wordt opgetekend. Het risico voor mannen boven de 50 is tussen 1999 en 2008 stabiel gebleven. De dalende trend bij mannen is er vooral bij min 50-jarigen, waar de incidentie jaarlijks met bijna 7% afneemt.


De incidentie van longkanker in Vlaanderen vertoont in diezelfde periode een gelijkaardig patroon: bij mannen daalt de incidentie jaarlijks met 0,6% terwijl ze voor vrouwen met maar liefst 6% toeneemt. Ook hier is de daling voornamelijk op jongere leeftijd terug te vinden: min drie procent bij de mannen jonger dan 50 jaar. Bij vrouwen in die leeftijdscategorie is er een lichte toename (0,5% per jaar). Bij de mannelijke vijftigplussers is er tussen 1999 en 2008 weinig verandering merkbaar; bij vrouwen stijgt de incidentie in die groep jaarlijks met 7%. Het risico voor vrouwen op een rokengerelateerde kanker lijkt daarmee te evolueren in de richting van dat bij mannen.


De incidentie van slokdarmkanker neemt zowel bij mannen als bij vrouwen toe. Deze kanker is zeldzaam op jonge leeftijd en kent bij vijftigplussers - mannen en vrouwen - een gemiddelde toename van 3%.


Voor maligne melanomen is de incidentie tussen 1999 en 2008 bij beide geslachten progressief toegenomen, vermoedelijk mede door de stijgende aandacht voor deze kanker en het gevaar van zonnen.


Ook de incidentie van teelbalkanker is de laatste tien jaar gestegen; een trend die zich eveneens in de VS en de meeste West- en Noord-Europese landen doorzet. Met uitzondering van cryptorchidie zijn de risicofactoren diffuus en worden meerdere hypothesen onderzocht.


Voor non- Hodgkin lymfomen tenslotte neemt de incidentie eveneens toe, zowel bij mannen (2%) als bij vrouwen (1%).


In Codex Medicus: Oncologie

Bron: de Specialisten

Daling nieuwe gevallen van tuberculose komt tot stilstand


Brussel, 23 maart 2011 - In België stagneert de daling van het aantal nieuwe gevallen van tuberculose maar het aantal resistente gevallen blijft stabiel. Het dalend aantal nieuwe gevallen (incidentie) van de voorbije jaren wijst in België op een vooruitgang in de bestrijding van de ziekte. Uit voorlopige cijfers voor 2010 blijkt de daling zich echter niet voort te zetten, wat een gevolg zou kunnen zijn van de crisis en de daaruit voortvloeiende toegenomen armoede.


In 2007 daalde het aantal nieuwe gevallen van tuberculose in België voor het eerst onder de 10 gevallen per 100.000 inwoners. In 2009 stopte deze daling en de voorlopige cijfers van 2010 lijken deze stilstand te bevestigen. Met 1.122 meldingen is het aantal nieuwe gevallen 10,4 op 100.000. De voorlopige cijfers moeten echter nog gecontroleerd worden en waarschijnlijk zal het definitieve aantal tuberculosegevallen wel nog wat lager liggen.
In Vlaanderen (7,6/100.000) en Wallonië (7,8/100.000) is de incidentie wel veel lager dan het landelijk gemiddelde. 476 nieuwe gevallen werden in Vlaanderen gemeld in 2010.
Het grote verschil tussen het Brussels Gewest (34,3) en de twee andere regio's blijft bestaan. Dit is omdat tuberculose meer voorkomt in grootstedelijk gebied en in arme wijken. We zien dit ook in andere landen in Europa.


'Ook in Nederland, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk zien we dat de incidentie in de grootste steden drie tot vijf maal hoger ligt dan elders in het land', zegt Wouter Arrazola de Oñate, medisch directeur bij de Vlaamse Vereniging voor Respiratoire Gezondheidszorg en Tuberculosebestrijding (VRGT). 'In Antwerpen schommelt het altijd tussen de 24 en de 27.'


In 2010 werd bij 11 personen in Nederland een vorm van MDR-tbc (multiresistente tuberculose) vastgesteld. Geen van deze patiënten had XDR-tbc (‘extensief-resistente' tuberculose). In 2009 ging het om twintig personen met MDR-tbc (waarvan drie een XDR-tbc hadden). Morgen 24 maart is het Wereld Stop Tuberculose Dag.


In Codex Medicus: Tuberculose van long en pleura

Bron: Vlaamse Vereniging voor Respiratoire Gezondheidszorg en Tuberculosebestrijding

Neutraliserend vermogen serum geen invloed op ziekteverloop hiv-patiënt


Amsterdam, 22 maart 2011 - Marit van Gils beschrijft de interactie tussen hiv en het menselijk afweersysteem, in het bijzonder de antistofreactie. Twee tot drie jaar na infectie met hiv subtype B is het serum (bloedvloeistof) van ongeveer dertig procent van de patiënten in staat om hiv-virussen van verschillende subtypen te neutraliseren. Dit blijkt sterk samen te hangen met een hoge virale load en een relatief laag aantal CD4+ T-cellen (onderdeel van het afweersysteem) in het bloed.


Op de lange termijn heeft het neutraliserende vermogen van serum echter geen invloed op het ziekteverloop. Dit komt waarschijnlijk doordat hiv relatief gemakkelijk kan ontsnappen aan neutraliserende antistoffen, door het verlengen van variabele regio's in het virale envelopeiwit (aan de buitenkant van het virus) en een toename van het aantal suikergroepen in deze regio's.


Van Gils promoveert op 1 april op haar onderzoek.


In Codex Medicus: Humaan immunodeficiëntievirus (hiv)


Bron: Universiteit van Amsterdam

Dieet met veel eiwit vergroot kans op diabetes


Utrecht, 17 maart 2011 - Voeding heeft invloed op het ontstaan van diabetes type 2. Ivonne Sluijs laat in haar proefschrift zien hoe.
Een hoge inname van eiwitten en een hoge koolhydraatbelasting kunnen het risico op diabetes verhogen. Een verhoging van het eiwitgehalte ten koste van het koolhydraatgehalte zowel als het vetgehalte van de voeding kan het risico op diabetes verhogen.


Deze bevindingen suggereren dat diëten gebaseerd op een hoge eiwitinname, zoals Dr. Frank, het risico op diabetes mogelijk ongunstig beïnvloeden.


Daarnaast laat Sluijs zien dat een voedingspatroon rijk aan koolhydraten die de bloedsuikerspiegel snel laten stijgen het risico op diabetes kunnen verhogen. Een voedingspatroon rijk aan koolhydraten die een meer geleidelijk effect hebben op de stijging van de bloedsuikerspiegel zou bij kunnen dragen aan de preventie van diabetes.


Ivonne Sluijs promoveert 31 maart op haar onderzoek.


In Codex Medicus:  Diabetes Mellitus

Bron: Universiteit Utrecht

Risico op hart- en vaatziekten nu nog beter te voorspellen


Groningen, 15 maart 2011 - Hoeveel risico loopt een patiënt om hart- en vaatziekten te krijgen? Die inschatting wordt nu nog gemaakt aan de hand van klassieke indicatoren als cholesterol, hoge bloeddruk en diabetes. Maar een betere inschatting is nodig en mogelijk. Met de AGE Reader, een in Groningen ontwikkeld apparaat, kunnen op eenvoudige manier zogenaamde AGE's (Advanced Glycation Endproducts) worden gemeten. Deze geven een nauwkeurige indicatie van de kans op hart- en vaatziekten, zo blijkt uit onderzoek van promovendus Marten Koetsier.


De AGE Reader stelt de hoeveelheid AGE's in de huid van de patiënt vast met behulp van ultraviolet licht. Dit is een niet-belastende en goedkope vorm van onderzoek, die inmiddels overal ter wereld wordt toegepast. Koetsier verrichtte een groot aantal metingen aan de huid van gezonde proefpersonen en stelde op basis hiervan leeftijdsafhankelijke referentiewaarden vast. Deze referentiewaarden kunnen het opsporen van een verhoogd risico op hart- en vaatziekten verder verbeteren. Door een nieuw ontwikkelde rekenmethode kan ook de hoeveelheid AGE's bij personen met een donkere huidskleur worden bepaald. Ook stelde Koetsier vast dat de AGE-waarden betrouwbaar kunnen worden vastgesteld bij patiënten die nierdialyse ondergaan. Veranderingen in het bloedplasma van deze personen hebben nauwelijks invloed op de metingen, zo blijkt.


In Codex Medicus: Hart- en vaatziekten


Bron: rijksuniversiteit groningen

Urineleider nagebouwd


Winston-Salem, 10 maart 2011 - Amerikaanse chirurgen hebben een techniek gevonden om urineleiders in het laboratorium na te bouwen. Ze lieten cellen van patiënten groeien op een driedimensionale mal in de vorm van het orgaan. Zo reconstrueerden ze een complete plasbuis, met alle cellen die daarin thuishoren, zoals spiercellen en slijmvliescellen.Vijf

Mexicaanse jongetjes wier eigen plasbuis bij een ongeval onherstelbaar beschadigd was geraakt, kregen zo'n kunstmatige urineleider ingeplant. Ze plassen er inmiddels al zes jaar probleemloos mee, melden de onderzoekers van het Wake Forest University Baptist Medical Center in het artsenblad The Lancet.


In Codex Medicus: Biomateriaal


Bron: Wake Forest University Baptist

Mannen meer kans op kanker door leefstijl


Amsterdam, 8 maart 2011 - Mannen hebben twintig procent meer kans om kanker te krijgen dan vrouwen. Dat komt vooral doordat mannen veelal een ongezondere leefstijl hebben dan vrouwen. Dat meldt het Wereld Kanker Onderzoek Fonds.


Mannen roken en drinken vaker dan vrouwen en hebben een ongezonder voedingspatroon met meer rood en bewerkt vlees en suikerrijke frisdranken. Ook kampen ze vaker met overgewicht.


Het fonds heeft gisteren een gezondheidsgids voor mannen gepresenteerd. In de gids staan aanbevelingen voor mannen over hoe zij hun risico op kanker kunnen verlagen.


Wetenschappelijk adviseur voor het Wereld Kanker Onderzoek Fonds Rachel Thompson zegt dat vaak als vaststaand feit wordt aangenomen dat veel ziektes vaker bij mannen dan bij vrouwen voorkomen. "Maar hoewel er een aantal biologische redenen voor het verschil zijn, willen wij mensen er op wijzen dat de hogere cijfers bij mannen niet onvermijdelijk zijn."


Volgens Thompson kunnen simpele, weloverwogen veranderingen in voeding en leefstijl duizenden gevallen van kanker voorkomen. Zo zouden mannen meer groente en fruit kunnen eten, minder alcohol kunnen drinken en meer kunnen letten op hun gewicht.


In Codex Medicus: Oncologie

Bron: Wereld Kanker Onderzoek Fonds

Ibuprofen verkleint kans op ziekte van Parkinson


Cambridge (MA), 4 maart 2011 - Wie twee keer per week ibuprofen neemt, heeft 38 procent minder kans om de ziekte van Parkinson te ontwikkelen. Dat blijkt uit een onderzoek aan de universiteit van Harvard.


Onderzoekers bestudeerden het gebruik van pijnstillers bij meer dan 130.000 verplegers en gezondheidswerkers. De studie, die 6 jaar duurde, wees uit dat wie op regelmatige basis ibuprofen neemt, 38 procent minder kans heeft om een hersenaandoening zoals de ziekte van Parkinson te ontwikkelen.


Ontstekingen
De pijnstiller zou ontstekingen die kunnen leiden tot het afsterven van hersencellen tegengaan. Ibuprofen wordt vooral gebruikt bij hoofdpijn, koorts, verstuikingen en menstruatiepijn.


De ziekte van Parkinson is een hersenaandoening waarbij een tekort aan dopamine ontstaat. Deze stof is noodzakelijk voor de controle van lichaamsbewegingen. Een tekort zorgt onder andere voor problemen bij bewegen, slapen en slikken.


In Codex Medicus: Ziekte van Parkinson

Bron: The Harvard Crimson

Na niertransplantatie betere levensverwachting door veel bewegen

Groningen, 3 maart 2011 - Patiënten die na een niertransplantatie veel bewegen, hebben een betere levensverwachting dan patiënten die dat niet doen. Nu in het eerste jaar na de transplantatie afstoting van de nieuwe nier en infecties veel minder problemen veroorzaken, is de aandacht aan het verschuiven naar verbetering van de langetermijn overleving. Vooral het voorkómen van hart- en vaatziekten is erg belangrijk, omdat patiënten na een niertransplantatie daar een hoge kans op hebben. Onderzoekers uit het Universitair Medisch Centrum Groningen hebben nu voor het eerst aangetoond dat patiënten na een niertransplantatie langer overleven als zij meer bewegen. Vandaag publiceren zij hun bevindingen in het toonaangevende tijdschrift Clinical Journal of the American Society Nephrology.


Een transplantatie is een belangrijk en positief keerpunt in het leven van nierpatiënten. Vaak hebben zij voor de transplantatie een langdradige periode gehad waarin ze een slechte nierfunctie hadden en/of gedialyseerd moesten worden. Lusteloosheid en onvermogen tot het leveren van lichamelijke inspanning zijn vaak voorkomende klachten voorafgaand aan een transplantatie.


Tot nu toe was er weinig aandacht voor het verbeteren van de leefstijl na de niertransplantatie. Patiënten blijven vaak hangen in oude eetpatronen en inactiviteit. Hierdoor komen mensen na transplantatie vaak kilo's aan. Dorien Zelle en haar collega's van de afdelingen Nefrologie en Epidemiologie van het UMCG onderzochten de gezondheid van 540 patiënten die een niertransplantatie kregen tussen 2001 en 2003. Met behulp van vragenlijsten brachten zij in kaart hoeveel lichamelijke activiteit deze patiënten kregen. Vergeleken met richtlijnen voor de dagelijkse hoeveelheid beweging, voldeden 260 patiënten (48%) hier niet aan en waren 79 (15%) van hen zelfs helemaal inactief.


Minder sterfte door bewegen
Gedurende de studieperiode, die eindigde in augustus 2007, stierven 81 patiënten. Hiervan stierven er 37 aan hart- en vaatziekten. De onderzoekers vonden een samenhang tussen de hoeveelheid beweging en de kans op overlijden; de sterfte aan hart- en vaatziekten was respectievelijk 11,7%, 7,2% en 1,7% in de groepen die inactief, matig actief en actief waren. Hetzelfde verband met lichamelijke activiteit vonden zij bij alle sterfteoorzaken.


In Codex Medicus: Niertransplantatie


Bron: Universitair Medisch Centrum Groningen

Mildere chemotherapie vermindert bijwerkingen


Utrecht, 2 maart 2011 - Korneel van Tilburg onderzocht de bijwerkingen van chemotherapie voor kinderen met acute lymfatische leukemie. Het onderdrukken van het immuunsysteem door intensieve chemotherapie verhoogt de gevoeligheid voor infecties. Van Tilburg laat zien dat een mildere behandeling het aantal en de ernst van infecties vermindert.


Minder intensieve chemotherapie leidde tot minder schade aan afweercellen en antistoffen en een beter herstel van schade. Met name afweercellen verantwoordelijk voor het geheugen van de afweer waren verlaagd tijdens chemotherapie en niet alle afweercellen en antistoffen herstelden volledig.


De bevindingen vormen een belangrijk argument om in de toekomst kinderen, indien mogelijk, minder intensief te behandelen.


In Codex Medicus: Acute lymfatische leukemie (ALL)


Bron: Universiteit Utrecht

Preventieconsult beperkt risico hart- en vaatziekten, diabetes en nierschade


Amsterdam, 1 maart 2011 - Onderzoekers van VUmc hebben voor de eerstelijns gezondheidszorg een geïntegreerd pakket ontwikkeld om risico op hart- en vaatziekten, diabetes en chronische nierschade bij mensen van 45 jaar en ouder in kaart te brengen. Dit PreventieConsult ondersteunt de eerstelijn bij het opsporen en doorverwijzen van personen met een hoog risico op deze aandoeningen naar begeleiding en/ of behandeling. Het gaat hier om een wetenschappelijk onderbouwde check die bij betrokkenen wordt afgenomen.


De Nederlandse bevolking wordt ongezonder. Er is een toename van chronische aandoeningen bij mannen en vrouwen onder andere als gevolg van een steeds ongezondere leefstijl (roken, overgewicht, te weinig bewegen). Als deze lijn zich voortzet zullen Nederlanders steeds meer jaren in ongezondheid doorbrengen, wat de kwaliteit van leven en de kosten van de zorg nadelig beïnvloedt. Om deze trend te kunnen keren is het nodig dat de focus meer komt te liggen op het voorkomen van aandoeningen. Een betere opsporing, begeleiding en behandeling van mensen met een verhoogd risico is hard nodig. Het PreventieConsult biedt een systematische aanpak waarbij zowel de voordeur (opsporing) als de achterdeur (begeleiding) goed geregeld is. Dit ontbreekt nog wel eens bij het grote aanbod aan zelftests dat tegenwoordig met name via internet beschikbaar is.


VUmc-onderzoeker Jacqueline Dekker: "Het PreventieConsult helpt zorgverleners in de eerstelijn bij het opsporen van mensen met een risico op diabetes, hart- een vaatziekten en nierschade. Zij kunnen mensen die dit betreft adviseren over een passende leefstijl of behandeling. Uit onderzoek blijkt namelijk dat je meer gezondheidswinst boekt als je preventief op zoek gaat naar deze mensen en hen gaat behandelen. Op het moment dat een van de ziektes zich manifesteert is de behandeling veel minder effectief."


De kwaliteit van de huidige gezondheidstests laat veel te wensen over. Daarom hebben beroepsorganisaties NHG, LHV, NVAB en de drie gezondheidsfondsen Hartstichting, Nierstichting en Diabetes Fonds hun krachten gebundeld. Zo zijn ze samen met VUmc gekomen tot deze wetenschappelijk onderbouwde aanpak.


In Codex Medicus: Preventie

Bron: VU medisch centrum

Verband tussen biologische klok en epilepsie


Amsterdam, 28 februari 2011 - De biologische klok bestaat uit een klompje cellen diep in de hersenen. Deze cellen zorgen voor een 24-uurs ritme in veel lichaamsprocessen. Zo regelt deze klok wanneer je moe wordt of honger krijgt. Ook zorgt deze klok voor een 24-uurs ritme in bijvoorbeeld je bloeddruk en lichaamstemperatuur. Deze ritmen worden circadiane ritmen genoemd. Wytske Hofstra onderzocht of er bij de mens een verband is tussen de 24-uurs biologische klok en epilepsie. Het lijkt erop dat dit verband inderdaad bestaat.


Zo zit er een bepaald 24-uurs ritme in epileptische aanvallen. Dit registreerden Hofstra en haar collega's met oppervlakte- en diepte-EEG. Ook lijkt er een relatie te zijn tussen het vóórkomen van aanvallen uit de slaap- en voorkwab en het ‘tijdstip van de biologische klok' (gemeten met het hormoon melatonine). Daarnaast ontdekte Hofstramet behulp van vragenlijsten dat het hebben van epilepsie invloed heeft op hoe je je dag indeelt wat betreft activiteiten, wakker zijn, slapen enzovoort. Dat wordt je chronotype genoemd.


Tenslotte toont Hofstra aan dat patiënten de tijden waarop ze medicatie innemen, aanpassen aan of ze een ochtend- of avondmens zijn. Al deze kennis is belangrijk, omdat een verband tussen de 24-uurs biologische klok en epilepsie ons kan helpen bij het bepalen wanneer onderzoek naar aanvallen (bijvoorbeeld door middel van EEG) het bestkan plaatsvinden. Daarnaast biedt het een kans om te kijken of je de medicatie kunt aanpassen aan iemands biologische klok om aanvallen beter onder controle te krijgen.


In Codex Medicus: Epilepsie


Bron: Vrije Universiteit Amsterdam

Gezondheidsraad wijst op ernstig gebrek aan kennis in de geestelijke gezondheidszorg


Den Haag, 24 februari 2011 - Naar schatting 150.000 mensen in Nederland hebben de greep op het eigen bestaan verloren, door een combinatie van psychische en andere problemen. Ze verkommeren, verloederen en veroorzaken soms ernstige overlast. Nog eens vijf keer zoveel mensen dreigen naar zo'n situatie af te glijden.


Volgens de Raadscommissie voor Gezondheidsonderzoek (RGO) van de Gezondheidsraad kampt de openbare geestelijke gezondheidszorg met een ernstig gebrek aan kennis. Een substantiële, meerjarige investering is dan ook noodzakelijk om de noodzakelijke kennisontwikkeling op gang te brengen. Vooruitlopend daarop zullen bestaande onderzoeksgroepen de krachten moeten bundelen. Een op korte termijn uit te voeren programmeringsstudie zal duidelijk moeten maken wat de omvang is van het bedrag dat nodig is, en hoe dit het best kan worden ingezet.


Voor een samenvatting van het vandaag gepubliceerde rapport zie: Broodnodig

In Codex Medicus: Psychiatrie


Bron: Gezondheidsraad

Nieuwe doorbraak in behandeling van borstkanker


Chicago, 23 februari 2011 - Wetenschappers ontdekten dat een chemische stof verantwoordelijk is voor de uitzaaiing van borsttumoren naar andere organen in het lichaam. Deze ontdekking zou heel wat levens kunnen redden. De ontdekking werd gedaan door Dr. Janine Erler (Institute of Cancer Research) en Prof. Valerie Weaver (University of California).
 

Verspreiding
De Amerikaanse wetenschappers ontdekten dat het enzym LOXL2 rechtstreeks betrokken is bij de verspreiding van de borsttumorcellen. Meer dan 90 procent van de sterfgevallen bij kanker zijn een gevolg van de uitzaaiing van deze ziekte naar andere organen als de longen, lever en beenderen, aldus onderzoekster Janine Erler. De onderzoekers willen nu ontdekken hoe ze succesvol de werking van het enzym kunnen blokkeren. Een andere belangrijke ontdekking is dat een hoog niveau van LOXL2 in verband staat met meer agressieve vormen van kanker. Dit betekent dat een test zou kunnen ontwikkeld worden om het niveau van dit enzym bij patiënten te meten en zo een vroege behandeling van deze meer agressieve kanker starten.


Het enzym zorgt voor de verspreiding van borstkanker doordat het twee proteïnes controleert, namelijk TIMP1 en MMP9. Voorgaande studies toonden aan dat deze twee een rol spelen bij het stoppen van de verspreiding van tumoren.


In Codex Medicus: Kwaadaardige borstkliertumoren


Bron: ICR Global Foundation

Behandeling van acuut nierfalen bij bloedvergiftiging


Amsterdam, 22 februari 2011 - Bij bloedvergiftiging (sepsis) kunnen nieren acuut falen. Waarschijnlijk omdat ze dan te weinig zuurstof krijgen. Tanja Johannes ging na of de nierfunctie behouden blijft als hypoxie (tekort aan zuurstof) en het haperen van de circulatie in de nieren worden voorkomen. In een model waarbij nierfalen in gang werd gezet, herstelde de nierfunctie zich weer. Hoewel de gemiddelde zuurstofvoorziening in het nierweefsel slechts weinig was gedaald, ontstonden tijdens het experiment plaatselijk gebieden met een tekort.

Johannes toont aan dat er een verband is tussen het verminderde zuurstofgehalte in het weefsel en de nierfunctie. Meer onderzoek is nodig om het bewijs te leveren van een causale relatie.

Tanja Johannes promoveert op 1 maart op haar onderzoek.

In Codex Medicus: Sepsis


Bron: Universiteit van Amsterdam

Nieuwe techniek voor PET-scan bij diagnostiek beenmergziekten


Groningen, 21 februari 2011 - Het gebruik van nieuwe tracers bij de PET-scan van het beenmerg levert informatie om verschillende bloedziekten te kunnen onderscheiden. De techniek kan ook ingezet worden om de effecten van behandeling te monitoren. Dit concludeert Ali Agool in zijn promotieonderzoek.


De aanmaak van bloedcellen vindt plaats in het beenmerg. In geval van beenmergziekten treedt een versterkte of verminderde cel-aanmaak in het beenmerg op. Algool bestudeerde hoe de nieuwe tracer 3-deoxy-3-18F-fluorothymidine (18F-FLT) bij de PET scan kan worden ingezet voor de diagnostiek van bloedziekten. Aan de hand van het opnamepatroon van 18F-FLT in de beenmergcellen, de beenmergverdeling en de opname-intensiteit van de tracer in het gehele beenmergcompartiment, bleek het mogelijk om te differentiëren tussen bloedziekten. Bij patiënten met multipel myeloom is een andere tracer, 111In-somatostatine (SRS), gebruikt. Verhoogde activiteit van de somatostatine receptoren werd vooral gevonden bij patiënten die opnieuw ziekteactiviteit vertoonden.


In Codex Medicus: PET-MRI


In Codex Medicus: Multipel myeloom

Bron: rijksuniversiteit groningen

Efficiëntie tuberculosevaccin verhoogd door VIaamse wetenschappers


Gent, 17 februari 2011 - Nele Festjens en Nico Callewaert hebben de efficiëntie van het vaccin tegen tuberculose verbeterd. Het nieuwe vaccin biedt bij muizen al een betere bescherming tegen de ziekte. De ontwikkeling van een nieuw tbc-vaccin is een prioriteit in de strijd tegen de ziekte, die jaarlijks 1,7 miljoen slachtoffers maakt. Het huidige vaccin biedt maar een beperkte bescherming.
Nico Callewaert: Ons vaccin is efficiënter omdat het efficiënter herkend wordt door het immuunsysteem van de gevaccineerde. We hebben het huidige vaccin als het ware in zijn blootje gezet door zijn beschermingsschild weg te halen.
 

Tuberculose: een wereldwijd probleem
Eén derde van de wereldbevolking is besmet met de bacterie Mycobacterium tuberculosis die tuberculose (tbc) veroorzaakt. Tbc, aids en malaria zijn de drie infectieziekten die wereldwijd de meeste doden eisen. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) schat dat er jaarlijks 8 tot 10 miljoen mensen besmet worden. Tbc is vooral een ziekte van de armen en tast voornamelijk jongvolwassenen in hun meest productieve jaren aan. De meeste tbc-doden vallen in de ontwikkelingslanden, meer dan de helft daarvan in Azië. In bijna al die landen duikt er steeds meer multidrug resistente tbc op. Deze vorm van tbc is zeer moeilijk te behandelen.
 
Beter voorkomen dan genezen
Tbc-behandelingen zijn duur, en ook zeer moeilijk omwille van de multidrug resistente tbc. Daarom gaat er veel aandacht uit naar vaccinatie in de strijd tegen tbc. Het enige vaccin op de markt is Bacillus Calmette-Guérin (BCG). Het wordt gemaakt van de levende, verzwakte, bij runderen voorkomende tuberculosebacterie, Mycobacterium bovis, die zijn ziekteverwekkend vermogen bij mensen heeft verloren. Het vaccin voorkomt bij kinderen slechts de helft van de gevallen van tuberculose, en bij adolescenten en volwassenen is de beschermingsgraad nog veel lager.
 
De laatste jaren werden verschillende andere kandidaatvaccins ontwikkeld en sommige daarvan bij mensen getest. Slechts enkele leidden tot een bescheiden verbetering in bescherming ten opzichte van het BCG vaccin.  De zoektocht naar een efficiënter vaccin gaat daarom verder.
 

Verdedigingsschild van de bacterie weghalen
De bacterie waarvan het BCG-vaccin is afgeleid, verstopt zich als het ware voor het immuunsysteem van het organisme waarin het terecht komt. Dat kan wel eens de reden zijn waarom het vaccin niet zo efficiënt is. Een vaccin moet nu net een immuunreactie op gang brengen om goede bescherming te kunnen bieden. Nele Festjens en Nico Callewaert ontdekten dat de bacterie zich wegstopt achter het enzym SapM dat als een soort schild fungeert. 
 

Ze gebruikten deze kennis om een nieuw vaccin te ontwikkelen. Ze pasten Mycobacterium bovis BCG zo aan dat het niet meer in staat was SapM aan te maken, en zich dus niet meer kon verstoppen voor het immuunsysteem. De testen met het nieuwe vaccin in muizen wezen uit dat het een betere bescherming biedt dan het huidige BCG-vaccin.


Een andere manier van werken
De onderzoekers toonden ook aan dat hun vaccin op een andere manier werkt dan de andere vaccins die momenteel getest worden. Het verkrijgt zijn extra beschermende waarde immers door signalen uit te sturen die ontsteking bevorderen en zo de juiste cellen van het immuunsysteem activeren. Festjens en Callewaert hebben goede hoop dat de toepassing van hun strategie het beschermingsschild weghalen - bij de nieuwe kandidaat vaccins, moet leiden tot een vaccin dat echt bescherming biedt tegen tbc.


In Codex Medicus: Tuberculose

In Codex Medicus: BCG

Bron: VIB

Vroeg kalende mannen lopen meer risico op ontwikkeling prostaatkanker


Mannen die op hun 20ste kaal zijn, hebben een groter risico op het ontwikkelen van prostaatkanker in een later levensstadium. Dat is de uitkomst van een studie die deze week verscheen in Annals of Oncology.


In een retrospectieve studie selecteerden M. Yassa c.s. 388 mannen (gemiddelde leeftijd 67 jaar) die waren behandeld voor prostaatkanker en 281 mannen (gemiddelde leeftijd 66 jaar) als controlegroep. Correctie vond plaats voor leeftijd en belaste familieanamnese voor prostaatkanker. Alle patiënten kwamen uit dezelfde database, met bijdragen van verschillende ziekenhuizen.

De mannen gaven op plaatjes hun stadium van alopecia (haaruitval) aan, op hun 20ste, 30ste en 40ste  levensjaar. Kalende twintigers bleken geassocieerd met een hogere incidentie van prostaatkanker later in het leven. Deze trend zag men niet als het kalen was begonnen op het 30ste of 40ste levensjaar.


Androgenen zijn van invloed op alopecia en via een vergelijkbaar biologisch mechanisme betrokken bij de ontwikkeling van prostaatkanker.


Het antiandrogeen finasteride gaat haaruitval tegen en kan, via eenzelfde aangrijpingspunt de incidentie van prostaatkanker verlagen, aldus de auteurs. Of vroeg kalende mannen baat hebben bij screening of behandeling met finasteride, moet nog blijken.


In Codex Medicus: Prostaatcarcinoom


Bron: Artsennet

Aidsvirus past zich steeds beter aan mensen aan


Antwerpen, 15 februari 2011 - Het aidsvirus heeft zich in de loop der jaren steeds beter aan zijn gastheren aangepast. Dat blijkt uit onderzoek van Youssef Gali aan het Instituut voor Tropische Geneeskunde (Antwerpen). Daarnaast ontwikkelde hij een modelsysteem dat de vagina en baarmoederhals nabootst. Daarmee kon hij de veiligheid van beschermende vaginale gels beoordelen. Zijn onderzoek verschafte dieper inzicht in de interacties tussen het aidsvirus en menselijke cellen en mondt nu uit in een doctoraat aan het Instituut voor Tropische Geneeskunde en de Universiteit Antwerpen.


De wetenschap kent het aidsvirus intussen dertig jaar, en daarvoor was het al een paar decennia onder de mensen, maar nog steeds begrijpen we maar zeer gedeeltelijk wat het met een mensenlichaam doet - en wat mensencellen met het virus doen. Een groot deel van de besmettingen gebeurt in de vagina, maar we kennen nog te weinig van de processen in de weefsels en cellen van een vagina, laat staan van de processen wanneer een hiv-virus doorheen dat weefsel reist, om gericht middelen te ontwerpen die de overdracht van het virus kunnen blokkeren.


Tests met vaginale gels die besmetting moeten verhinderen zijn al een tijd gaande, en de resultaten worden langzaam beter, maar we zijn er nog lang niet. Al denken de onderzoekers van het Instituut voor Tropische Geneeskunde, die al lang onderzoek naar dergelijke gels doen, dat het binnen enkele jaren mogelijk moet zijn om een echt werkzame vaginale gel te hebben.


Om te zorgen dat onsuccesvolle producten al weggefilterd zijn eer het tot tests op mensen komt, gebruikte Youssef Gali twee testmodellen. In het ene gebruikte hij levend weefsel van vagina en baarmoederhals dat gedoneerd werd door vrouwen bij wie de baarmoeder weggenomen werd. In het andere gebruikte hij een laag gekweekte menselijke vaginale cellen met daaronder een laag bloedcellen. Het eerste model staat zeer dicht bij de mens, het tweede is praktischer om mee te werken. Met die modellen ontdekte hij hoe een besmetting door het virus in de vagina exact gebeurt.
Hij kon er ook mee aantonen welke ingrediënten in vaginale gels schadelijk zijn voor vaginaal weefsel, en welke kandidaat-actieve stoffen de beste kans maken om ook in het echt te verhinderen dat het virus via de vagina naar binnen dringt.


Gali vergeleek ook virusstalen uit midden de jaren tachtig met stalen van eind jaren negentig, allebei uit een Amsterdamse groep vrijwilligers. Het bleek dat het virus in anderhalf decennium beter geschikt was om menselijke cellen te besmetten en erin te overleven. Een mooi, zij het ietwat akelig, voorbeeld van de evolutie in actie.


In Codex Medicus: HIV

Bron: Instituut voor Tropische Geneeskunde

Rol van p53 bij het ontstaan van kanker


Nijmegen, 14 februari 2011 - Kanker kenmerkt zich door een ongeremde deling van lichaamscellen. Wanneer genen die betrokken zijn bij de strikte regulatie van celdeling fouten (mutaties) vertonen, kan dit leiden tot een ongeremde celdeling en kan er een tumor ontstaan. Het gen p53 speelt een cruciale rol bij celdeling. Het is dan ook niet verwonderlijk dat p53 het frequentst gemuteerde gen in kanker is.


Onder invloed van stress wordt p53 geactiveerd en bindt het aan een specifieke DNA-sequentie om zo genen die onder andere betrokken zijn bij het remmen van de celgroei of bij gereguleerde celdood aan of uit te schakelen. Het is nog niet bekend hoe p53 dit precies reguleert. In haar proefschrift beschrijft Leonie Smeenk de identificatie en karakterisering van p53-bindingsplaatsen in het humane genoom onder invloed van stress. Verder toont ze aan dat alleen p53-binding niet voldoende is voor selectief aan- en uitschakelen van genen, maar dat hierbij ook andere factoren betrokken zijn, zoals de p53-familieleden p63 en p73.


In Codex Medicus: Kankergenen

Bron: Radboud Universiteit Nijmegen

'Tight control'-behandeling bij reumatoïde artritis is effectief


Utrecht, 10 februari 2011 - Volledige genezing van chronische ontstekingsziekte reumatoïde artritis is niet mogelijk. Daarom passen artsen de behandelstrategie ‘tight control' toe, die gericht is op het doen verdwijnen van de ziekteverschijnselen, vooral pijn aan de gewrichten.


In haar proefschrift laat Marije Bakker zien dat tight control effectief en haalbaar is bij patiënten met reumatoïde artritis, vooral wanneer gestart wordt met een combinatie van methotrexaat en een lage dosis prednison. Bij onvoldoende reactie op behandeling moet de medicatie uiterlijk na 6 maanden worden aangepast.


Om goed volgens tight control te behandelen zijn tevens goede methoden nodig om de ziekteactiviteit te meten. De meest gebruikte maat is DAS28 welke nog niet optimaal hiervoor is. Het blijft daarom belangrijk om regelmatig de gewrichten en röntgenfoto's van handen en voeten te bekijken zodat de juiste behandeling toegepast kan worden.

Om optimaal de tight control strategie toe te kunnen passen zijn goede voorspellers, zoals klinische variabelen en biomarkers, in ontwikkeling voor de uitkomst van de individuele patiënt.


In Codex Medicus: Reumatoïde artritis 

Bron: Universiteit Utrecht

Mogelijk kunnen statines een bijdrage leveren aan nieuwe behandelingen bij AML


Groningen, 9 februari 2011 - Bij acute myeloïde leukemie (AML) is sprake van een kwaadaardige stoornis bij de rijping van bloedcellen uit stamcellen in het beenmerg. Inzicht in de mechanismen waarmee ‘ontspoorde' stamcellen zich verdedigen tegen chemotherapie is van belang voor de ontwikkeling van strategieën om hier met behandeling op aan te grijpen. In haar onderzoek heeft Susan de Jonge-Peeters zich daarbij specifiek gericht op de zogenaamde ABC-transporters, speciale membraaneiwitten die een rol spelen bij het verwijderen van celdodende middelen uit de leukemiecel.


De Jonge-Peeters ontdekte dat enkele van deze ABC-transporters hoog tot expressie komen in onrijpe stamcellen. Hiervan is bekend dat zij ook betrokken zijn bij het cholesterolmetabolisme. Vervolgens is in het laboratorium uitgetest of het remmen van de aanmaak van cholesterol met cholesterolverlagende medicijnen (statines) de celdodende werking van chemotherapie kan bevorderen. Dit bleek zo te zijn bij cellen in een subgroep van AML-patiënten. Mogelijk kunnen statines een bijdrage leveren aan nieuwe behandelingen bij AML.


In Codex Medicus: Acute myeloïde leukemie


Bron: rijksuniversiteit groningen

Het verbeteren van de multidisciplinaire behandeling van slokdarmkanker


Amsterdam, 8 februari 2011 - Ewout Courrech Staal beschrijft diverse onderzoeken gericht op het verbeteren van de multidisciplinaire behandeling van slokdarmkanker. In het eerste deel van zijn proefschrift staan chemoradiotherapie en chirurgie centraal. In deel twee richt Courrech Staal zich op het gebruik van biomarkers in de behandeling van slokdarmkanker. In het derde en laatste deel komen kwaliteitsaspecten in de behandeling van slokdarmkanker aan de orde.


Courrech Staal promoveert 11 februari op zijn onderzoek.


In Codex Medicus: Tumoren van de oesofagus


Bron: Universiteit van Amsterdam

Dikkedarmkanker beste te behandelen via combinatie van chemotherapie en chirurgie


Utrecht, 7 februari 2011 - De resultaten van het proefschrift van Robbert de Haas laten zien dat een agressieve behandeling van dikkedarmkanker kan leiden tot goede langetermijnuitkomsten bij patiënten met leveruitzaaiingen van dikkedarmkanker. De behandeling bestaat uit een combinatie van chemotherapie en chirurgie.


Daarnaast blijkt dat chirurgische behandeling van goed geselecteerde patiënten met leveruitzaaiingen van dikkedarmkanker en tegelijkertijd uitzaaiingen buiten de lever leidt tot acceptabele lange termijn resultaten. Echter, behandeling dient plaats te vinden in een gespecialiseerd centrum met ruime ervaring in de behandeling van leveraandoeningen. Alleen dan is er een kans op overleving op lange termijn bij patiënten met leveruitzaaiingen van dikkedarmkanker.


In Codex Medicus: Tumoren van colon en rectum


Bron: Universiteit Utrecht

Meer kans op narcolepsie na vaccin Mexicaanse griep


Brussel, 3 februari 2011 - Inenting met het vaccin tegen Mexicaanse griep verhoogt bij kinderen en adolescenten mogelijk de kans op narcolepsie, ook wel slaapziekte genoemd. Dat blijkt uit een Finse studie. In België zijn voorlopig geen gevallen bekend, zegt viroloog Marc Van Ranst (KU Leuven).


Narcolepsie is een neurologische ziekte waardoor patiënten zelfs bij voldoende nachtrust overdag geregeld in slaap vallen. In Finland kregen in 2009 en 2010 zowat 60 kinderen tussen 4 en 19 de ziekte. Dat is drie keer zoveel als de voorgaande jaren. Negentig procent van de patiënten werd ziek tussen de twee en tien weken na de inenting tegen Mexicaanse griep. De kans om narcolepsie te krijgen, ligt volgens het Finse Nationaal Gezondheidsinstituut, die het onderzoek uitvoerde, na inenting bij kinderen negen keer hoger dan normaal.


Enkel Scandinavië
"Het verband tussen het vaccin Pandemrix en de ziekte bij kinderen is niet buiten de Scandinavische landen gevonden", zegt de Nederlandse viroloog Ab Osterhaus, die contact had met zijn Finse collega's, in De Telegraaf. Ook IJsland en Zweden startten een onderzoek nadat een verhoging van het aantal gevallen werd vastgesteld. "De meest voor de hand liggende uitleg is dat de ziekte het gevolg is van het vaccin en de combinatie van een aantal andere factoren", aldus het Finse gezondheidsinstituut.


België
In België is voorlopig geen verband gevonden tussen de ziekte en het vaccin. Er werden in ons land dan ook slechts een beperkt aantal, 20.000, kinderen ingeënt. "In Finland is nagenoeg de hele bevolking ingeënt. Dat is bij ons niet het geval, enkel de risicogroepen kregen het vaccin", zegt Van Ranst. Volgens de viroloog wordt het verband tussen het vaccin en narcolepsie in België onderzocht en loopt er momenteel ook een Europese studie. De Finse onderzoekers bendrukken dat het onderzoek nog niet volledig is afgerond. Definitieve resultaten worden verwacht in augustus.


Wereldwijd zijn bij campagnes meer dan 90 miljoen mensen ingeënt tegen de H1N1-griep, van wie ongeveer 2,5 miljoen Finnen sinds de herfst van 2009.


In Codex Medicus: Narcolepsie

Bron: Belga / ep

Geen psychische letsels na abortus


Aarhus, 1 februari 2011 - Een populaire claim van anti-abortusactivisten is door een grote Deense studie onderuitgehaald. De resultaten van het onderzoek zijn gepubliceerd in de New England Journal of Medicine.


Uit de studie blijkt dat afbreken van een zwangerschap niet tot de geestelijke problemen leidt waar activisten graag voor waarschuwen. Veeleer het omgekeerde is waar: vrouwen die een abortus ondergaan, lijden vaker vooraf al aan psychiatrische ziektes. Nieuwe psychiatrische ziektes duiken na een abortus niet beduidend vaker op, leert de studie. Dat is wél het geval na een geboorte (denk bijvoorbeeld aan postnatale depressie).

Een team onder leiding van Trine Munk-Olsen (universiteit van Aarhus) bekeek de medische dossiers van alle meisjes en vrouwen die tussen 1962 en 1993 in Denemarken werden geboren en op hun vijftiende nog steeds in leven waren. Ze selecteerden diegenen die in de negen maanden voor de geboorte van hun eerste kind of voor hun eerste abortus geen afspraak bij de psychiater hadden gehad.


Van de 84.620 vrouwen die tussen 1995 en 2007 een abortus hadden ondergaan, had één procent in de periode die daaraan voorafging, wel contact gehad met een psychiater (langer dan negen maanden voor de abortus, dus).


Een jaar na de zwangerschapsafbreking zocht anderhalf procent van hen opnieuw een psychiater op, melden de onderzoekers in het New England Journal of Medicine - weliswaar een stijging van vijftig procent, maar eentje die statistisch niet beduidend was. Van alle 280.930 vrouwen die het leven schonken aan hun eerste kind, was dat cijfer respectievelijk 0,3% voor en 0.7% na. Meer dan een verdubbeling dus, en dit keer wel statistisch significant.


Volgens Munk-Olsen is de te onthouden boodschap dat meisjes en vrouwen die een abortus ondergaan, vooraf (en niet achteraf) relatief vaker aan psychiatrische ziektes lijden


In Codex Medicus: Abortus

Bron: New England Journal of Medicine

Chirurgie bij dysfagie en aspiratie

Amsterdam, 27 januari 2011 - Hoewel veel patiënten met dysfagie op basis van hun onderliggend lijden niet in aanmerking zullen komen voor chirurgische behandeling, laat KNO-arts Martijn P. Kos zien dat het zinvol is om de verschillende chirurgische technieken te overwegen om de kwaliteit van leven van de patiënt met moeite met slikken te verbeteren.

Normaal eten en slikken is een belangrijke factor voor de kwaliteit van leven. Kos beschrijft chirurgische behandelingsmogelijkheden van patiënten met dysfagie (moeite met slikken) en/of aspiratie (het binnendringen van voedsel in de luchtwegen).

Dysfagie is een symptoom dat vele oorzaken kent, die het gevolg kunnen zijn van:
- compressie van buiten de keelholte,
- een uitstulping laag in de keelholte (Zenker’s divertikel),
- falende ontspanning van de bovenste slokdarmkringspier tijdens het slikken, of verminderde kracht van de keelspieren of een combinatie van beiden,
- een combinatie van inadequate heffing van het strottenhoofd en inadequaat samenknijpen van de keelspieren waarbij chronische aspiratie en recidiverende longontstekingen kunnen voorkomen,
- behandeling met chemo- en/of radiotherapie voor hoofd-hals kanker. Als gevolg van directe aantasting van het slikmechanisme, of door verlittekening waarbij de heffing van het strottenhoofd belemmerd wordt of vernauwing van de keelholte en slokdarm op kan treden.

Voor al deze problemen onderzocht en beschreef Kos verschillende chirurgische technieken, waarbij mogelijk herstel en behoud van de strottenhoofd- en keelfunctie centraal stonden. Hij vergeleek de gegevens van onder andere röntgen slikvideo’s, waarbij contrast doorgeslikt werd, en drukmeting in de keel en slokdarm tijdens het slikken werden voor en na enkele ingrepen.

In Codex Medicus: Dysfagie

In Codex Medicus: Aspiratie

Bron: Vrije Universiteit Amsterdam
Nederland 12e op lijst van landen waar kanker meeste voorkomt


Amsterdam, 24 januari 2011 - Naar schatting zijn er jaarlijks 12,7 miljoen gevallen van kanker in de hele wereld. Dit aantal zal naar verwachting stijgen tot 26 miljoen in 2030. Echter, landen hebben zeer uiteenlopende kankerincidentiecijfers. Borstkanker komt bijvoorbeeld ruim vier keer zoveel voor in Nederland dan in Oost-Afrika.


Dit komt gedeeltelijk doordat het risico op kanker wordt beïnvloed door leefstijl. Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat een gezond voedingspatroon, voldoende lichaamsbeweging en een gezond gewicht het risico op kanker met een derde kunnen verlagen.


Denemarken kent de meeste gevallen van kanker in de wereld. Nederland staat 12e op de lijst van landen waar kanker het meeste voorkomt. Jaarlijks ontwikkelen 286,8 op de 100.000 mensen in Nederland de ziekte.


In Codex Medicus: Oncologie


Bron: Wereld Kanker Onderzoek Fonds

KNMG vindt levenseindekliniek onwenselijk


Utrecht, 20 januari 2011 - Artsenfederatie KNMG vindt speciale levenseindeklinieken onwenselijk. Zorgvuldige besluitvorming over de dood vraagt om een open blik, niet om een tunnelvisie. Het vaststellen of het lijden van de patiënt uitzichtloos en ondraaglijk is en dat er geen redelijke alternatieven zijn, kost doorgaans meer tijd dan in de voorgestelde klinieken beschikbaar is. Een levenseindekliniek wekt bovendien ten onrechte de verwachting van een recht op euthanasie.


In Codex Medicus: Euthanasie


Bron: KNMG

Vaccinatie tegen waterpokken bij kinderen kan gordelroos bij volwassenen doen toenemen


Brussel, 19 januari 2011 - Een vaccinatieprogramma van kinderen tegen waterpokken (in Vlaanderen ook wel windpokken genoemd), en van ouderen tegen gordelroos (zona), wat zouden de kosten en baten hiervan zijn? Deze vraag onderzocht het Centrum voor Gezondheidseconomie en Modellering van Infectieziekten (Universiteit Antwerpen) in opdracht van het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE). Een vaccinatieprogramma tegen waterpokken kan het best pas opgestart worden als men zeker is dat daardoor het aantal gevallen van gordelroos niet tegelijkertijd te sterk toeneemt. Daarvoor moeten de resultaten in een aantal landen, die reeds met vaccinatie zijn gestart, worden afgewacht. Voor vaccinatie tegen gordelroos van zestig plussers zijn er te weinig betrouwbare gegevens beschikbaar om de baten eenduidig in te schatten.


Als iemand waterpokken heeft gehad blijft het virus ‘slapend' aanwezig in het lichaam. Als het afweersysteem verzwakt kan het virus weer een ziekte veroorzaken, deze keer in de vorm van gordelroos. Nu is er een vermoeden dat na het doormaken van waterpokken het afweersysteem geprikkeld wordt telkens er contact is met iemand met waterpokken. Op die manier slaagt het afweersysteem er meestal in gordelroos te onderdrukken tot op hoge leeftijd. Als de prikkel wegvalt, bijvoorbeeld doordat na vaccinatie waterpokken niet meer wordt verspreid, zou gordelroos meer en eerder kunnen optreden. Dat is althans de theorie. Op dit moment is deze theorie niet eenduidig bevestigd, noch weerlegd.


In Codex Medicus: Herpes zoster


In Codex Medicus: Varicella

Bron: Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg

Nieuwe inzichten in de regulatie van waterkanalen in de nier


Nijmegen, 18 januari 2011 - Het waterkanaal, aquaporine-2 (AQP2), dat noodzakelijk is voor de concentratie van urine, speelt een rol bij verschillende ziektebeelden. Één van de bekendste is nefrogene diabetes insipidus, waarbij patiënten onvoldoende in staat zijn om urine te concentreren. Door het ontbreken van adequate regulatie van AQP2 lopen deze patiënten een groot risico op uitdroging. Michelle Boone deed onderzoek naar de fysiologische regulatie van AQP2. Hormonale factoren, waaronder ATP en dopamine, spelen een rol bij AQP2-gemedieerd watertransport.


Haar onderzoek beschrijft een aantal mechanismen en receptoren, waarvan ATP en dopamine gebruik maken bij het remmen van watertransport. Daarnaast identificeerde ze een nieuw AQP2-bindend eiwit, dat een rol speelt bij de afbraak van AQP2-waterkanalen. Boone's onderzoek zorgt voor een beter begrip van de regulatie van AQP2. Mogelijk draagt dit bij aan toekomstige therapieën voor de ziektebeelden waarbij dit waterkanaal een rol speelt.


Michelle Boone promoveert 27 januari.


In Codex Medicus: Renale of nefrogene diabetes insipidus


Bron: Radboud Universiteit

Borst- en teelbalkanker: zorgkwaliteit stijgt, maar meer centralisatie in ‘ervaren' ziekenhuizen nodig


Brussel, 17 januari 2011 - Het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) ontwikkelde een lijst van indicatoren om de zorgkwaliteit van borst- en teelbalkanker te meten. Hoewel meer diepgaande analyses nog nodig is, kan toch al worden vastgesteld dat de zorgkwaliteit bij deze vormen van kanker verbetert. Zo is de vijfjaarsoverleving licht gestegen. Toch is er nog ruimte voor verbetering op gebied van diagnose, behandeling en opvolging. De zorg is ook nog teveel versnipperd. Het KCE pleit voor centralisatie in ziekenhuizen met voldoende ervaring met de behandeling van de aandoening.


De minister van Volksgezondheid vroeg het KCE om voor borst- en teelbalkanker een lijst van indicatoren op te stellen, om de zorgkwaliteit te kunnen meten. Het KCE baseerde zich voor het vinden van zinvolle indicatoren o.m. op de nationale richtlijnen die het in november 2010 voor de behandeling van deze kankers publiceerde.


De onderzoekers gingen na in hoeverre de indicatoren effectief kunnen worden gemeten. Ze stelden vast dat er bijkomende, recentere gegevens op gebied van kankerregistratie nodig zijn m.b.t. oorzaak van overlijden, herval na behandeling, kankerstadium voor en na een operatie, .... Dit is essentieel om aan kwaliteitsbewaking te kunnen doen. Het KCE pleit daarom voor een meer systematische overdracht van gegevens door de zorgverleners aan het Kankerregister. Daarnaast stelden de onderzoekers vast dat een aantal RIZIV nomenclatuur codes voor de terugbetaling van onderzoeken of behandelingen moeten worden verfijnd.


In Codex Medicus: Kwaadaardige borstkliertumoren


In Codex Medicus: Testistumor

Bron: Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg

Asbest nog gevaarlijker dan gedacht


Rotterdam, 14 januari 2011 - In 70% van alle huizen en gebouwen zit nog asbest: verwerkt in plafonds, kachels, deuren, vloeren en daken. Levensgevaarlijk als het niet op de juiste manier wordt verwijderd. Tv-programma Zembla besteedt er zaterdag een aflevering aan, waarin ook prof. Lex Burdorf van het Erasmus MC aan het woord komt.


Rome
Asbest is een verzamelnaam voor een aantal natuurlijke mineralen die zijn opgebouwd uit microscopisch kleine vezels. Asbest is - letterlijk - zo oud als de weg naar Rome. Tot voor kort was het een uitermate gewild in de huizenbouw, omdat het sterk, isolerend en goedkoop materiaal is.


Inademen
Zolang asbest in gebonden toestand verkeert, is er geen gevaar voor de gezondheid. Wie echter losse asbestvezels inademt, loopt kans op ziekten zoals asbestose of longkanker. Vaak openbaren de ziekten zich pas tientallen jaren na blootstelling. In Nederland sterven volgens de Gezondheidsraad elk jaar circa 1.600 mensen aan asbestziekten.


Aanscherping
De Gezondheidsraad kwam in de zomer van 2010 met een rapport, waaruit blijkt dat asbest veel gevaarlijker is dan tot nu toe werd aangenomen. De raad adviseert daarom voor een flinke aanscherping van de normen voor asbest.


Slachtoffers
Het VARA-programma Zembla laat zien hoe asbest slachtoffers maakt. In de uitzending komt ook prof. Lex Burdorf aan het woord, van de afdeling Maatschappelijke Gezondheidszorg van het Erasmus MC. De aflevering van Zembla ‘Asbest vrijgekomen' wordt uitgezonden op zaterdag 15 januari, om 22.35 uur op Nederland 2.


In Codex Medicus: Asbest

Bron: Erasmus MC

Onderzoeksraad kritisch over aanpak kindveiligheid


Den Haag, 13 januari 2011 - De overheid is onder de huidige omstandigheden onvoldoende in staat om haar verantwoordelijkheid voor de veiligheid van jonge kinderen tussen 0 en 12 jaar binnen gezinnen waar te maken. Deze conclusie trekt de Onderzoeksraad voor Veiligheid, onder voorzitterschap van prof. mr. Pieter van Vollenhoven, na bestudering van 27 gevallen van kindermishandeling met fatale en bijna‐fatale afloop.

In eerste instantie zijn de ouders verantwoordelijk voor onder andere de gezondheid en de veiligheid van hun kinderen. Als de ouders aan deze taak geen of onvoldoende inhoud geven, heeft de overheid, mede gebaseerd op het Verdrag voor de Rechten van het kind, de verantwoordelijkheid. De ervaring leert dat in onze samenleving een grote terughoudendheid bestaat om in te grijpen in de privésfeer van gezinnen. Wanneer meldingen worden gedaan over mogelijke kindermishandeling of er zelfs al sprake lijkt te zijn van een kind dat letsel heeft opgelopen, blijven de betrokken professionals van jeugdzorg de medewerking van de ouders - naar de mening van de Onderzoeksraad - te lang voorop stellen en kan aan de verantwoordelijkheid van de overheid onvoldoende invulling worden gegeven.


Verder zijn andere beroepskrachten die hulp verlenen aan het gezin zoals artsen, maatschappelijk werkers en GGZ‐medewerkers, niet verplicht om mee te werken aan het onderzoek van de jeugdzorg. Dat betekent naar het oordeel van de Onderzoeksraad dat de professionals van de jeugdzorg nu onvoldoende in staat worden gesteld om een goede risico‐inventarisatie te maken met betrekking tot de veiligheidssituatie van het kind. Ook wanneer de kinderrechter een beschermingsmaatregel heeft opgelegd en het kind onder toezicht staat van jeugdzorg is de informatievoorziening door en samenwerking met andere beroepskrachten niet gegarandeerd.


Concreet beveelt de Onderzoeksraad aan dat de overheid met name de jeugdzorg in staat moet stellen om op te treden wanneer een melding wordt gedaan over een vermoeden van kindermishandeling. Professionals van jeugdzorg behoeven zich in hun reactie op de melding niet afhankelijk op te stellen van de medewerking van de ouders omdat zij immers moeten kunnen beschikken over alle relevante informatie. Ook moeten de professionals kunnen beschikken over de relevante informatie van de overige beroepskrachten die hulp verlenen aan het gezin.


Verder beveelt de Onderzoeksraad aan dat de professionaliteit in het kindveiligheidsstelsel wordt vergroot. Dit kan gebeuren door het aanscherpen van professionele richtlijnen, het vaker inzetten van forensisch-medische kennis om letsel te beoordelen en het bevorderen van intern toezicht. Ook moeten beroepskrachten die zich zorgen maken over de veiligheid van een kind duidelijkere kaders krijgen wanneer zij wel of niet moeten melden en moet er een aanpak komen voor het voorkomen van herhaling bij dezelfde ouders. Tot slot pleit de Onderzoeksraad voor het leren van voorvallen door systematisch onderzoek naar de oorzaken en achtergronden van (fatale) voorvallen, zoals dat ook in Engeland gebeurt. De Onderzoeksraad voor Veiligheid verwacht betere resultaten van het leren van fouten dan van het invoeren van het tuchtrecht als middel tot professionalisering.


In Codex Medicus: Kindermishandeling


Bron: Onderzoeksraad Voor Veiligheid

Universeel griepvaccin in de maak dankzij Mexicaanse griep

Chicago, 12 januari 2011 - Het H1N1-griepvirus dat zich vanaf 2009 verspreidde heeft wereldwijd 60 miljoen mensen geïnfecteerd en biedt goede mogelijkheden voor onderzoekers van griepvaccins. Een Amerikaanse studie van de antilichaampjes van negen personen die tijdens de pandemie geïnfecteerd werden met Mexicaanse griep toont aan dat wetenschappers niet ver meer af zijn van een universeel griepvaccin.

Volgens de onderzoekers ontwikkelden de Mexicaanse grieppatiënten een ongewone weerstand waarbij zeldzame antilichaampjes werden aangemaakt die kunnen beschermen tegen alle H1N1-varianten van het laatste decennium, maar ook de dodelijke Spaanse griep, die in 1918 50 miljoen doden maakte, en zelfs tegen bepaalde varianten van de potentieel dodelijke vogelgriep.

Dergelijke antilichaampjes komen zelden voor na een seizoensgriep of een vaccinatie.

Levenslange bescherming
"Een universeel griepvaccin is dus echt mogelijk", zegt Patrick Wilson van de Universiteit van Chicago die de studie in de Journal of Experimental Medicine publiceerde.

Met het universele vaccin zou een einde komen aan de jaarlijkse race om tegen het begin van elk griepseizoen als eerste een werkend vaccin tegen de nieuwste variant van het griepvirus te ontwikkelen en te produceren. Bovendien zou een eenmalige spuit levenslang moeten beschermen.

Het kan zeker nog een vijftal jaar duren voordat een werkend vaccin effectief op de markt is.

In Codex Medicus: Aviaire influenza en NA-H1N1 subtype A

Bron: The Journal of Experimental Medicine

Rol van eiwit TG2 bij multipele sclerose onderzocht

Amsterdam, 11 januari 2011 - Miriam van Strien laat zien dat het eiwit TG2 een belangrijke rol speelt in verschillende pathologische aspecten van multipele sclerose. Remming van TG2 in een vroeg ziektestadium kan leiden tot een vermindering van klinische symptomen doordat de instroming van immuuncellen wordt geremd. Aan de andere kant kan het verhogen van het multifunctioneel eiwit TG2 in oligodendroyten voorlopercellen interessant zijn om remyelinisatie (herstel van myeline) in chronische demyelinisatie te stimuleren.

Van Strien promoveert op 21 januari op haar onderzoek.

In Codex Medicus: Multipele sclerose

Bron: Vrije Universiteit Amsterdam
Hersenafwijkingen bij familieleden van patiënten met schizofrenie


Utrecht, 7 januari 2011 - De studies in het proefschrift van Heleen Boos laten zien dat eerstegraads familieleden van patiënten met schizofrenie, en ouders in het bijzonder, subtiele hersenafwijkingen hebben. Deze verschillen in de structuren ten opzichte van gezonde controles lijken op de gebieden die aangedaan zijn bij patiënten met schizofrenie (maar in mindere mate). Echter, met het gebruik van verschillende neuroimaging-maten heeft de promovenda geen verschillen gevonden tussen niet-psychotische broers en zussen van patiënten en gezonde controles. Het is de vraag of de verschillen niet te subtiel zijn om met de huidige MRI-methoden op te kunnen pikken. Er is bewijs dat genen een belangrijke rol spelen in de ontwikkeling van schizofrenie en dat broers en zussen van patiënten een verhoogd risico hebben om deze ziekte te ontwikkelen.

 

In hoeverre genetische en/of omgevingsinvloeden betrokken zijn bij de oorzaak van hersenafwijkingen bij schizofrenie, zal nog verder moeten worden onderzocht.

 

In Codex Medicus: Schizofrenie

 

Bron: Universiteit Utrecht

Werking van erythropoietine (EPO) in hartfalen bestudeerd


Groningen, 6 januari 2011 - Hartfalen is een ernstige aandoening met een slechte prognose. Ook gaat hartfalen gepaard met veel bijkomende ziekten, waaronder bloedarmoede. Nieuwe behandelmethoden voor hartfalen zijn gewenst. Willem-Peter Ruifrok onderzocht de werking van erythropoietine (EPO) op hartfalen, waarbij hij keek naar bijkomende effecten van EPO en zijn rol in de vorming van rode bloedcellen.


Ruifrok toont aan dat EPO in gunstige zin bijdraagt aan de vorming van nieuwe bloedvaten in het hart bij hartfalen. Bij een verminderde werking van EPO gaat het aanpassingsvermogen bij inspanning achteruit in zowel de hartspier als de skeletspieren. Indien bloedarmoede bij hartfalen wordt veroorzaakt door slechter functioneren van het beenmerg, heeft EPO als behandeling voor deze vorm van bloedarmoede nauwelijks effect. De gunstige effecten van EPO bij hartfalen lijken te berusten op aan andere mechanismen dan die op de vorming van de rode bloedcellen alleen.


Willem-Peter Ruifrok (Groningen, 1978) promoveert op 12 januari a.s.


In Codex Medicus: Decompensatio cordis


Bron: rijksuniversiteit groningen

Jongeren gebaat bij heupprothese met botcement


Nijmegen, 5 januari 2011 - Jongeren die een heupprothese krijgen, zijn erg gebaat bij protheses met botcement. Dit blijkt uit onderzoek van de afdeling Orthopedie van het UMC St Radboud. De gecementeerde heupprotheses gaan veel langer mee. Na tien jaar is bij zo'n 83 procent van de jongeren de heup nog steeds goed, een opvallend hoog percentage.


Bij patiënten die heupklachten hebben door artrose (‘versleten heup'), biedt een heupprothese uitkomst. Slijtage komt vooral voor bij mensen boven de 50 jaar. Maar soms treft het ook jongeren, die bijvoorbeeld een vorm van reuma hebben. Daarnaast is er een toename van jongeren met een ernstige beschadiging van de heupkom door een ongeval. Ook voor hen is een heupprothese vaak de beste oplossing. Een heupprothese bestaat uit twee delen: een steel met een kop erop en een kom. De chirurg zaagt de kop van het dijbeen af en maakt een holte in het dijbeen, waarin de steel van de prothese wordt vastgezet. De nieuwe kom wordt in het bekken geplaatst. Heupprotheses hebben niet het eeuwige leven. Vaak is een tweede, vervangende operatie nodig. Deze kans is extra groot bij jongeren die een actief leven leiden en de heup veel blijven belasten.


Laagje botcement
Tien jaar lang volgde de afdeling Orthopedie 48 patiënten die voor hun 30-ste levensjaar een nieuwe heup nodig hadden. Zij kregen allemaal een gecementeerde heup, een heupprothese waarbij een laagje botcement tussen de nieuwe heupkom en het bekken aangebracht wordt. Orthopeed Wim Schreurs: ‘We passen deze methode al jaren als enige ziekenhuis standaard toe bij alle patiënten en hebben nooit gekozen voor de nieuwere resurfacing- of sportheupen, waarbij je metaal op metaal plaatst. Bij oudere patiënten functioneert de gecementeerde heup erg goed, dat wisten we al.  Jongeren zijn over het algemeen veel beweeglijker en actiever. Juist voor hen is het daarom extra belangrijk dat een heupprothese niet snel slijt. Uit ons onderzoek blijkt dat de gecementeerde methode ook bij hen duurzaam resultaat biedt en bijdraagt aan een hogere kwaliteit van leven. Want bij 83 procent van de jongeren blijkt de gecementeerde heup na tien jaar goed te functioneren en is vervanging nog niet noodzakelijk.'


In Codex Medicus: Botcement

Bron: UMC St Radboud

Veel rumoer vanwege online gezondheidsrisicotest


Amsterdam, 4 januari 2011 - Met behulp van een onlinetest kan iedereen zelf zijn of haar risico bepalen op de meest voorkomende aandoeningen in Nederland. De test bestaat uit vragen die gebaseerd zijn op de nieuwste richtlijnen en medische inzichten die door de huisartsen en medisch specialisten worden gebruikt. Na het invullen van de test toont de website in één oogopslag voor welke aandoening(en) een verhoogd risico geldt en welke risicofactoren kunnen worden beïnvloed.


De ziekten waarop de tests zijn gebaseerd, zijn de afgelopen vijf jaar geselecteerd op basis van vier criteria. Ze komen veelvuldig voor in Nederland, veroorzaken een grote ziektelast, zijn in een vroeg stadium te herkennen en goed behandelbaar als ze tijdig worden ontdekt.


Er zijn twee testen die mensen kunnen doen. Een gratis basistest die aangeeft hoeveel risico iemand loopt op hart- en vaatziekten, nierschade en suikerziekte. En een experttest, die naast hart- en vaatziekten, ook veelvoorkomende kanker en andere aandoeningen in beeld brengt. Deze test kost een kleine 20 euro.


De onlinetest werd al in 2008 als pilot gelanceerd. Nu is de test voor iedereen beschikbaar en wordt daarbij zowel positief als kritisch ontvangen. De Inspectie voor de Gezondheidszorg wil weten of de test niet in strijd is met de (privacy)wetgeving. En hoogleraar gezondheidskunde Guus Schrijvers vindt dat het Bronovo ziekenhuis de test niet zomaar op de markt had mogen brengen zonder vooraf goed wetenschappelijk onderzoek te doen. "Je kunt dit niet zomaar op de markt brengen. Ik vind dat geen stijl. De test is onzorgvuldig. Je zult eerst onderzoek moeten doen: hoeveel mensen maak je onnodig ongerust? En hoeveel mensen worden onterecht gerustgesteld? En denken gewoon door te kunnen gaan met een bepaalde levensstijl? Eerst goed kijken en goed volgen".


Chirurg Niggebrugge van het Bronovo ziekenhuis verwerpt de kritiek en geeft aan op welke officiële richtlijnen de testuitslag is gebaseerd. De chirurg denkt dat veel meer mensen worden gerustgesteld dan zich (meer) zorgen gaan maken.


In Codex Medicus: Preventie


Bron: Bronovo


Bron: BNR Nieuwsradio

De rol van MRI in de diagnostiek en prognose van multiple sclerose


Amsterdam, 3 januari 2011 - De gevolgen van MS komen pas tot uiting nadat de meeste hersengebieden zijn aangetast en elkaars functie niet meer kunnen overnemen. Dit blijkt uit het promotieonderzoek van Tijmen Korteweg.


Multiple sclerose is een aandoening van de hersenen en het ruggenmerg die al op jonge leeftijd kan lijden tot lichamelijke - en verstandelijke handicaps. Gezien de ernst van de ziekte is vroege behandeling belangrijk, voordat de handicaps zich kunnen ontwikkelen. Sinds 2001 zijn er internationale richtlijnen voor de diagnostiek van Multiple Sclerosis waarin MRI een belangrijke rol speelt. Een groot voordeel van de richtlijnen is dat nu de diagnose snel en vroeg in het ziekteverloop kan worden gesteld.


Korteweg testte de criteria voor MRI, zoals die zijn aangegeven in de richtlijnen, bij een grote groep patiënten. Mede hierdoor werd de accuratesse van MRI in de diagnostische richtlijnen bevestigd. Daarnaast werd duidelijk dat de MRI-criteria ingewikkeld zijn en zo mogelijk eenvoudiger moeten worden gemaakt om fouten bij het gebruik te voorkomen. Korteweg doet hiervoor een aantal voorstellen en geeft de beperkingen aan die ontstaan door de huidige MRI-techniek.


In het tweede deel beschrijft Korteweg het inzicht dat ontstond na het gebruik van meer geavanceerde MRI-technieken dat verlies van hersenweefsel pas op later tijdstip handicaps geeft. Door middel van functionele MRI toonde hij aan dat hersengebieden elkaars functie gedeeltelijk kunnen overnemen.


Korteweg promoveert op 11 januari.


In Codex Medicus: Multipele sclerose

Bron: Vrije Universiteit Amsterdam

Aantal huisbezoeken Belgische huisartsen daalt verder

Brussel, 31 december 2010 - 26 procent van de patiëntcontacten met Belgische huisartsen in 2009 was een huisbezoek. In 2006 was dat nog 29 procent. Daarbij is er een grote variatie tussen de huisartsen. Oudere huisartsen en mannelijke huisartsen leggen meer huisbezoeken af. Dat blijkt uit een analyse van de huisartsencontacten van 2009, uitgevoerd door Chirstelijke Mutualiteit (CM), het grootste ziekenfonds van België. CM verwacht dat het aandeel huisbezoeken verder zal dalen, en vindt dat een positieve trend. "Toch mag dit geen doel op zich zijn", zegt CM-voorzitter Marc Justaert, "want voor een bepaalde groep patiënten blijft het bezoek aan huis een belangrijke garantie voor de toegankelijkheid en de kwaliteit van onze gezondheidszorg."

Het aandeel huisbezoeken varieert sterk tussen de artsen: een tiende van de huisartsen legt niet meer dan 7 procent huisbezoeken af, terwijl één op de vier huisartsen meer dan 36 procent huisbezoeken aflegde.

Jongere artsen leggen verhoudingsgewijs minder huisbezoeken af dan hun oudere collega’s. En vrouwelijke huisartsen leggen verhoudingsgewijs minder huisbezoeken af dan hun mannelijke collega’s. Daarom verwacht CM dat het aantal huisbezoeken in de toekomst nog verder zal afnemen.

De keuze huisbezoek versus raadpleging van een huisarts is ook bepaald door het type patiënt en het ziektebeeld. Bij patiënten van 80 jaar of ouder legt een Belgische huisarts bijna drie keer meer huisbezoeken af dan dat hij patiënten in zijn praktijk ontvangt. Huisartsen met relatief veel hoogbejaarde of erg zorgafhankelijke patiënten leggen dus meer huisbezoeken af. We stellen vast dat oudere huisartsen gemiddeld ook oudere patiënten hebben dan jongere huisartsen. Ook vrouwelijke huisartsen hebben gemiddeld jongere patiënten dan hun mannelijke collega’s.

CM vindt de daling van het aantal huisbezoeken een positieve trend. Het comfort van de dokterspraktijk komt de kwaliteit van het werk van de huisarts ten goede. Anderzijds kan een huisbezoek zeer nuttig zijn, omdat het de huisarts in contact brengt met de leefomstandigheden van de patiënt. Deze daling mag echter geen doel op zich zijn. Door de vergrijzing van de bevolking zal het aantal patiënten waarbij een huisbezoek aangewezen of noodzakelijk is, toenemen. Marc Justaert: "We zullen dus een evenwicht moeten vinden tussen het comfort van raadplegingen in het kabinet en de noden van specifieke patiënten anderzijds. Wij moeten dus oog blijven hebben voor de toegankelijkheid en de kwaliteit van de zorg."

In Codex Medicus: Huisbezoek

Bron: Cristelijke Mutualiteit
Acute myeloïde leukemie: nieuwe inzichten in genetische afwijkingen


Groningen, 28 december 2010 - Hoe hoger de expressie van het gen VEGFC, hoe slechter acute myeloïde leukemie (AML) te behandelen is. Dat blijkt uit onderzoek van promovendus Henk-Marijn de Jonge.


AML is een levensbedreigende vorm van bloedkanker. Door een snelle woekering van kwaadaardige leukemiecellen raakt bij deze ziekte de normale bloedaanmaak verstoord. De afgelopen decennia zijn de vooruitzichten voor AML-patiënten verbeterd: de diagnose is nauwkeuriger geworden en er zijn meer behandelmogelijkheden beschikbaar.


Meer inzicht in de onderliggende genetische afwijkingen in AML kan helpen de behandeling verder te verbeteren, zo verwachten onderzoekers. Promovendus Henk-Marijn de Jonge verrichtte onderzoek op dit vlak. Met behulp van genexpressieanalyse ontdekte hij dat het gen, vasculaire endotheliale groeifactor-C (VEGFC) gerelateerd is aan de gevoeligheid voor chemotherapie. Hoe hoger AML-cellen dit VEGFC maken, hoe ongevoeliger ze zijn voor chemotherapie.


Uit eerder onderzoek is bekend dat oudere patiënten met AML slechter reageren op chemotherapie en een kortere overleving hebben. De Jonge onderzocht welke genen verschilden tussen AML-cellen van oudere ten opzichte van jongere patiënten. Het tumorsuppresor-gen p16INK4A was een van de genen die sterk verschilden. In gezonde weefsels van ouderen komt dit gen hoger tot expressie dan bij jongeren, maar in AML-cellen van oudere patiënten komt het juist lager tot expressie. Dit wijst erop dat het p16INK4A-gen wellicht een rol speelt in de ontwikkeling van AML in oudere patiënten. Hiernaar moet nader onderzoek worden verricht.


De Jonge promoveert 5 januari.

In Codex Medicus: Acute myeloïde leukemie

Bron: rijksuniversiteit groningen

Wat is de toekomst van adaptief testen bij beginnende dementie?


Amsterdam, 27 december 2010 - Cognitieve tests zoals de Mini Mental State Examination (de MMSE) worden gebruikt voor de diagnostiek van beginnende dementie. De totaalscore vormt daarbij een maat voor cognitieve achteruitgang. Veel artsen kiezen ervoor korte tests zoals de MMSE af te nemen, terwijl andere tests preciezer zijn. Hans Wouters onderzocht of adaptief testen een oplossing kan zijn. Daarbij wordt cognitieve achteruitgang geschat door alleen maar vragen en opdrachten te kiezen die niet te moeilijk of te gemakkelijk zijn. Dit gebeurt met behulp van een algoritme, dat een moeilijkere vraag kiest na een goed antwoord en een makkelijkere vraag na een fout antwoord. Dat maakt het testen flexibeler.


Hans Wouters promoveert 11 januari op zijn onderzoek.


In Codex Medicus: Dementie


In Codex Medicus: Ziekte van Alzheimer


Bron: Universiteit van Amsterdam

Uitstekende resultaten cryotherapie bij bottumoren


Nijmegen, 23 december 2010 - Voor het weghalen van een tumor is het vaak noodzakelijk dat een ruime marge gezond weefsel eveneens weggesneden wordt. Om met minder uitgebreide chirurgie toch hetzelfde oncologische resultaat te bereiken, maar met minder functionele beperkingen voor de patiënt, worden lokaal aanvullende behandelingen toegepast.

Uitstekende resultaten
Cryochirurgie is een techniek waarbij vloeibaar stikstof wordt gebruikt om het omgevende weefsel te bevriezen na het weghalen van de tumor. Orthopedisch chirurg Ingrid van der Geest toont aan dat cryochirurgie tot uitstekende oncologische en functionele resultaten leidt bij verschillende goed- en kwaadaardige bottumoren.

Vermoeidheid
Van der Geest onderzocht daarnaast de vermoeidheid van deze patiënten. Bijna 38 procent van de patiënten met goedaardige of laaggradig kwaadaardige bottumoren was ernstig vermoeid bij de diagnose. Dit percentage bleef hoog tijdens de follow-up. Deze ernstige vermoeidheid kwam het meest voor bij vrouwen. Daarnaast is het gerelateerd aan de geringe eigen beïnvloedingsmogelijkheden, verhoogde angst en pijn.

 

Van der Geest promoveert 12 januari.

 

In Codex Medicus: Tumoren van bot en weke delen van het steun- en bewegingsapparaat

Bron: UMC St Radboud

Wat cocaïne doet met je hersenen


Utrecht, 22 december 2010 - Drugsverslaving is een ernstige neuropsychiatrische stoornis. Er is nog steeds geen therapie beschikbaar waarmee drugsverslaving effectief behandeld kan worden. Maartje Veeneman-Rijkens onderzocht de rol van dopamine, een signaalstof in de hersenen, bij cocaïneverslaving. Ze concludeert dat deze signaalstof een belangrijke rol speelt bij cocaïnegebruik, echter via andere hersenmechanismen dan tot dusver werd verondersteld. Dit onderzoek draagt bij aan de kennis van de mechanismen in de hersenen die ten grondslag liggen aan verslaving. Op termijn is daarmee wellicht de ontwikkeling van een effectief geneesmiddel mogelijk.


De wetenschap gaat ervan uit dat de ontwikkeling van verslaving gepaard gaat met functionele veranderingen in een hersengebied dat het striatum genoemd wordt. Deze veranderingen zouden zich binnen dit gebied van beneden (het ventrale striatum) naar boven (het dorsolaterale striatum) verspreiden naarmate de ervaring met drugs toeneemt. Het ventrale striatum wordt daarom van belang geacht tijdens de vroege stadia van verslaafd raken, wanneer drugsgebruik nog steeds een bewuste en doelgerichte actie is. Het dorsolaterale striatum zou pas betrokken raken na langdurig drugsgebruik, wanneer de gebruiker de controle over zijn drugsgebruik kwijtraakt en daadwerkelijk verslaafd raakt.


Maartje Veeneman-Rijkens promoveert op 7 januari en bestudeerde de rol van dopamine in deze striatale gebieden tijdens de vroege stadia van verslaafd raken. In tegenstelling tot wat eerder gedacht werd wijzen deze resultaten erop, dat dopamine in het dorsolaterale striatum al na beperkt cocaïnegebruik een rol speelt bij de belonende waarde van cocaïne.


In Codex Medicus: Cocaïne


In Codex Medicus: Dopamine


Bron: Universiteit Utrecht

Betere behandeling artritis met gentherapie


Nijmegen, 21 december 2010 - Hoewel biologicals de behandeling van reumatoïde artritis enorm hebben verbeterd, kleven er ook nadelen aan. Jeroen Geurts, biochemicus in het UMC St Radboud, stelt dat gentherapie de behandeling in de nabije toekomst verder kan verbeteren. Bijvoorbeeld door plaatselijk een gen in te bouwen dat uitsluitend geneesmiddelen maakt als het gewricht gaat ontsteken. Zo'n ontstekingsgevoelige ‘dokter in de knie' kan schadelijke bijwerkingen van de huidige middelen terugdringen.


Reumatoïde artritis (RA) is een chronische ontstekingsziekte die vooral de gewrichten aantast. De ontsteking ontstaat door een immuunreactie tegen lichaamseigen stoffen. Zonder behandeling leidt de aandoening tot onherstelbare schade aan bot en kraakbeen en (ernstige) invaliditeit. De behandeling is het afgelopen decennium enorm verbeterd door de introductie van biologicals; geneesmiddelen van natuurlijke eiwitten die ontstekingsfactoren gericht neutraliseren en zo de ontsteking dempen.


Moleculaire vrachtwagensToch heeft de behandeling met biologicals ook beperkingen, stelt Jeroen Geurts in zijn proefschrift ‘De dokter van binnenuit'. Op de eerste plaats lukt het bij vier van de vijf patiënten niet om de ziekte met biologicals sterk terug te dringen. Daarnaast onderdrukken biologicals ook de algemene afweer waardoor infecties meer kans krijgen. En niet in de laatste plaats: het gebruik van biologicals kost per patiënt jaarlijks tussen de tien- en twintigduizend euro.


Vandaar dat Geurts op zoek is gegaan naar een alternatieve behandeling in de vorm van lokale gentherapie. Kortom, wat zijn de kansen om een dokter in de gewrichten te stoppen? Op de eerste plaats heb je dan een moleculaire vrachtwagen nodig, die het gewenste gen - de dokter - op de juiste plaats in de gewrichten brengt. Geurts: ""Daar gebruiken we zogeheten vectoren voor, dat zijn in feite uitgeklede virussen waar we dan een gen in stoppen. Ons onderzoek wijst uit dat adenovirale en lentivirale vectoren uitstekende vrachtwagens zijn. Als we ze inspuiten in een gewricht, zoeken ze vrijwel allemaal cellen op aan de binnenkant van het gewrichtskapsel. Voor het daadwerkelijk inbouwen van het gen in het erfelijk materiaal van de ontvangende cel blijken vooral de lentivirussen erg geschikt."


Ontstekingsgevoelige dokter
Een dokter, die bijvoorbeeld in de knie is ingebouwd, moet niet voortdurend actief zijn. Eigenlijk moet hij alleen werken op de momenten dat het echt nodig is, dus wanneer de ontsteking weer opvlamt. Met hulp van de bioinformatica vond Geurts een stukje DNA (een promoter) dat aan die voorwaarden voldoet. Geurts: "Het gaat om een promoter van het serum amyloid A3 gen - kortweg Saa3. Normaal is die promoter nauwelijks actief, maar bij een ontsteking gaat hij ongeveer twintig keer harder werken. Daarmee is Saa3 dus een ideale kandidaat voor een gedoseerd alarmsignaal, want hij roept alleen om een dokter als dat ook echt nodig is."


Vervolgens onderzocht Geurts of interleukine-4 (IL-4) een geschikte dokter is voor deze vorm van gentherapie. IL-4 is een eiwit dat de aanjagers van kraakbeenschade al in een vroeg stadium afremt. Bij langdurig gebruik en in hoge doseringen is IL-4 juist schadelijk voor het gewricht. Om een zo realistisch mogelijk effect van IL-4 te krijgen, maakte Geurts gebruik van muizen met artritis. Een deel van de muizen kreeg het gen voor IL-4 ingebouwd in combinatie met de ontstekingsafhankelijke promoter. Een ander deel kreeg daarentegen een gen ingebouwd dat voortdurend IL-4 produceerde.


Minder schade
Geurts: "Zowel continue als ontstekingsafhankelijke productie van IL-4 tijdens artritis beschermt goed tegen afbraak van kraakbeen. Maar nog belangrijker: de ontstekingsafhankelijke methode geeft veel minder schadelijke bijwerkingen omdat er nauwelijks IL-4 wordt aangemaakt als het gewricht niet is ontstoken. Het gebruik van ontstekingsafhankelijke promoters leidt zo tot een veiligere vorm van gentherapie. De techniek is ontwikkeld voor reumatoïde artritis, maar kan in principe bij meerdere ziekten worden toegepast."


In Codex Medicus: Reumatoïde artritis


In Codex Medicus: Biologicals

Bron: UMC St Radboud

Snellere en betrouwbare diagnose van eierstokkanker is mogelijk


Leuven, 17 december 2010 - Bij cysten en tumoren van de eierstokken is het cruciaal om op een betrouwbare en snelle manier goedaardige en kwaadaardige te onderscheiden. Dit maakt een groot verschil voor een operatie en voor het welzijn van de patiënt. Dankzij een set uiterlijke kenmerken van de tumor kan bij een echografie nu snel en eenvoudig een triage gebeuren. Dat blijkt uit een studie onder leiding van professor Dirk Timmerman, kliniekhoofd gynaecologie in het UZ Leuven.


Eierstokkanker - een kwaadaardige tumor in de eierstok - staat bekend als een sluipmoordenaar, omdat de ziekte meestal weinig klachten geeft. Daardoor wordt de diagnose dikwijls in een zeer laat stadium gesteld. Bij eierstokkanker bestaat de behandeling uit laparotomie, eventueel voorafgegaan door chemotherapie. Een laparotomie is een klassieke open operatie met een grote insnede waarbij alle tumorweefsel moet worden weggesneden. Bij de meeste cysten in de eierstokken gaat het echter om goedaardige gezwellen, die vanzelf verdwijnen. Indien toch een operatie nodig blijkt, kan dat met laparoscopie ofwel sleutelgatchirurgie. Enkel de cyste wordt weggesneden via een zeer kleine insnede.


De echografie - beeldvorming met ultrasone geluidsgolven - is cruciaal, legt Dirk Timmerman uit: "Het is bij de echografie niet steeds gemakkelijk om de verschillende types tumoren te onderscheiden, maar het maakt voor de behandeling wel een groot verschil uit. Bij de operatie van een kwaadaardige tumor is het van belang de tumor niet te openen. Zoniet verspreiden de kankercellen zich in de buikholte en dat vermindert de overlevingskansen van de patiënt. Omgekeerd, bij een goedaardige tumor - en zeker bij jonge vrouwen met kinderwens - proberen we uiteraard een nutteloze operatie vermijden: bij een verkeerde diagnose neemt men soms ten onrechte de hele eierstok weg, het geeft een groot litteken op de buikwand en het betekent ook een langer verblijf in het ziekenhuis."


Binnen de groep International Ovarian Tumor Analysis (IOTA), een internationale samenwerking met echocentra van andere landen en met een interdisciplinair team van artsen, ingenieurs en biostatistici van het departement Elektrotechniek, afdeling ESAT-SCD, aan de K.U.Leuven, ontwikkelde coördinator Timmerman samen met dr. Lieveke Ameye en prof. Sabine Van Huffel uit ESAT-SCD een set regels om bij de echo uitsluitsel te geven. Er was nood aan een eenvoudige methode, verduidelijkt Timmerman. "Bestaande tests waren ofwel duur en omslachtig, ofwel onbetrouwbaar. Er bestaan wiskundige modellen om types tumoren te onderscheiden, maar daarvoor heb je een computer nodig bij de echografie. Dat is bijvoorbeeld in ontwikkelingslanden niet altijd mogelijk. En niet in alle landen is de persoon die de echo uitvoert een arts of een ervaren onderzoeker."


Bij de set regels voor de echo gaat het om al dan niet terug te vinden uiterlijke kenmerken: de onregelmatige en solide vorm, de diameter, de uitstulpingen, de holtes, de bloedstroom, de verkalking enzovoort. Als een cyste één van 5 kenmerken van een goedaardige tumor of één van 5 kenmerken van een kwaadaardige tumor vertoont, wordt ze geklasseerd als goed- of kwaadaardig. De procedure werd uitgetest met bijna 2.000 vrouwen die nadien werden geopereerd. In 77% bleken de regels toepasbaar en na onderzoek van de verwijderde tumor bleek dat de regels zeer betrouwbaar goed- en kwaadaardigheid voorspelden. In de andere gevallen - als er geen of tegenstrijdige kenmerken aanwezig zijn - geven de regels geen uitsluitsel en is de beoordeling door een ervaren echografist de beste methode.


In België worden jaarlijks ongeveer duizend nieuwe diagnosen van eierstokkanker gesteld, waarvan een 600-tal in Vlaanderen. Wereldwijd gaat het jaarlijks over honderdduizenden vrouwen met eierstokkanker. Omdat de symptomen van eierstokkanker zoals vage buikpijn of een opgeblazen gevoel zo weinig specifiek zijn, is het belangrijk om bij klachten (gezwollen buik, verlies van eetlust, pijn, abnormale bloedingen) dat goed te laten nakijken. Bij het gynaecologisch onderzoek dat elke vrouw best jaarlijks laat uitvoeren, controleert de arts naast het borstonderzoek ook of de eierstokken niet vergroot of abnormaal aanvoelen. Het uitstrijkje dient ter preventie van een ander type kanker, namelijk van de baarmoederhals.


In Codex Medicus: Carcinoom van het ovarium

Bron: Dagkrant KU Leuven

Behandeling op maat bij fibromyalgie helpt


Nijmegen, 16 december 2010 - Een groot deel van patiënten met fibromyalgie heeft baat bij een gerichte groepsbehandeling, bestaande uit een combinatie van oefentherapie en cognitieve gedragstherapie. Dit blijkt uit het proefschrift van psychologe drs. Saskia van Koulil, verbonden aan de afdeling Medische Psychologie van het UMC St Radboud. Zij promoveert morgen op onderzoek bij patiënten van de Sint Maartenskliniek.


Fibromyalgie is een chronische pijnaandoening, die veel voorkomt: bij twee tot tien procent van de bevolking. De voornaamste klachten zijn pijn, stijfheid, slapeloosheid en vermoeidheid. Deze klachten gaan vaak samen met bewegingsproblemen, angst en depressiviteit. De exacte oorzaak van fibromyalgie is onbekend, maar de invloed ervan op de kwaliteit van leven van de patiënt is groot. Fibromyalgie wordt gerekend tot de reumatische ziekten. Er zijn geen geneesmiddelen om de aandoening te genezen. Patiënten nemen vaak hun toevlucht tot pijnstillende, slaapbevorderende of kalmerende middelen, doorgaans met weinig resultaat.


Individuele verschillen
De Sint Maartenskliniek heeft een therapie voor fibromyalgie ontwikkeld die een combinatie is van cognitieve gedragstherapie en oefentherapie. Ook elders in Nederland en in het buitenland experimenteren medische centra hiermee. Promovenda Saskia van Koulil legt uit: ‘In de Sint Maartenskliniek gaat het om een intensieve groepsbehandeling van twee maal per week gedurende acht weken. Naast cognitieve gedragstherapie krijgen de deelnemers gerichte oefentherapie, ontspanningsoefeningen en hydrotherapie om op een goede manier te leren bewegen. Ze leren al met al om constructief tegen hun aandoening aan te kijken en er gedragsmatig en mentaal beter mee om te gaan.'


De resultaten van de behandeling verschillen van patiënt tot patiënt. Van Koulil deed onderzoek naar mogelijkheden om de combinatietherapie te verbeteren. Zij zegt: ‘Patiënten krijgen doorgaans één en dezelfde behandeling, er wordt geen rekening gehouden met individuele verschillen. Zo zijn er patiënten met fibromyalgie die relatief goed met de ziekte kunnen omgaan. Voor hen lijkt de meerwaarde van de intensieve combinatietherapie beperkt. Maar anderen lopen in het dagelijks leven vast, ze kunnen hun klachten niet hanteren. Voor die patiënten is de behandeling wel nuttig.'


Profiel
Het is daarom van belang om de deelnemers aan de behandeling vooraf te screenen, aldus Van Koulil, zodat alleen degenen geselecteerd worden die er baat bij kunnen hebben. Haar promotieonderzoek bevestigt dit. Maar behalve door selectie werd de therapie ook vernieuwd door hem af te stemmen op het profiel van de patiënt. Van Koulil: ‘Mensen met fibromyalgie kun je grofweg indelen in twee groepen. Sommige patiënten proberen te voorkómen dat ze pijn krijgen, door minder te bewegen en hun activiteiten te beperken. Daardoor gaat hun conditie achteruit en raken ze in een maatschappelijk isolement. En de klachten blijven of verergeren zelfs. De andere groep verzet zich juist tegen de pijn door actief te zijn. Ze hopen dat de klachten overgaan als je ze negeert. Ook die strategie heeft zelden succes.'


Van Koulil toont aan, dat het zinvol is om deze twee groepen patiënten voorafgaand aan de behandeling uit elkaar te halen en hen afzonderlijke programma's aan te bieden; meer maatwerk dus. ‘Uit mijn onderzoek is gebleken dat deze aanpak inderdaad werkt. De ene groep leert om de angst voor bewegen te overwinnen, de andere groep leert om overbelasting te voorkomen. Beide groepen geven na afloop van de therapie aan dat de pijn, vermoeidheid en andere klachten duidelijk afgenomen zijn en dat de negatieve impact van de ziekte op hun dagelijks leven kleiner is geworden. Zes maanden later is dat gunstige effect er nog steeds.'


In Codex Medicus: Fibromyalgiesyndroom


Bron: UMC St Radboud

Geen uitbreiding nodig van doelgroep Q-koortsvaccinatie


Den Haag, 14 december 2010  De Gezondheidsraad ziet op dit moment geen aanleiding voor uitbreiding van de doelgroep van de Q-koortsvaccinatie. De raad blijft bij beperkte vaccinatie, namelijk van sommige groepen patiënten met hart en vaatziekten die een groter risico lopen op complicaties bij Q-koorts. Dat stelt de Gezondheidsraad in een advies aan de minister van VWS.


In Codex Medicus: Q-koorts


Bron: Gezondheidsraad
   

Sms'jes verbeteren behandeling van te dikke kinderen


Rotterdam, 13 december 2010 - Kinderen die een behandeling volgen om van hun overgewicht af te komen, hebben baat bij sms-berichten op hun mobieltjes. Kinderen die motiverende sms'jes krijgen, stoppen minder vaak voortijdig met hun behandeling. Dat blijkt uit promotie-onderzoek van Judith de Niet van het Erasmus MC.


Dikke Vrienden Club
De kinderen in het onderzoek volgden de Dikke Vrienden Club. Dat is een leefstijlbehandeling van een jaar die kinderen en hun ouders onder andere leert om eet- en beweeggewoonten te veranderen. De kinderen zijn tussen de 7 en 12 jaar oud. Een deel van de kinderen kreeg een extra 'behandeling' met sms'jes. Ze sms'ten elke week aan de onderzoekers hoe hun voeding- en beweeggedrag en hun stemming de afgelopen week was. De kinderen kregen vervolgens op maat gesneden motiverende en steunende feedback terug. Bij kinderen die deze sms'jes kregen, lag de uitval ruim drie keer zo laag als bij de kinderen die geen berichten kregen.


Gezondheidrisico's
Behandelingen tegen overgewicht en obesitas mislukken vaak doordat families te snel opgeven. Bij het aanpakken van overgewicht is het belangrijk dat kinderen hun behandeling volhouden. ‘En er is tijd voor nodig om de leefstijl, de hoeveelheid lichaamsbeweging en het voedingspatroon blijvend te veranderen', zegt De Niet, onderzoeker op de afdeling Medische Psychologie en Psychotherapie van het Erasmus MC. Zo'n 15 procent van de Nederlandse kinderen is te zwaar en loopt daardoor gezondheidsrisico's.


Vervolgonderzoek
De onderzoekster pleit voor verder onderzoek naar het inzetten van nieuwe technologie, zoals sms'jes bij het behandelen van overgewicht en obesitas. ‘We hebben een eerste stap gezet om ervoor te zorgen dat jongeren trouwer hun behandeling volgen. Er is echter vervolgonderzoek nodig om een verandering in gezondheidsgedrag aan te tonen. Als dat lukt, hebben we een simpele en relatief goedkope manier gevonden met veel mogelijkheden om kinderen met overgewicht te helpen.
 

In Codex Medicus: Overgewicht en obesitas


Bron: Erasmus MC

Nieuwe strategieën in de strijd tegen hiv


Gent (B), 10 december 2010 - Vandaag vindt in het UZGent een symposium plaats waar de onderzoekers van het HIV-STOP netwerk de nieuwste ontwikkelingen in de strijd tegen hiv-besmetting voorstellen. Wetenschappers wereldwijd buigen zich nog steeds over het fenomeen hiv-infectie. De zoektocht naar nieuwe therapieën blijft noodzakelijk om de ontwikkeling van de ziekte af te remmen wanneer de bestaande medicatie het laat afweten, en om het hiv-virus te bestrijden. Tijdens het symposium worden de nieuwe strategieën voorgesteld.


Het Interuniversitair Attractie Pool netwerk HIV-STOP, gesteund door het Federaal Wetenschapsbeleid BELSPO, bestaat uit leidinggevende HIV research centra in Antwerpen, Amsterdam, Gent, Leuven en Luik. Zij doen onderzoek naar innoverende behandelingsstrategieën die de ontwikkeling en verspreiding van AIDS kunnen tegengaan.

De Interuniversitair Attractie Pool netwerken worden gesteund door de federale overheid en hebben tot doel de krachten van onderzoekers van beide gemeenschappen te bundelen rond diverse thema’s in alle wetenschappelijke disciplines. Ze worden internationaal erkend als performante consortia. Door de huidige politieke impasse zijn ze echter in hun toekomst bedreigd. Het opheffen van deze consortia zou nadelig zijn voor het innovatief potentieel en de kenniseconomie in Vlaanderen.

In Codex Medicus: Humaan immunodeficiëntievirus

Bron: Universiteit Gent

Nauwkeurig opsporen prostaatkanker dankzij ultrageluid


Eindhoven, 8 december 2010 - De opsporing van prostaatkanker is tot nu toe onnauwkeurig en onaangenaam. Onderzoekers van de TU/e hebben in samenwerking met het AMC Amsterdam nu een beeldvormingstechniek ontwikkeld die nauwkeurig tumoren in de prostaat kan lokaliseren. En waarschijnlijk ook kan zien hoe agressief de tumoren zijn. Dit kan leiden tot betere, meer gerichte behandeling, en kostenbesparing in de zorg.


Prostaatkanker is de meest voorkomende vorm van kanker onder mannen. Jaarlijks wordt prostaatkanker in de VS alleen al bij zo'n 200.000 mannen vastgesteld, in Nederland bij 10.000 man per jaar. De opsporing is echter nog rudimentair. Na vaststelling van een verhoogde PSA-waarde (Prostaat Specifiek Antigeen) in het bloed, wordt biopsie gedaan, om te kijken of er een tumor zit in de prostaat. Maar de PSA-waarde is geen bijzonder goede indicator: tweederde van alle biopsies blijkt achteraf niet nodig te zijn geweest.


Ongericht
Ook de biopsies hebben hun nadelen: ze zijn niet 'gericht', er wordt met 6 tot 12 naalden 'random' weefsel weggenomen. Maar de kans is groot dat de naalden naast de tumoren prikken, waardoor de uitslag van de test onterecht negatief is. Bij ongeveer een derde van alle negatieve biopsie-uitslagen blijkt er later toch een tumor te zitten. Bovendien grijpen artsen na een positieve biopsie vaak in, maar treffen bij de operatie een dusdanig kleine tumor aan dat ze beter niet hadden kunnen opereren.


Agressief
Bij de nieuwe techniek worden microbubbels ingespoten, een contrastmiddel zonder bijwerkingen. De minuscule bubbels reageren anders op ultrageluid dan menselijk weefsel of bloed, waardoor ze van buitenaf te volgen zijn, tot in de kleinste bloedvaatjes toe. Tumoren zijn herkenbaar doordat de bloedvaatjes in de tumoren een ander patroon hebben dan in gezond weefsel. De onderzoekers distilleren dit patroon uit een geavanceerde analyse van de waargenomen concentraties van microbubbels. Doordat tumoren bloed, en dus nieuwe bloedvaatjes nodig hebben om te groeien, verwachten de onderzoekers aan het patroon van bloedvaatjes ook te kunnen zien hoe agressief de kanker is.


Van vier patiënten waarop de onderzoekers de techniek hebben getest, werd later de aangetaste prostaat verwijderd. De plaats van de tumoren bleek nauwkeurig te kloppen met de beelden van de nieuwe techniek, vertelt dr.ir. Massimo Mischi van de TU/e-faculteit Electrical Engineering. Hij maakte deze eerste, veelbelovende resultaten onlangs bekend op een wetenschappelijke conferentie in Chicago.


Zonder biopsies
Komend jaar gaat het onderzoeksteam een pilot doen met biopsies, ondersteund door de beelden van de nieuwe techniek. Daardoor zijn de biopsies wel gericht, en dus veel doeltreffender. In een volgende stap wordt de ultrageluidtechniek gebruikt om te kijken of een biopsie wel of niet nodig is, waardoor het aantal biopsies danig zal afnemen. De onderzoekers verwachten dat de techniek hiervoor over vijf jaar beschikbaar is in het ziekenhuis. Het uiteindelijke doel is dat artsen geheel op basis van de beelden kunnen beslissen welke ingreep nodig is, zonder biopsies.


Al met al kunnen artsen straks veel gerichter ingrijpen, verwacht prof.dr.ir. Hessel Wijkstra, hoofd van het urologische onderzoek binnen het AMC. Wijkstra is per 1 november tevens deeltijdhoogleraar aan de TU/e op het gebied van Hemodynamic Contrast Sonography. Hij denkt dat er bovendien minder vaak overbodige ingrepen zullen zijn. Soms zullen artsen bijvoorbeeld beslissen om kleine, niet-agressieve tumoren te laten zitten, en de tumor te gaan monitoren. Dit als een tumor geen klachten geeft én geen groot gevaar oplevert voor de gezondheid van de patiënt; een operatieve ingreep zou in die gevallen belastender zijn dan de tumor. Een bijkomend voordeel hiervan is dat de totale kosten zullen dalen.


In Codex Medicus: Prostaatcarcinoom

Bron: Technische Universiteit Eindhoven

Chronische nierziekte goed te voorspellen


Groningen, 7 december 2010 - Een sterk verhoogde eiwitconcentratie in de urine is een goede voorspeller voor snelle nierfunctieachteruitgang, blijkt uit onderzoek van promovenda Nynke Halbesma. Dit kan bijdragen aan het voorkomen van nierdialyse en niertransplantatie.


Halbesma gebruikte de gegevens van een studie waarin zesenhalf jaar lang ruim 8.500 mensen werden gevolgd. Ze vond dat een sterke verslechtering van de nierfunctie wordt aangekondigd door macroalbuminurie, ofwel een verlies van veel eiwit via de urine.


Chronische nierziekten zijn in een vroeg stadium vaak moeilijk te herkennen. Mensen hebben dan ook nog geen duidelijke klachten. Daardoor worden nierziekten vaak pas in een vergevorderd stadium gediagnosticeerd. Dankzij het onderzoek van Halbesma kan eerder worden ingegrepen.


Halbesma ontdekte dat naast eiwitverlies ook een hoge bloeddruk en een hoge bloedsuikerspiegel een afname van de nierfunctie kunnen aankondigen. Bij vrouwen is een verhoogd cholesterol ook een voorspeller voor nierfunctieachteruitgang.


Nynke Halbesma promoveert volgende week woensdag 15 december op haar proefschrift: "Predictors of accelerated renal function decline in the general population".


In Codex Medicus: Chronische nierinsufficiëntie


Bron: rijksuniversiteit groningen

COPD wordt vaak niet ontdekt


Utrecht, 6 december 2010 - Uit een diagnostisch onderzoek in de Nederlandse huisartspraktijk (uitgevoerd tussen 2006 en 2009) bleek dat een groot deel van de mensen die voor langdurige hoestklachten bij de huisarts kwamen, tot dan toe onontdekt COPD (29%) hadden. Dat blijkt uit het promotieonderzoek van Lidewij Broekhuizen.

Broekhuizen voerde tussen 2006 en 2009 een diagnostisch onderzoek uit in de Nederlandse huisartspraktijk. Hierin werd gemeten hoe vaak - nog niet eerder ontdekt - COPD voorkwam bij mensen met langdurige hoest, en wat de waarde was van de verschillende testen die gebruikt worden voor COPD.


Er werden 400 patiënten onderzocht, die ouder waren dan 50, de huisarts consulteerden met langdurige hoestklachten, en nog niet bekend waren met COPD. Deze patiënten ondergingen uitgebreide diagnostiek naar COPD, waaronder anamnese, lichamelijk onderzoek, spirometrie en volledig longfunctieonderzoek. Een expertpanel van een longarts en een huisarts beslisten samen of sprake was van COPD of niet, nadat zij alle gegevens van de patiënt hadden bestudeerd.


Lidewij Broekhuizen promoveert 9 december a.s.


In Codex Medicus: COPD

Bron: Universiteit Utrecht

Loopproblemen bij Parkinson gerelateerd aan twee hersengebieden

Nijmegen, 3 december 2010 - Hersenonderzoek bij parkinsonpatiënten levert nieuwe aanknopingspunten op voor hersenstimulatie, als behandeling voor hun loopproblemen. Dit blijkt uit een publicatie van het invloedrijke tijdschrift Brain, door onderzoekers van het UMC St Radboud en het Donders Instituut in Nijmegen.


‘Bevriezen’ van de benen
Het ‘bevriezen’ van de benen tijdens het lopen is een invaliderend en mysterieus symptoom van de ziekte van Parkinson. De patiënt heeft het gevoel alsof de voeten plotseling aan de grond vastgevroren zitten. Dit leidt vaak tot vallen, met alle gevolgen van dien.

Onderzoek naar verantwoordelijk hersengebied
Neurologe in opleiding drs. Anke Snijders heeft samen met neuroloog prof.dr. Bas Bloem en hersenonderzoeker dr. Ivan Toni achterhaald welke hersengebieden voor dit bevriezen verantwoordelijk zijn. Ze deden dit, door met behulp van functionele MRI de hersenactiviteit te vergelijken van parkinsonpatiënten mét deze specifieke klacht, patiënten zonder deze klacht en gezonde controles.

 

Ingebeelde beweging om hersengebieden te stimuleren
Om bruikbare informatie te krijgen moeten mensen in de MRI-scanner stil blijven liggen. Daarom was er een speciale kunstgreep nodig om juist die hersenactiviteit vast te leggen, die gepaard gaat met bewegen. De proefpersonen werd gevraagd om zich, liggend in de scanner, in te beelden dat ze aan het lopen waren. Het inbeelden van een taak veroorzaakt in dezelfde hersengebieden activiteit als het feitelijk uitvoeren van een taak. Met een speciaal ontwikkelde aanpak werd gecontroleerd of de proefpersonen daadwerkelijk deden wat hen gevraagd was.

Combinatie van twee hersenproblemen veroorzaakt bevriezen
De onderzoekers ontdekten dat het bevriezen ontstaat door een combinatie van twee hersenproblemen. Om te beginnen ontstaat er in de hersenschors een probleem in het gedeelte, dat betrokken is bij het selecteren van de juiste beweging. Daarnaast treden er haperingen op in een specifiek gebied in de hersenstam, dat bij gezonde mensen de problemen van de hersenschors kan compenseren. Dit laatste verklaart waarom er bij gewoon rechtuit lopen meestal geen sprake is van bevriezen, maar wel bij snelle veranderingen van het looppatroon, zoals draaien of beginnen met lopen.

Onderzoek naar magneetstimulatie als behandeling
Dit onderzoek levert nieuwe mogelijke doelwitten op voor diepe hersenstimulatie, een behandeling voor diverse symptomen van de ziekte van Parkinson. Het UMC St Radboud en het Donders Instituut onderzoeken of ook magneetstimulatie, gericht op de gevonden hersengebieden, een effectieve behandeling kan zijn. Bij diepe hersenstimulatie moeten er elektroden binnen in de hersenen geplaatst worden, bij magneetstimulatie is dat niet nodig.

In Codex Medicus: Ziekte van Parkinson

Bron: UMC St Radboud

Zorg rond operatie borstkanker verantwoord


Utrecht, 2 december 2010 - Het zorgproces in Nederlandse ziekenhuizen rond de operatie van borstkanker is verantwoord en bovendien de laatste jaren verbeterd. Dat blijkt uit onderzoek van de Inspectie voor de Gezondheidszorg. De inspectie onderzocht bij 47 ziekenhuizen het proces van preoperatieve diagnostiek, de aanwezigheid van multidisciplinair overleg tijdens diagnose en behandeling en de mate van concentratie van de chirurgische behandeling bij een beperkt aantal chirurgen.


Multidisciplinair
In 2009 vond in elk onderzocht ziekenhuis multidisciplinair overleg plaats waarin alle betrokken disciplines de diagnose en het behandelplan bespreken. In 2007 bestond ook al zo'n overleg, maar bleek de samenstelling van het team en het al dan niet bespreken van een patiënt nog teveel afhankelijk van de lokale situatie. In vrijwel alle  gevallen zijn verslagen van dit overleg gestandaardiseerd vastgelegd. In 4 van de 5 ziekenhuizen is het verslag ook elektronisch beschikbaar en in te zien voor andere zorgverleners.


Verbeterde uitkomst
Met het verbeteren van de  randvoorwaarden voor een goed zorgproces rond operaties voor borstkanker, is ook de uitkomst van de operatie zelf de laatste jaren verbeterd. Van alle patiënten met verdenking op borstkanker ondergaat de helft een borstsparende operatie. Het gemiddelde percentage patiënten bij wie na een borstsparende operatie tumorresten waren aangetroffen daalde van 12,1 procent in 2007 naar 8,9 procent in 2009. Dit betekent dat in 2009 minder vrouwen een heroperatie hoefden te ondergaan om het achtergebleven weefsel alsnog weg te laten halen.

Het percentage borstkankeroperaties dat borstsparend is, varieert sterk per ziekenhuis. In sommige ziekenhuizen wordt 30 procent van de patiënten borstsparend geopereerd, in andere bijna 85 procent. De keuze voor de ene of de andere operatie kan samenhangen met de bereidheid van de chirurg en/of de patiënt om een bepaald risico te nemen. Bij een borstsparende operatie bestaat de kans dat er opnieuw moet worden geopereerd. Ook het moeten ondergaan van bestraling en een chemokuur na een borstsparende operatie kan meespelen in de keuze voor een behandeling.


Juiste diagnose
Uit het onderzoek komt verder naar voren dat alle onderzochte ziekenhuizen inmiddels beschikken over de middelen voor volledige preoperatieve diagnostiek. Hierdoor is het vrijwel altijd mogelijk om de definitieve diagnose vóór de operatie vast te stellen. Gebleken is dat bij 93% van de patiënten de juiste diagnose vóór de operatie kon worden gesteld. Dit komt de kwaliteit van de zorgverlening ten goede omdat de patiënt snel weet waar hij aan toe is. Vrijwel alle ziekenhuizen houden zich bovendien aan de veldnorm waarin is afgesproken dat maximaal de helft van de chirurgen in het ziekenhuis borstkankeroperaties uitvoert. Dit draagt bij aan het opdoen en behouden van voldoende ervaring met de ingreep, wat het risico op complicaties verkleint.


In Codex Medicus: Kwaadaardige borstkliertumoren

Bron: Inspectie voor de Gezondheidszorg

Onderzoek naar endeldarmsparende operatie


Nijmegen, 1 december 2010 - Patiënten met een tumor in het einde van de endeldarm vragen vaak of er andere behandelingen mogelijk zijn dan de huidige standaardoperatie die vaak uitmondt in een stoma. Hans de Wilt, hoogleraar oncologische chirurgie in het UMC St Radboud, gaat nu onderzoeken of endeldarmsparende operaties mogelijk zijn na een voorbehandeling met chemo- en radiotherapie. De Wilt  presenteert het onderzoek aanstaande vrijdag tijdens de landelijke bijeenkomst van de Dutch Colorectal Cancer Group (DCCG) in Amersfoort.


Krimpende darmtumor
Hans de Wilt, oncologisch chirurg in het UMC St Radboud, gaat nu met collega's in enkele Nederlandse ziekenhuizen onderzoeken of er een behandeling mogelijk is waarmee de endeldarm wel kan worden gespaard. Dan is er in principe ook geen stoma nodig. De Wilt: "Ruim vijftig patiënten die aan bepaalde criteria voldoen gaan we vóór de operatie behandelen met chemotherapie en radiotherapie. Die voorbehandeling passen we nu al toe bij patiënten met hele uitgebreide endeldarmtumoren. Bij hen wordt de tumor vaak kleiner, in sommige gevallen verdwijnt die zelfs. In onze zogeheten CARTS-studie gaan we nu onderzoeken of die voorbehandeling met chemo- en radiotherapie de kleinere tumoren zover doet krimpen, dat een endeldarmsparende operatie mogelijk wordt."


De patiënten in dit onderzoek krijgen een voorbehandeling van vijf weken en worden acht weken daarna geopereerd. Is de tumor op dat moment voldoende gekrompen, dan wordt die via een buis in de anus endoscopisch verwijderd (zie illustratie). Dit in tegenstelling tot de standaardoperatie waarbij de gehele endeldarm via de buik wordt verwijderd. Zitten er geen of vrijwel geen tumorcellen meer in het uitgenomen tumor- of littekenweefsel, dan is de patiënt genezen en krijgt hij de gebruikelijke nacontroles. Bevat het uitgenomen weefsel echter nog teveel tumorcellen, dan volgt alsnog de grote standaardoperatie. Het is ook mogelijk dat de tumor niet voldoende is gekrompen door de voorbehandeling. In dat geval is geen endeldarmsparende operatie mogelijk. Deze patiënten krijgen uitsluitend de standaardbehandeling.


Beter voorspellen
Tijdens het onderzoek wordt ook onderzocht of er factoren zijn, die voorspellen waarom de ene tumor wel krimpt en een andere juist niet of te weinig. Met die gegevens zijn op termijn misschien patiënten te selecteren die goed op de behandeling zullen reageren. Daardoor kan dan voor de individuele patiënt een op maat gesneden therapie worden ontwikkeld.


In Codex Medicus: Tumoren van colon en rectum


Bron: UMC St Radboud

Hoe is longkanker te onderscheiden van uitzaaiingen in de longen?


Amsterdam, 30 november 2010 - Patiënten die plaveiselcelcarcinoom in het hoofd-halsgebied overleven, hebben een hoog risico op het ontwikkelen van longkanker of uitzaaiingen in de longen. Thomas Geurts beschrijft een nieuw model om op genetisch niveau op een snelle en praktische manier een onderscheid te maken tussen deze twee aandoeningen.


In bijna de helft van de gevallen waarin artsen vermoedden met een uitzaaiing te maken te hebben, bleek het in werkelijkheid te gaan om een nieuwe longtumor. De overleving in de twee groepen verschilde overigens niet. Screenen op longtumoren bij deze patiëntencategorie bleek niet psychisch belastend. Screening is waarschijnlijk niet kosteneffectief; een nationale studie hiernaar is niet haalbaar gezien het te geringe aantal patiënten. Zo'n onderzoek zal dus in internationaal verband moeten worden uitgevoerd.


In Codex Medicus: Longmetastasen


In Codex Medicus: Longtumoren


Bron: Universiteit van Amsterdam

Nieuw gen gevonden voor aangeboren afwijking geslachtsorgaan


Nijmegen, 29 november 2010 - De kinderurologen van het UMC St Radboud opereren jaarlijks zo'n honderd jongetjes die geboren zijn met hypospadie. Bij hen mondt de plasbuis niet uit op het topje van de penis, maar bijvoorbeeld ergens halverwege, aan de basis van de penis of zelfs in of bij de balzak. Nijmeegse genetici, epidemiologen en kinderurologen zijn op zoek gegaan naar de oorzaken van deze aangeboren afwijking. Ze vonden onverwacht een sterke relatie met een gen, dat tot nu toe niet in verband werd gebracht met hypospadie.    


In de familie
Eén op de 375 jongetjes wordt geboren met hypospadie. Ze worden vaak al in het eerste levensjaar geopereerd. Toch kan de aandoening later nog vervelende psychische en seksuele gevolgen hebben, waarover niet graag gesproken wordt. Dat er bij hypospadie genetische factoren in het spel zijn, was al langer duidelijk. Bij ongeveer vijf procent van de patiënten komt de aandoening namelijk ook ergens anders in de familie voor, bijvoorbeeld bij een neef of een oom. De overerving van hypospadie is echter complex, bij de meeste patiënten spelen vele kleine genetische afwijkingen een rol. Toch moeten er ook andere dan erfelijke factoren een rol spelen. Het lijkt er zelfs op, dat de afwijking tegenwoordig vaker voorkomt dan vroeger. ‘Als dit klopt, is de vraag waar dat mee te maken kan hebben,' zegt één van de leiders van het onderzoek, reproductie-epidemiologe dr. Nel Roeleveld. ‘Blootstelling aan schadelijke stoffen of medicijnen? Het voedingspatroon van de moeder? Een combinatie van genetische en omgevingsfactoren?'


AGORA
Bij het UMC St Radboud loopt een uitgebreid onderzoek naar de oorzaken van verschillende aangeboren afwijkingen, het AGORA-project. Hypospadie is er één van. De ouders van zo'n achthonderd jongens die hiervoor in het Radboud geopereerd zijn, hebben lijsten met vragen over hun leef- en werkomstandigheden ingevuld. Ze lieten ook hun bloed en dat van hun zoontje prikken. Eerst hebben de onderzoekers gezocht naar variaties in genen, die een rol spelen bij de vorming van geslachtshormonen. ‘We vonden daar geen verhoogd risico,' aldus onderzoekster drs. Loes van der Zanden. ‘Misschien zijn kleine genetische variaties in deze geslachtshormonen minder belangrijk bij het ontstaan van hypospadie dan we tot dusver dachten.'


X-chromosoom
Vervolgens namen de onderzoekers het volledige genoom onder de loep, in een zogenoemde genoombrede associatiestudie. Daaruit kwam een onverwachte en opmerkelijk sterke relatie naar voren tussen enkele variaties in het gen DGKK en hypospadie. Een jongen met een afwijkend DGKK-gen heeft een 2,5 keer grotere kans op hypospadie dan andere jongens. Om hierover meer zekerheid te krijgen is dit deel van het onderzoek herhaald met patiënten van het Karolinskaziekenhuis in Stockholm. Dat bevestigde de Nijmeegse resultaten.


Over het DGKK-gen, dat op het X-chromosoom ligt en dus bij jongens altijd afkomstig is van de moeder, is alleen bekend dat het betrokken is bij communicatie tussen lichaamscellen. Hoe dat leidt tot hypospadie is nog een raadsel.


Als een gezin een zoon heeft met hypospadie, is de kans 14 procent dat een volgende zoon er ook mee geboren wordt. Als de tweede zoon echter de gevonden variant in het DGKK-gen erft, is zijn kans op hypospadie beduidend groter, namelijk 27 procent.


Nog niet afgerond is het deel van het onderzoek, waarin gekeken wordt naar combinaties van genen en  andere factoren die mogelijk van invloed zijn, bijvoorbeeld omgevingsfactoren.


In Codex Medicus: Hypospadie

Bron: UMC St Radboud

Honderden overlijdens door hepatitis

Rotterdam, 26 november 2010 - In de komende tien jaar zullen meer dan tweeduizend mensen in Nederland overlijden als gevolg van chronische hepatitis B en C. Rotterdamse experts pleiten daarom voor het routinematig testen van risicogroepen op deze ziekten.

Echo
Dit doen zij vandaag tijdens een voorlichtingsdag over de lever in de Rotterdamse Doelen. Vijfhonderd bezoekers krijgen voorlichting over leverziektes. Geïnteresseerden kunnen ook een echo laten maken van hun lever.

Regio
Harry Janssen, maag- darm- en leverarts van het Erasmus MC en initiatiefnemer van de publieksdag: "De Rotterdamse regio richt zich op het opsporen en behandelen van hepatitis en de gevolgen daarvan. Met deze publieksdag en de echo’s willen we een bijdrage leveren aan de voorlichting over leverziektes.

Nieuwkomers
Meer dan honderdduizend Nederlanders zijn chronisch drager van het hepatitis B- en C-virus. Door migratie van allochtone bevolkingsgroepen naar Nederland is dit aantal verdubbeld. Het gaat vooral om mensen die afkomstig zijn uit Azië en Oost- en Zuid-Europese landen, waar het hepatitis B-virus veel voorkomt. Daarom vindt 70% van de Nederlandse leverartsen dat nieuwkomers uit dergelijke landen routinematig moeten worden getest op deze dodelijke ziekte.

In Codex Medicus: Hepatitis B en Hepatitis C

Bron: Erasmus MC
Gehoor in relatie tot psychosociale gezondheid, werk en zorggebruik

Amsterdam, 25 november 2010 - Slechthorendheid is een veelvoorkomende chronische aandoening. Het manifesteert zich niet alleen bij ouderen, maar ook bij volwassenen in de werkende leeftijd, zo blijkt uit onderzoek van Janneke Nachtegaal. Over de gevolgen hiervan is weinig bekend. Daarom is de Nationale Longitudinale Studie naar Horen (NL-SH) opgezet. Deze studie is baanbrekend vanwege de grote schaal waarop de relatie tussen slechthorendheid en functioneren in een jonge leeftijdsgroep wordt bestudeerd.


Ruim 1500 normaalhorende en slechthorende mensen nemen deel aan de studie. Het gehoor wordt gemeten met de internetversie van de Nationale Hoortest. Opvallend is dat de gevolgen van slechthorendheid verschillen per leeftijdsgroep. Zo is de relatie tussen eenzaamheid en slechthorendheid vooral prominent in de jongste groep (18 - 30 jaar) en is die nagenoeg afwezig in de oudere groepen (30 - 70 jaar). De categorie 40 - 50 jaar lijkt het meest kwetsbaar. Slechthorendheid in deze groep blijkt significant gerelateerd aan stress, neerslachtigheid en angst.


Ook op de werkvloer kan een verminderd gehoor tot problemen leiden. Een slechter gehoor zorgt voor een grotere psychische vermoeidheid en een toenemende herstelbehoefte na het werk. Met de juiste ondersteuning kunnen slechthorenden net zo functioneren als hun goedhorende collega's, zo suggereren de onderzoeksresultaten rond verzuim, productiviteit, sociale steun en herstelbehoefte.


In Codex Medicus: Slechthorendheid en doofheid


Bron: Vrije Universiteit Amsterdam

Meer dialysepatiënten door te zoute voeding


Groningen, 24 november 2010 - Van nierpatiënten die overmatig zout in de voeding gebruiken, gaat de nierfunctie sneller achteruit waardoor nierdialyse nodig wordt. Het verminderen van het zoutgebruik van ‘overmatig' naar ‘normaal' kan dit al voorkomen en levert dus grote gezondheidswinst op. Dat concluderen onderzoekers van het Universitair Medisch Centrum Groningen en het Mario Negri Instituut (Bergamo, Italië). De onderzoekers presenteerden deze resultaten afgelopen zaterdag op het vooraanstaande Nefrologie congres ASN in Denver.


Nefrologen uit Groningen en Bergamo deden twee verschillende studies (met samen zo'n 550 patiënten) die laten zien dat overmatig zout in de voeding leidt tot versneld nierfunctieverlies, en dat vermijden van overmatig zout gunstige effecten heeft op de nier.  Bij nierpatiënten met overmatig zoutgebruik bleek de nierfunctie sneller achteruit te gaan, zodat dialyse nodig werd. Een dergelijk effect werd al vermoed op grond van het bloeddrukverhogende effect van zout, maar was bij de mens niet eerder aangetoond. Opmerkelijk is echter dat het nierbeschadigende effect van te veel zout in deze studie optrad ondanks een goede bloeddrukregulatie, en ondanks het gebruik van extra plaspillen om de hoeveelheid zout in het lichaam te verminderen.


De oorzaak van de versnelde nierschade is hoogstwaarschijnlijk het hogere eiwitverlies in de urine bij de patiënten die overmatig zout gebruikten. Bovendien bleek het beperken van de zoutinname bij patiënten die ondanks behandeling met medicijnen nog eiwitverlies in de urine hadden, het eiwitverlies beter te remmen dan uitbreiding van de medicijnen. Het zoutgebruik moet dan beperkt worden tot ongeveer 6 gram per dag, de hoeveelheid die ook wordt aanbevolen voor de algemene bevolking.


Deze resultaten laten ondubbelzinnig zien, dat het vermijden van overmatig zout voor nierpatiënten een absolute noodzaak is en dat de schadelijke effecten van overmatig zout op de nier niet volledig worden weggenomen door extra ‘plaspillen'. Daarnaast kan er een grote gezondheidswinst worden verkregen door een relatief kleine correctie van het overmatige zoutgebruik.


In Codex Medicus: Dialyse

Bron: UMCG

Hoe opnieuw te beschermen tegen kinkhoest


Utrecht, 23 november 2010 - Kinkhoest is een zeer besmettelijke bacteriële ziekte van de luchtwegen, voornamelijk veroorzaakt door de bacterie Bordetella pertussis. Sinds de jaren negentig vinden er echter weer uitbraken plaats over de gehele wereld ondanks vaccinatie. Rachel Stenger heeft de inductie, kwaliteit en langetermijninstandhouding van specifieke afweermechanismen tegen kinkhoest in kaart gebracht.


Haar resultaten geven inzicht in de onderliggende mechanismen die beschermen tegen kinkhoest. Aan de hand van de bevindingen worden er maatregelen voorgesteld om het huidige vaccin te verbeteren zodat er betere langetermijnbescherming na vaccinatie wordt verkregen om de op dit moment circulerende B. pertussis-stammen te weerstaan en om verdere uitbraken te voorkomen zodat ook ongevaccineerde baby's beschermd zijn.


Rachel Stenger verdedigt vandaag haar proefschrift.


In Codex Medicus: Pertussis

Bron: Universiteit Utrecht

Kankerbehandeling is minder efficiënt bij ex-rokers


Sacramento (CA), 19 november 2010 - Patiënten met mond- en keelkanker die nooit een sigaret aanraakten, reageren veel beter op bestralingen dan voormalige rokers, dat blijkt uit recent Amerikaans onderzoek.

Vaker genezen
Professor Allen Chen van het Davis Cancer Center (Sacramento, Californië) vergeleek 70 patiënten met mond- en keelkanker van ex-rokers met mensen die beweerden nooit te hebben gerookt. 14 van de niet-rokers hervielen van hun ziekte in vergelijking met 26 van de patiënten die vroeger rookten. 65 procent van hen werden na drie jaar genezen verklaar, dat is 82 procent bij de niet-rokers. Ook traden er bij degenen die nog nooit sigaretten aanraakten minder complicaties op.

Tumoren weggesmolten
Chen: "Er is iets uniek aan de aard van mond- en keelkankers bij niet-rokers waardoor het bij hen makkelijker is om te genezen dankzij bestralingen. Deze tumoren lijken al weg te smelten na een paar sessies van deze behandeling. Moesten we begrijpen waarom, dan zou dit belangrijke gevolgen hebben voor de ontwikkeling van nieuwe medicatie en behandelingen."

HPV
Professor Chen denkt dat dit komt doordat hoofd- en nekkanker bij niet-rokers in verband staan met het humaan papillomavirus (HPV). Het is mogelijk dat deze tumoren een substantie aanmaken die het immuunsysteem van het lichaam activeren, wat de effecten van de bestralingen kan versterken. (ep)

In Codex Medicus: Carcinoom in de mondholte

In Codex Medicus: Carcinoom van de hypofarynx en postcricoïd carcinoom

Bron: UC Davis Health System

ParkinsonNet nu in het hele land bereikbaar

Nijmegen, 18 november 2010 - ParkinsonNet, een zorginnovatie die de kwaliteit van zorg voor parkinsonpatiënten verbetert, heeft volledige landelijke dekking bereikt. Dit betekent dat iedere parkinsonpatiënt in Nederland nu terecht kan bij zorgverleners, die zich hebben gespecialiseerd in de ziekte van Parkinson. Tijdens het ParkinsonNet jaarcongres, op 27 november aanstaande in de Jaarbeurs in Utrecht, presenteren de negentien medische beroepsgroepen die in ParkinsonNet samenwerken de eerste multidisciplinaire parkinsonrichtlijn.


Regionale netwerken
ParkinsonNet is een serie van regionale netwerken die bestaan uit neurologen en paramedici. Binnen het netwerk kunnen neurologen en andere verwijzers patiënten volgens vaste criteria gemakkelijk verwijzen naar paramedici met kennis van Parkinson.


Het eerste regionale ParkinsonNet is in 2004 in de regio Arnhem-Nijmegen opgezet. Sinds november 2010 is in elke regio van Nederland een ParkinsonNet aanwezig. Er zijn neurologen, parkinsonverpleegkundigen, fysiotherapeuten, oefentherapeuten, logopedisten, psychologen, maatschappelijk werkers, diëtisten en seksuologen bij ParkinsonNet betrokken. Kenmerkend voor ParkinsonNet is, dat de deelnemende zorgverleners hun deskundigheid op het gebied van deze ziekte via scholing en kennisuitwisseling actueel houden en hun zorg voor de parkinsonpatiënt onderling goed afstemmen. Ze kunnen in een beveiligde internetomgeving informatie uitwisselen met elkaar en met de patiënt. Vanuit het UMC St Radboud biedt de overkoepelende organisatie aan alle betrokken disciplines cursussen en andere scholingsbijeenkomsten aan.


Meerwaarde
Recent wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat het ParkinsonNet de kwaliteit van zorg voor parkinsonpatiënten verbetert. Bovendien liet dit onderzoek een aanzienlijke financiële besparing zien: landelijk levert het ParkinsonNet een kostenbesparing van ruim zeventig miljoen euro op jaarbasis. Vanwege deze combinatie van kwaliteit en kostenbeheersing heeft ZonMw ParkinsonNet bekroond met de parelstatus. Bovendien is deze maand bekend geworden dat Zorgverzekeraars Nederland, de koepel van alle zorgverzekeraars in Nederland, besloten heeft om ParkinsonNet te ondersteunen. Op deze wijze kan de kwaliteit van zorg voor parkinsonpatiënten blijvend worden vergroot. Zorgverzekeraars Nederland ziet ParkinsonNet als het ideale model om ook de kwaliteit van zorg voor patiënten met andere chronische aandoeningen te verbeteren.


Multidisciplinaire richtlijn
Het werken volgens richtlijnen is een centraal onderdeel van het kwaliteitsbeleid binnen ParkinsonNet. Tot op heden werkte iedere zorgverlener volgens de richtlijn van de eigen medische discipline. Bijzonder is dat alle beroepsverenigingen die betrokken zijn bij de parkinsonzorg samen met de Parkinson Vereniging een gezamenlijke richtlijn voor de behandeling van patiënten met de ziekte van Parkinson hebben ontwikkeld. De eerste exemplaren van deze richtlijn worden op 27 november, tijdens het jaarcongres van ParkinsonNet, overhandigd aan Henk Smid, directeur van ZonMw, aan mevrouw Stefanie van Vliet, directeur van de Parkinson Vereniging en aan vertegenwoordigers van alle negentien beroepsgroepen die bij de ontwikkeling van de richtlijn betrokken waren.


In Codex Medicus: Ziekte van Parkinson


Prefinale versie van de Multidisciplinaire richtlijn

Bron: UMC St Radboud

Verstrekking antibiotica is tijdbom in rust- en verzorgingstehuizen

Antwerpen, 17 november 2010 - Europese specialisten waarschuwen voor het misbruik van antibiotica in rusthuizen. Uit een nieuwe Europese studie blijkt dat tegenwoordig al 19 procent van de bewoners drager van de MRSA-ziekenhuisbacterie is. In sommige rusthuizen loopt dat op tot bijna de helft.

Het antibioticamisbruik is een toenemend probleem in bejaardentehuizen volgens de studie die door de Universiteit Antwerpen werd gecoördineerd.

"Dat is alarmerend vanwege de groeiende resistentie van bacteriën tegen antibiotica", zegt professor microbiologie Herman Goossens. "In onze rust- en verzorgingscentra tikt een tijdbom als er niet anders wordt omgesprongen met antibiotica en hygiëne."

Het antibioticamisbruik is ook een groot probleem in de ziekenhuizen. Uit de studie blijkt dat gemiddeld vier op de tien ziekenhuispatiënten antibiotica krijgen toegediend. In sommige instellingen loopt dat op tot 100 procent van de patiënten.

In Codex Medicus: Meticillineresistente staphylococcus aureus-infectie (MRSA)

Bron: Universiteit Antwerpen
Huisarts mag ongevraagd afslankadvies geven

Utrecht, 16 november 2010 - De effecten van overgewicht op de gezondheid zijn genoegzaam bekend, desondanks wordt de gemiddelde Nederlander steeds dikker. Moet de huisarts mensen met overgewicht daarop ongevraagd aanspreken? De meeste mensen vinden van wel, blijkt uit een publicatie van onderzoekers van het NIVEL.


De helft van de volwassen Nederlanders is te dik, 14% heeft zelfs ernstig overgewicht (obesitas) en dit percentage zal de komende jaren alleen maar toenemen. Overgewicht en vooral obesitas kunnen leiden tot hart- en vaatziekten, aandoeningen aan spieren en gewrichten, en een slechtere kwaliteit van leven. Hoe eerder overgewicht wordt behandeld, hoe groter de kans op succes. De huisarts zou een belangrijke rol kunnen spelen in behandeling en preventie van overgewicht. Huisartsen bieden laagdrempelige zorg en zien ieder jaar ongeveer driekwart van hun patiënten. Betekent dit dan ook dat ze mensen met overgewicht daar ongevraagd op moeten aanspreken? Ja. Bijna driekwart (73%) van de huisartsen en 68% van de bevolking vindt dat de huisarts ongevraagd advies moet geven bij overgewicht. Ruim een tiende (13%) van de bevolking is het hiermee juist oneens, van de huisartsen is dat iets minder (8%) zo blijkt uit onderzoek binnen het Consumentenpanel van het NIVEL en het KNMG-ledenpanel.


Omslag
In de jaren negentig gaven huisartsen vaak pas gewichtsadviezen als een patiënt met gezondheidsklachten kwam of er zelf om vroeg, en patiënten stonden kritisch tegenover ongevraagd advies. Inmiddels lijkt er een omslag te hebben plaatsgevonden. In 2008 is de CBO-richtlijn ‘Diagnostiek en behandeling van obesitas bij volwassenen en kinderen' ingevoerd en in 2010 de nieuwe NHG-Standaard Obesitas, die beide het belang van preventie onderstrepen. Bijna alle huisartsen (95%) zeggen dat ze weleens ongevraagd advies geven. Toch zegt nog geen zesde (15%) van de bevolking wel eens ongevraagd advies te hebben gekregen over het gewicht, terwijl de helft van de volwassen Nederlanders te zwaar is. De huisartsen bespreken overgewicht vaak niet door een gebrek aan tijd of voorlichtingsmateriaal, of omdat ze denken dat patiënten dat bemoeizuchtig of vervelend vinden. De schroom om patiënten ongevraagd advies te geven over hun gewicht lijkt echter onterecht: van degenen die weleens zo'n advies hebben gekregen, vond 94% dit niet vervelend.


In Codex Medicus: Obesitas

In Codex Medicus: Obesitas bij kinderen


Bron: NIVEL

Nieuwe aanbevelingen voor de behandeling van borstkanker en teelbalkanker


Brussel 15 november 2010 - Het College voor Oncologie en het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) maakten samen met een werkgroep van experts een update van de richtlijnen voor de diagnose en behandeling van borst- en teelbalkanker. Elk jaar neemt het aantal nieuwe gevallen van borstkanker toe, vooral bij vrouwen tussen 50 en 69 jaar. Wel neemt in deze leeftijdsgroep de sterfte sinds meer dan 10 jaar voortdurend af. Dit is vooral te danken aan voortijdige screenings en diagnoses én aan meer doeltreffende behandelingen.


Het is tegenwoordig voor zorgverleners onmogelijk om tijdig op de hoogte te blijven van alle medische ontwikkelingen. Om ze te helpen bij de keuze tussen de verschillende diagnose- en behandelmogelijkheden worden klinische praktijkrichtlijnen opgesteld door specialisten uit verschillende medische disciplines, betrokken bij de behandeling van de aandoening. Zij baseren zich voor dit werk o.m. op de meest recente internationale wetenschappelijke literatuur.


Nieuwe wetenschappelijke gegevens maken update van de aanbevelingen nodig
In 2006 en 2007 ontwikkelden het College voor Oncologie en het KCE samen aanbevelingen voor de opsporing en de behandeling van teelbal- en borstkanker. Ondertussen zijn de medische praktijk en de wetenschappelijke gegevens, vooral voor borstkanker, snel geëvolueerd. Een update van de richtlijnen was dus nodig, zodat de kankerpatiënten steeds geholpen worden met de nieuwste en meest doeltreffende technieken.


Borstkanker: snelle medische evolutie
Borstkanker is nog altijd de meest voorkomende kanker bij vrouwen. Ongeveer één vrouw op de negen wordt er vroeg of laat mee geconfronteerd. Jaarlijks zijn er naar schatting 9500 nieuwe gevallen en meer dan 1 op 5 van de sterfgevallen door kanker bij vrouwen wordt veroorzaakt door borstkanker. Toch neemt sinds meer dan 10 jaar het aantal overlijdens door borstkanker bij vrouwen tussen 50 en 69 jaar steeds meer af . Dit is vooral te danken aan voortijdige screenings en diagnoses én aan meer doeltreffende behandelingen.


De richtlijn behandelt een uitgebreid aantal punten, vanaf de diagnose tot de opvolging, en heeft betrekking op de verschillende stadia van borstkanker.


Teelbalkanker: goede overlevingskansen
Teelbalkanker is een zeldzame kanker die vooral jonge mannen treft. In 2006 werd de diagnose bij slechts 269 mannen vastgesteld. Desondanks is het de meest frequente kanker bij mannen tussen 15 en 44 jaar.


In Codex Medicus: Borstkliertumoren

In Codex Medicus: Testistumor

Bron: Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg

Inzet Mobiel Medisch Team bij kinderen onderzocht


Nijmegen, 12 november 2010 - Bas Gerritse, anesthesioloog en voormalig MMT-arts bij de Acute Zorgregio Oost, promoveert vandaag bij het UMC St Radboud op de inzet van het Mobiel Medisch team bij kinderen. In zijn proefschrift doet hij aanbevelingen die de medische zorg aan kinderen in nood buiten het ziekenhuis verder kunnen verbeteren. Aandachtspunten zijn onder meer inzetcriteria, scholing en het waarborgen van landelijke protocollen.


Gerritse onderzocht de inzet van het Nijmeegse Helikopter Mobiel Medisch Team (MMT) bij kinderen van 2001 tot 2008. In deze periode werd de Nijmeegse traumahelikopter 6749 maal opgeroepen. Bij 891 oproepen betrof het een incident met kinderen, 132 van hen overleden binnen 24 uur. De 891 oproepen vormen de basis voor het promotieonderzoek. Gerritse onderzocht onder meer hoe het kind in nood was geraakt, hoe de kwaliteit van de medische handelingen van het Mobiel Medisch Team en ambulancehulpverleners was en hoe het de kinderen is vergaan in de jaren erna. Hij was zelf bij een deel van deze kinderen betrokken als behandelend MMT-arts.


Inzetcriteria uitbreiden
Gerritse concludeert dat het Mobiel Medisch Team, waarvan de traumaheli onderdeel is, nog niet optimaal ingezet wordt bij een kind in nood. Hij concludeert dat de inzetcriteria uitgebreid moeten worden. Momenteel wordt het MMT vooral opgeroepen bij kinderen die betrokken zijn bij een ernstig ongeval en minder vaak bij kinderen die thuis ernstig ziek zijn. Denk bijvoorbeeld aan thuisbevallingen waarbij ernstige complicaties optreden of aan kinderen met een zware epileptische aanval. Juist kinderen die thuis ernstig ziek zijn, bleken een grotere kans op overlijden te hebben binnen 24 uur. Gerritse pleit daarom ook voor het oproepen van het Mobiel Medisch Team bij kinderen met een ernstige ziekte.


Meer dan bij volwassenen is het ziekteverloop van een kind in nood lastig te voorspellen. Het vraagt niet alleen scholing, maar vooral ook veel specifieke ervaring om signalen bij een kind te herkennen. MMT-artsen hebben veel ervaring in het herkennen van deze signalen en zijn daarnaast bevoegd tot het verrichten van gespecialiseerde handelingen die de overlevingskansen van deze kinderen aanzienlijk vergroten. Bijvoorbeeld het zekeren van de luchtweg, het stabiliseren van de bloedsomloop en maatregelen om de hersenen te beschermen. Ook het behandelen van ernstige acute pijn is een belangrijke taak.


Intuberen
Intuberen, het zekeren van de luchtwegen, is een zeer specifieke handeling. Deze handeling komt bij kinderen niet vaak buiten het ziekenhuis voor en vereist naast scholing veel ervaring. MMT-artsen zijn getraind in het intuberen van kinderen in kritieke situaties buiten het ziekenhuis. Zij verrichten deze handeling ook regelmatig in het ziekenhuis. Gerritse stelt dat het zekeren van de luchtwegen daarom voorbehouden moet worden aan een MMT-arts.


Bas Gerritse volgde 85 kinderen, waarbij het Mobiel Medisch Team ingezet is, gedurende enkele jaren en concludeerde dat een groot deel van hen een mindere kwaliteit van leven heeft dan ‘gezonde' leeftijdsgenoten. Hij adviseert om deze kinderen beter te onderzoeken en te begeleiden. Het is namelijk mogelijk dat zij meer risico lopen om opnieuw in nood te komen. Daarnaast kunnen soms maatregelen getroffen worden om nieuwe incidenten te voorkomen. Hij beveelt aan om een landelijke database met gegevens over de inzet van het Mobiel Medisch Team bij kinderen te ontwikkelen. Deze database kan bijdragen aan verder medisch onderzoek en kwaliteitscontrole en kan de kwaliteit van de hulpverlening positief beïnvloeden.


In Codex Medicus: Mobiel Medisch Team


Bron: UMC St Radboud

Rivastigmine niet zinvol bij delier

Utrecht, 9 november 2010 - Rivastigmine vermindert de duur van een delier bij ernstig zieke patiënten niet en verhoogt mogelijk de mortaliteit. Dit concluderen Maarten van Eijk c.s. op basis van een (vroeg afgebroken) studie naar het middel bij delirante intensivecarepatiënten. Zij publiceerden hun bevindingen in The Lancet.

De studie kwam eerder dit jaar in de publiciteit, nadat deze op advies van de veiligheidscommissie voortijdig was gestopt. Vooraf was gepland om bij 440 ic-patiënten te onderzoeken of het toevoegen van het dementiemiddel rivastigmine aan de gebruikelijke delierbehandeling zinvol was. Onder die gebruikelijke behandeling werden niet-medicamenteuze maatregelen (steun bij oriëntatie, fysiotherapie, beweging) en medicatie (haldol, zo nodig lorazepam, bij onvoldoende effect propofol) verstaan.
Na inclusie van 104 patiënten leek de sterfte in de rivastigminegroep hoger dan in de placebogroep (22 versus 8 procent). Dat verschil was echter niet significant, zeggen de onderzoekers. Maar omdat er ook geen voordeel bleek van rivastigmine, is de studie gestopt.

Uit analyse van de gegevens die wel bekend zijn, blijkt dat de duur van het delier niet korter was bij de rivastigminegroep, dat het delier ernstiger was, en het ic-verblijf gemiddeld langer duurde. Er kon geen goede verklaring worden gevonden voor het (niet-significante) verschil in sterfte tussen beide groepen. Toeval kan dus niet worden uitgesloten, zeggen de onderzoekers. Maar op basis van deze resultaten raden zij in ieder geval af om delier bij ic-patiënten met rivastigmine te behandelen.

In Codex Medicus: Delirium

Bron: Medisch Contact
Nader inzicht in samenhang tussen HSCR en MEN2


Groningen, 5 november 2010 - De ziekte van Hirschsprung (HSCR) en Multiple Endocriene Neoplasieën type 2 (MEN2) zijn twee zeer uiteenlopende ziekten. HSCR is een ontwikkelingsstoornis gekenmerkt door de afwezigheid van zenuwcellen in het darmkanaal; MEN2 is een erfelijk kankersyndroom, waarbij tumoren in meerdere endocriene organen kunnen ontstaan. Toch zijn er duidelijke aanwijzingen dat de twee ziekten hun oorsprong vinden in dezelfde genetische afwijking, namelijk in het RET-gen.

Promovenda Maria Manuela Moreira Alves verrichtte genetische en functionele proeven die moeten leiden tot een beter begrip van de eiwit-netwerken die verstoord zijn in patiënten met HSCR en MEN2. Dit in een poging om nieuwe mechanismen betrokken bij de ontwikkeling van deze ziekten te ontrafelen. De onderzoekster laat zien dat de beide ziektes hun oorsprong vinden in dezelfde verstoring van celdifferentiatie. Verder laat ze zien dat door verschillende mutaties in het RET-gen verschillende vormen van MEN2 kunnen ontstaan. Bij de behandeling van MEN2 moet hiermee rekening worden gehouden, aldus de onderzoekster, omdat de beschikbare medicatie niet voor alle vormen MEN2 even geschikt is.

Maria Manuela Moreira Alves (Portugal, 1981) studeerde biochemie te Porto. Ze verrichtte haar onderzoek aan de afdeling Genetica van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) en binnen onderzoeksschool GUIDE.

Ze hoopt op 10 november in Groningen te promoveren op haar onderzoek.

In Codex Medicus: Ziekte van Hirschsprung

In Codex Medicus: Multipele endocriene neoplasie

 

Bron: rijksuniversiteit groningen

Link tussen neuspoliepen en astma verklaard


Gent, 4 november 2010 - Onderzoekers van de Universiteit Gent hebben samen met Britse en Chinese collega's een nieuwe aandoening van de luchtwegen ontdekt. De ontdekking brengt de link aan het licht tussen aandoeningen van de bovenste en van de onderste luchtwegen. De onderzoeksresultaten worden voorgesteld op het eerste congres waar tegelijk rinitis (neusslijmvliesontsteking) en astma aan bod komen.

Verband tussen neuspoliepen en astma
Bij ongeveer een derde van de patiënten met neuspoliepen ontdekten de wetenschappers in de poliepen het antilichaam IgE, teweeggebracht door de bacterie Staphylococcus aureus met de hulp van zijn enterotoxines (SE). Die bacterie komt voor op de huid en op de handen, maar vooral in de neusholtes.

Het antilichaam IgE, dat aangemaakt wordt als reactie op lichaamsvreemde stoffen, richt zich op een efficiënte manier tegen duizenden allergenen tegelijk, en dit in tegenstelling tot de versie van het antilichaam die bij personen met allergische rhinitis wordt aangetroffen. De onderzoekers toonden aan dat een hoge IgE-productie bij deze patiënten in verband staat met astma. De patiënten zijn over het algemeen zwaar ziek, worden behandeld met corticosteroïden en moeten geregeld in het ziekenhuis opgenomen worden voor operaties van de polypen. De wetenschappers veronderstellen dat dit IgE kan bijdragen tot chronische ontstekingen van de luchtwegen.


De ontdekking van het IgE dat door de SE-bacterie wordt teweeggebracht, is een nieuw uitgangspunt bij de behandeling van chronische aandoeningen van de luchtwegen. Hierdoor wordt de link tussen aandoeningen van de bovenste en de onderste luchtwegen aangetoond.


In Codex Medicus: Polypose van neus en bijholten


In Codex Medicus: Astma bronchiale


Bron: Universiteit Gent

Kleine niertumoren werden ook in Nederland overbehandeld


Amsterdam, 2 november 2010 - Door het toenemend gebruik van echo, CT- en MRI-scans worden meer kleine niertumoren (per toeval) ontdekt en geopereerd. Eerdere studies toonden aan dat een kwart van deze kleine niertumoren goedaardig is en dus niet geopereerd had hoeven worden. Op basis van gegevens uit PALGA (Pathologisch Anatomisch Landelijk Geautomatiseerd Archief) concludeert Intan Kümmerlin dat er in de periode 1995-2005 ook in Nederland werd overbehandeld, zij het in mindere mate.


Kümmerlin onderzocht ook of het nemen van preoperatieve hapjes van de tumor (via een biopsie of een punctie) kan bijdragen aan het voorkomen van overbehandeling. Verfijningen van beide technieken lijken veelbelovend.


Intan Kümmerlin hoopt op 11 november op haar onderzoek te promoveren.

In Codex Medicus: Tumor van de nier


Bron: Universiteit van Amsterdam

Stel patiënt centraal in zorg voor chronisch zieken


Tilburg, 1 november 2010 - De zorg voor chronisch zieken in Nederland schiet tekort, zeker gezien de verwachte toename van het aantal chronisch zieken in de toekomst. Hoogleraar Chronische zorg Bert Vrijhoef pleit daarom voor een drastische hervorming, waarbij de patiënt en dus de zorgvraag centraal komt te staan. Vrijhoef spreekt op vrijdag 5 november zijn inaugurele rede uit aan de Universiteit van Tilburg.
Aangezien veel chronische ziekten zijn te voorkomen en dus ook de ermee gepaard gaande ziektelast en sterfte, is afwachten in de zorg voor chronisch zieken voor niemand een optie. Desondanks ontvangen niet alle 4,5 miljoen chronisch zieken in Nederland kwalitatief hoogwaardige zorg. Er is gebrek aan organisatorische afstemming tussen zorgverleners, er bestaat te weinig aandacht voor preventief handelen en de patiënt wordt onvoldoende als uitgangspunt genomen. Bert Vrijhoef noemt deze situatie alarmerend gezien de verwachte toename in het aantal chronisch zieken.


Kwaliteitsverbetering van de zorg voor chronisch zieken vereist volgens Vrijhoef een veelomvattende systeembenadering zoals ‘disease management' programma's  of het ‘chronic care model'. Disease management programma's nemen de patiënt als uitgangspunt en zijn ziektespecifiek. Het chronic care model neemt zowel de patiënt als het zorgteam als aangrijpingspunt en is niet gericht op ziektes, maar op de vraag van de patiënt.


Vooral het chronic care model leidt tot kwaliteitsverbetering  van de zorg, stelt Vrijhoef, maar dat wordt nog maar gedeeltelijk toegepast. Vaak is niet het perspectief van patiënten het uitgangspunt, maar dat van zorgverleners. Verbeterinitiatieven nemen nog te weinig afstand van de huidige situatie, terwijl meer van het reeds aanwezige geen optie is.  Invloed  van chronisch zieken zelf op de wijze waarop zorg wordt geleverd, is cruciaal voor het toekomstbesteding maken van de chronische zorg.


In Codex Medicus: Monitoring

Bron: Tranzo Wetenschappelijk centrum voor zorg en welzijn

Vier van de tien patiënten gaan zonder verwijzing naar de fysiotherapeut

Utrecht, 29 oktober 2010 - Steeds meer patiënten weten de fysiotherapeut te vinden zonder verwijzing. In 2009 kwam 38% van de patiënten op eigen initiatief. In het eerste jaar na invoering was dat nog 21%.

Fysiotherapeuten zijn sinds 2006 en oefentherapeuten Cesar/Mensendieck sinds 2008 direct toegankelijk. Patiënten kunnen zonder verwijzing de therapeut bezoeken. Bij de fysiotherapeut komen vier van de tien patiënten zonder verwijzing en bij de oefentherapeut Cesar/Mensendieck is dat bijna een kwart, zo blijkt uit gegevens van de Landelijke informatievoorziening Paramedische Zorg (LiPZ) van het NIVEL.

Verwijzing
Ouderen gaan relatief weinig zonder verwijzing naar de fysiotherapeut en oefentherapeut. Het zijn vooral hoger opgeleiden, patiënten met kortdurende klachten en patiënten met lage rugklachten, nekklachten of schouderklachten. Gemiddeld krijgen zij bij de fysiotherapeut twee behandelingen minder vergeleken met patiënten met een verwijzing. Uit gegevens van het Landelijk Informatie Netwerk Huisartsenzorg (LINH) blijkt dat sinds de directe toegang is ingevoerd het aantal patiënten dat naar de fysiotherapeut wordt verwezen daalde van 67 van de 1000 patiënten in 2005 naar 42 in 2009.
 
Diëtist
Mogelijk wordt directe toegang ook ingevoerd voor andere paramedische beroepsgroepen, zoals de diëtist. In 2009 kwam al 17% van de patiënten op eigen initiatief naar de vrijgevestigde diëtist. Deze mag patiënten wettelijk echter pas behandelen na verwijzing door een arts.

LiPZ update
De zorg van fysiotherapeuten, oefentherapeuten Cesar/Mensendieck en vrijgevestigde diëtisten wordt al geruime tijd onderzocht binnen de Landelijke Informatievoorziening Paramedische Zorg (LiPZ) en gepubliceerd. Recent zijn de gegevens over 2009 op de website geplaatst. De LiPZ-cijfers bieden een scala aan gegevens, variërend van lichamelijke activiteit van patiënten voor en na diëtistische behandeling, aantal uren diëtistische zorg, gemiddelde leeftijd van de patiënten tot veel toegepaste verrichtingen van fysiotherapeut of oefentherapeut Cesar/Mensendieck.

In Codex Medicus: Fysiotherapie

Bron: Nederlands Instituur voor onderzoek van de gezondheidszorg
20 jaar bevolkingsonderzoek borstkanker in Nederland


Bilthoven, 28 oktober 2010 - Het Nederlandse bevolkingsonderzoek naar borstkanker bestaat 20 jaar. In dat kader organiseren het RIVM en de vijf regionale screeningsorganisaties het internationale symposium ‘Crossing borders in breast cancer screening'.


Met dit symposium, dat op donderdag 28 en vrijdag 29 oktober 2010 in Amsterdam wordt gehouden, wil het RIVM de internationale ontwikkeling en uitwisseling van kennis op het gebied van borstkankeronderzoek stimuleren. Er zijn op internationaal niveau nogal wat verschillen in aanpak. In veel landen staat de screening nog in de kinderschoenen, maar in landen zoals het Verenigd Koninkrijk, IJsland, Zweden, Finland en Noorwegen kent men een met Nederland vergelijkbaar landelijk dekkend bevolkingsonderzoek.


Hoge opkomst
Het bevolkingsonderzoek naar borstkanker in Nederland valt op door zijn hoge opkomst: 83 procent van de opgeroepen vrouwen in de leeftijd van 50 tot en met 75 jaar laat zich eens in de twee jaar onderzoeken. Die hoge opkomst wordt onder meer verklaard door de 66 veelal mobiele onderzoekscentra in de eigen buurt of stad, waardoor meer vrouwen worden bereikt dan bijvoorbeeld in België. Daar wordt het bevolkingsonderzoek uitgevoerd vanuit privéklinieken en ziekenhuizen; slechts de helft van de vrouwen uit de doelgroep laat zich daar onderzoeken.


Minder kans te overlijden
Elk jaar laten 900.000 vrouwen in Nederland zich gratis onderzoeken. Zo kan eerder ontdekt worden of iemand borstkanker heeft. De kans op een succesvolle behandeling is dan groter. In Nederland is sinds 1990 het aantal vrouwen in de doelgroep dat aan borstkanker overlijdt met 28 % gedaald. Dankzij het borstkankeronderzoek overlijden jaarlijks ongeveer 700 vrouwen minder.


Uitvoering
Het RIVM Centrum voor Bevolkingsonderzoek coördineert en regisseert het bevolkingsonderzoek naar borstkanker in opdracht van het ministerie van VWS. De uitvoering is in handen van vijf regionale screeningsorganisaties


In Codex Medicus: Borstkliertumoren

Bron: RIVM

Lichaamsoefening op maat: een gouden regel voor hartpatiënten


Brussel, 27 oktober 2010 - Hartrevalidatie met lichamelijke oefeningen heeft een gunstig effect op de levenskwaliteit van hartpatiënten en vermindert het aantal ziekenhuisopnamen en overlijdens. Dit is een belangrijke conclusie van een studie van het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) en Deloitte®. Toch volgt in Vlaanderen minder dan een op twee hartpatiënten revalidatie na ziekenhuisopname. Vooral ouderen en vrouwen dreigen uit de boot te vallen. Als belangrijkste redenen vermelden ze tijdsgebrek, het idee dat ze ook wel zonder deze behandeling zullen genezen, de afstand tot een erkend revalidatiecentrum en het gebrek aan transportmiddelen. Het KCE pleit voor de ontwikkeling van individueel aangepaste oefen- en begeleidingsprogramma's bij het ontslag uit het ziekenhuis, gespreid over verschillende maanden en dichtbij de woonplaats van de patiënt.


Wat is hartrevalidatie?
Hart- en vaatziekten zijn de voornaamste overlijdensoorzaak in België. Jaarlijks zorgen ze voor meer dan 200.000 ziekenhuisopnames. Vroeger moesten hartpatiënten na een ingreep of incident vooral rusten. Vandaag wordt er hartrevalidatie voorgeschreven, zodat de patiënt zoveel mogelijk een normaal, actief leven kan blijven leiden. De revalidatie bestaat meestal uit lichaamsoefeningen (wandelen, fietsen).

Soms worden deze oefeningen nog gecombineerd met andere interventies zoals bijvoorbeeld dieet of begeleiding bij het stoppen met roken. Dit is afhankelijk van het cardiovasculair risicoprofiel van de patiënt. Deze multidisciplinaire revalidatie wordt vandaag in België alleen gegeven in erkende centra. Gemiddeld betaalt een patiënt voor een multidisciplinaire revalidatie na hartchirurgie in totaal € 200,- tot € 300,-.


Gunstig effect van lichaamsoefeningen
De onderzoekers stelden vast dat de lichaamsoefeningen een gunstig effect hebben op de levenskwaliteit van hartpatiënten met een licht of matig risico. De oefeningen verminderen ook het aantal hospitalisaties en overlijdens. Over hun impact bij patiënten met een hoog risico bestaan er nog onvoldoende wetenschappelijke gegevens. Ook de multidisciplinaire revalidatie met oefeningen heeft een bewezen positief effect, maar het is niet duidelijk wat juist de meerwaarde van de andere tussenkomsten door bvb een dietist of tabacoloog is. Een evaluatie van hun specifieke inbreng is dus aan te raden.


Te weinig hartpatiënten volgen revalidatie
In de studie werden de gegevens geanalyseerd van meer dan 29.000 patiënten die in België een hartingreep hadden ondergaan. Een op 3 volgde geen enkele revalidatie. Minder dan de helft van de patiënten begon multidisciplinaire revalidatie, maar bij 10% van hen bleef het beperkt tot een enkele sessie tijdens de hospitalisatie. Na ontslag uit het ziekenhuis volgde minder dan de helft een revaliderende behandeling.

Vooral ouderen en vrouwen volgen geen multidisciplinaire revalidatie. Een andere opmerkelijke factor is de afstand tot een erkend centrum: hartpatiënten die in een arrondissement zonder centrum wonen, volgen bijna nooit hartrevalidatie na hospitalisatie.

De belangrijkste redenen die door de ondervraagde hartpatiënten werden opgegeven om niet op het voorstel tot revalidatie in te gaan zijn tijdsgebrek, het idee dat ze ook wel zonder deze behandeling zullen genezen, de afstand tot een centrum en het gebrek aan transportmiddelen. Samen met beroepsverplichtingen,andere lichamelijke problemen en de kosten zijn het ook de redenen voor het voortijdig stopzetten van een revalidatie.


Sensibilisering van de hartpatiënt en levenslange begeleiding
Het KCE stelt voor om voor elke hartpatiënt bij ontslag uit het ziekenhuis het cardiovasculair risicoprofiel te bekijken ( roken, eetgewoontes,...). Daarnaast moet er een aangepast oefenprogramma, op advies van een specialist in hartrevalidatie, worden opgesteld én moeten begeleidingssessies worden georganiseerd om de andere vastgestelde risico's te verminderen.


Het oefen-en begeleidingsprogramma wordt best gespreid over verschillende maanden en moet plaatsvinden in de nabijheid van de woonplaats van de patiënt, in plaats van alleen maar in de erkende centra. Verder zouden huisarts en cardioloog hun hartpatiënten moeten sensibiliseren over het belang van de oefeningen. Als hun patiënt zich niet houdt aan het programma zouden ze systematisch de redenen hiervoor moeten onderzoeken en eventueel met de patiënt alternatieve oplossingen moeten bespreken.

Tenslotte is een levenslange opvolging door de behandelende arts noodzakelijk, om de 'goede gewoonten' in stand te houden.


In Codex Medicus: Hartrevalidatie


In Codex Medicus: Hartinfarct

Bron:  Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE)

Blaaskanker beter op te sporen


Utrecht, 26 oktober 2010 - Mathijs Grimbergen onderzocht de voorspellende waarde van een combinatie van twee optische methoden, fluorescentiebeeldvorming en Ramanspectroscopie. Wellicht is het mogelijk om blaaskanker op niet-invasieve wijze op te sporen. Nu wordt baaskanker gediagnosticeerd door tijdens een operatie weefsel te verwijderen waarna de patholoog uitslag heeft.

Met fluorescentiebeeldvorming kunnen verdachte plekken inderdaad makkelijker en eerder worden gevonden. Maar fluorescentiebeeldvorming is minder betrouwbaar vlak na therapie. Om de betrouwbaarheid te verhogen onderzocht Grimbergen de combinatie met Ramanspectroscopie. Via deze vorm van microscopie kan een voorspelling over het weefseltype gedaan worden. Volgens Grimbergen zou deze combinatie van technieken mogelijk klinisch toepasbaar zijn.


In Codex Medicus: Urotheeltumor

Bron: Universiteit Utrecht

Behandeling hiv kan met minder medicijnen

Amsterdam, 25 oktober 2010 - Bij de meeste hiv-patiënten werkt een behandeling met één medicijn (monotherapie) net zo krachtig als de gangbare, levensreddende combinatie van drie medicijnen (combinatie- of tripletherapie). Dit concludeert arts-onderzoeker Wouter Bierman in zijn proefschrift waarop hij op 26 oktober aan VU medisch centrum promoveert. Bierman pleit dan ook voor verder onderzoek naar een behandelstrategie met minder medicijnen. Dat geeft minder bijwerkingen, leidt tot minder virusresistentie en is bovendien goedkoper, wat met name belangrijk is voor patiënten in bijvoorbeeld Afrika.


Voor zijn conclusie analyseerde Bierman alle bekende onderzoeken over monotherapie met proteaseremmers bij hiv-patiënten. Proteaseremmers voorkomen dat hiv nieuwe virussen aanmaakt. Zij zijn sinds 1995 bekend als medicijn.


Momenteel is een combinatie van drie medicijnen gebruikelijk. Maar Bierman laat zien dat slechts één proteaseremmend medicijn bij de meeste patiënten in staat is om het virus te onderdrukken. Bij de groep patiënten bij wie deze monotherapie niet werkte, was het toevoegen van de andere medicijnen van de tripletherapie meestal voldoende om het virus opnieuw te blokkeren. Bierman stelt daarom in plaats van de reguliere tripletherapie een 3-1-3-strategie voor: starten met tripletherapie, als het virus een half jaar onderdrukt is doorgaan met één middel, en alleen indien nodig de behandeling weer intensiveren naar drie medicijnen. Dit kan voorkomen dat patiënten jarenlang teveel pillen slikken, met alle gevolgen van dien op het vlak van bijwerkingen en virusresistentie. Bovendien is het veel goedkoper, wat zeer gewenst is in landen waar financiering van hiv-medicijnen een probleem is, zoals in de meeste Afrikaanse landen.


Bierman verwacht dat monotherapie met proteaseremmers de komende jaren een belangrijke plaats in zal nemen bij de behandeling van hiv. Wel wijst hij erop dat verder onderzoek moet uitwijzen hoe veilig de 3-1-3-strategie is op de lange termijn en welke patiënten hiervoor in aanmerking komen. De eerste onderzoeken hiernaar zijn al gestart.


In Codex Medicus: Humaan immunodeficiëntievirus


Bron: VU medisch centrum

Nieuwe bloedtest hartinfarct wel snel maar niet sluitend


Utrecht, 21 oktober 2010 - Madeleine Bruins Slot verrichtte een groot diagnostisch onderzoek in de regio Utrecht naar een nieuwe bloedtest om hartinfarcten (‘acuut coronair syndroom’) vast te stellen. De test meet een eiwit dat vrijkomt bij hartschade (heart-type fatty acid-binding protein (H-FABP), Cardiodetect® test). Met een vingerprik worden 4 druppels bloed verkregen en aangebracht op de testkaart. Binnen 15 minuten is de uitslag af te lezen.


Huisartsen namen de test bij 298 patiënten verdacht van hartinfarct af. 22% had een acuut coronair syndroom. Bij een positieve test had 65% een acuut coronair syndroom, bij een negatieve test had 84% géén acuut coronair syndroom, ofwel specificiteit 94% en sensitiviteit 43%.

De test zal altijd als aanvulling gebruikt worden op anamnese en lichamelijk onderzoek. Uit het onderzoek van Bruins Slot blijkt dat de H-FABP sneltest gebruikt kan worden in de patiëntengroep met een lage verdenking op een hartinfarct. De test kan dan helaas niet gebruikt worden om een hartinfarct uit te sluiten, omdat de test in 16% van de gevallen een hartinfarct niet detecteert. Wel kan de test gebruikt worden als extra veiligheid om geen hartinfarct te missen: als de huisarts de patiënt niet naar het ziekenhuis wilde verwijzen, maar de test is positief, zou de patiënt tóch verwezen moeten worden.

In Codex Medicus: Hartinfarct
 
Bron: Universiteit Utrecht

Kunstmatig breken van de vliezen en inknippen: bij normale bevallingen alleen in bepaalde omstandigheden aanbevolen

Brussel, 20 oktober 2010 - Het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) heeft samen met een werkgroep van gynaecologen en vroedvrouwen aanbevelingen uitgewerkt voor de ‘normale’ bevallingen met een laag risico. Het is belangrijk dat zwangere vrouwen en hun partner goed geïnformeerd worden over alle stadia van de bevalling, zodat zij bewuste keuzes kunnen maken die zoveel mogelijk gerespecteerd moeten worden. Het kunstmatig breken van de vliezen en het inknippen kan beter geen standaard routine zijn.

Voor onze overgrootmoeders was een bevalling nog een riskante gebeurtenis. Honderd jaar geleden stierven vrouwen nog regelmatig in het kraambed en de kindersterfte tijdens of na de geboorte was vrij hoog. In de loop van de 20e eeuw verbeterde de veiligheid van moeder en kind in de Westerse landen voortdurend. Zelfs de laatste 30 jaar daalde de babysterfte nog van 22 naar minder dan 7 op 1000 geboortes. Deze spectaculaire verbetering ging wel gepaard met een zeer sterke medicalisering en een toenemend gebruik van technologieën bij bevallingen. En soms heeft technologie de neiging om te ver te gaan, en niet elke innovatie lost de verwachtingen in.

Richtlijnen voor ‘normale’ bevallingen
Het KCE stelde richtlijnen op voor normale bevallingen bij gezonde zwangere vrouwen met een laag verloskundig risico. Ze zijn bedoeld voor alle zorgverleners van een kraamafdeling en werden gemaakt op basis van de recente internationale wetenschappelijke literatuur en in samenspraak met gynaecologen en voedvrouwen. De aanbevelingen hebben betrekking op alle fasen van de bevalling, vanaf de opname in het ziekenhuis, tot het eerste uur na de geboorte.

Informeren van de zwangere vrouw en haar partner cruciaal
Het KCE pleit ervoor om de zwangere vrouw en haar partner goed in te lichten over de organisatie van de kraamkliniek, alle stadia van de bevalling en alle mogelijke handelingen. Het gaat hierbij dan over het eventueel kunstmatig op gang brengen van de bevalling, het verzachten van de pijn en de houding bij de bevalling. Het geven van deze informatie zou integraal deel moeten uitmaken van de opvolging van de zwangere vrouw, zodat zij hierover bewuste keuzes kan maken. De zwangere vrouw wordt ook aangespoord om zich in de kraamkliniek te laten bijstaan door een persoon naar keuze.

Kunstmatig inleiden van de bevalling
In België wordt bijna 1 op 3 van de bevallingen kunstmatig op gang gebracht, soms ongetwijfeld uit medische noodzaak, maar soms ook om praktische, organisatorische redenen. In de wetenschappelijke literatuur kan geen belangrijk medisch nadeel bij deze aanpak gevonden worden. Maar vrouwen ervaren een ingeleide bevalling meestal als pijnlijker dan een spontane, en er is ook iets meer kans op een keizersnede als de baarmoederhals niet ‘rijp’ is. Daarnaast is de impact op de baby niet gekend. Daarom wordt de inleiding van een bevalling om louter organisatorische redenen, tussen 39 en 41 weken, afgeraden.

Pijnverzachting: keuze vrouw respecteren
De keuzes van de vrouw m.b.t. pijnverzachtig, en de eventuele veranderingen van keuzes, zouden zoveel mogelijk moeten worden gerespecteerd. Als de vrouw pijnstilling vraagt, is een plaatselijke verdoving (meestal een epidurale) de beste keuze. Deze verdoving wordt best niet onderbroken tijdens de bevalling of het hechten van de knip

Breken van vliezen en inknippen: beter niet routinematig
Grote wetenschappelijke studies hebben aangetoond dat het routinematig breken van de vliezen om de arbeid te versnellen, en het systematisch geven van een knip om inscheuren te vermijden, geen voordeel opleveren tegenover een meer gericht toepassen van deze maatregelen.

De wetenschappelijke evidentie ontwikkelt zich voortdurend. Daarom zal een herziening van deze richtlijnen binnen 5 jaar waarschijnlijk nodig zijn.

Het rapport is beschikbaar op de website van het KCE.

In Codex Medicus: Amniotomie

In Codex Medicus: Episiotomie

Bron:  Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE)
Gedrag verstandelijk gehandicapte te herstellen


Rotterdam, 15 oktober 2010 - Voor het eerst is het gelukt om met medicijnen gedragsafwijkingen te verhelpen die optreden bij een bepaalde verstandelijke handicap. Muizen met de erfelijke handicap 'het fragiele X-syndroom' vertoonden na een behandeling met een nieuw soort medicijnen normaal gedrag.


Dat blijkt uit onderzoek van Josien Levenga van de afdeling Klinische Genetica van het Erasmus MC. Door haar onderzoek, waar Levenga woensdag 20 oktober op promoveert, is de hoop gestegen dat ook mensen met dit syndroom kunnen worden geholpen.


Kerngezond

Het fragiele X-syndroom is de meest voorkomende erfelijke oorzaak van verstandelijke handicap. Het komt vaker voor bij jongens (1 op de 4.000) dan bij meisjes (1 op de 6.000). Patiënten vertonen vaak gedragsafwijkingen, zoals hyperactiviteit en gedrag dat lijkt op autisme. Mensen met dit syndroom zijn lichamelijk meestal kerngezond en hebben een normale levensverwachting.


Signalen

Patiënten met het fragiele X-syndroom hebben een afwijking op het X-chromosoom. Daardoor ontstaat een zwakke verbinding tussen de zenuwcellen en worden signalen vanuit de hersenen niet goed doorgegeven. De zwakke verbinding ontstaat doordat in de zenuwcellen van de hersenen een eiwit ontbreekt: het eiwit fragiele X Mentale Retardatie Proteïne (FMRP).
Tijdens haar onderzoek gaf Levenga een nieuw soort medicijn aan de muizen, dat specifiek ingreep op de verstoorde signaaloverdracht in de hersenen. Levenga: "Na behandeling gingen de zenuwcellen op een normaal niveau met elkaar communiceren."


Verdwijnen

De bevindingen zijn veelbelovend voor mensen met het fragiele X-syndroom. Levenga: "We hopen dat we ook bij hen de symptomen van de handicap kunnen verminderen of zelfs kunnen laten verdwijnen." In Europa en de Verenigde Staten zijn inmiddels de eerste onderzoeken met patiënten gestart. Zij krijgen dezelfde medicijnen als de muizen in het onderzoek van Levenga.

In Codex Medicus: Fragiele X-syndroom

Bron: Eramus MC

Hormoontherapie verhoogt risico nierstenen


12 oktober Amsterdam - Het gebruik van oestrogenen door gezonde postmenopauzale vrouwen verhoogt het risico op nierstenen. Dit beschrijven Naim Maalouf c.s. in Archives of Internal Medicine.


Veel studies bestudeerden de voor- en nadelen van hormoonsuppletie voor postmenopauzale klachten zoals opvliegers en osteoporose. Bekende nadelen zijn borstkanker, longembolie en endometriumkanker.

Over de rol van oestrogeentherapie bij het ontstaan van nierstenen lieten observationele studies tegenstrijdige resultaten zien. Geïnitieerd door The Women's Health Initiative werkten veertig Amerikaanse centra mee aan onderzoeken met verschillende substudies.


Een van deze studies was een grote, dubbelblinde, placebogecontroleerde, gerandomiseerde klinische studie naar het risico op nierstenen bij hormoontherapie voor postmenopauzale vrouwen. De onderzoekers randomiseerden 27.347 postmenopauzale vrouwen tussen de 50 en de 79 jaar oud. Vrouwen van wie de baarmoeder was verwijderd (n=10.739) kregen enkel oestrogenen of een placebo voorgeschreven en vrouwen met een intacte baarmoeder (n=16.608) kregen een placebo of oestrogenen plus progestine.

Halfjaarlijks was er telefonisch contact en vulden de vrouwen vragenlijsten in, daarnaast brachten zij elk jaar een bezoek aan de onderzoekskliniek. De follow-upperiode van vrouwen met een baarmoeder stopte vroegtijdig na gemiddeld 5,6 jaar, omdat de risico's van de hormoonbehandeling (met name borstkanker, maar ook hart- en vaatziekten, CVA, longembolie) de voordelen ervan (bescherming heupfractuur en colorectaal carcinoom) overtroffen. De follow-upperiode van de vrouwen zonder baarmoeder stopte na 7,1 jaar vanwege een toename in CVA's en geen voordelen voor hart- en vaatziekten.


Uiteindelijk waren er in de groep die oestrogeensuppletie ontving (enkel of in combinatie met progestine) 335 gevallen van nierstenen tegen 284 gevallen in de placebogroep, overeenkomend met een jaarlijkse incidentie van respectievelijk 39 en 34 per 10.000 personen.


De onderzoekers concludeerden dat oestrogeentherapie het risico op nierstenen verhoogt bij gezonde postmenopauzale vrouwen, onafhankelijk van gelijktijdige toediening van progestine. Kortom, nog meer kritische noten om mee te nemen in de besluitvorming over postmenopauzaal oestrogeengebruik.

In Codex Medicus: Postmenopauze

Bron: MedischContact.nl

Biomarkers sporen zuurstoftekort in hartspier op

Amsterdam, 8 oktober 2010 - Het is soms moeilijk om een hartinfarct te voorspellen zonder belastend onderzoek zoals een hartfilmpje of een inspanningstest. Marc van der Zee bekeek de mogelijkheid om mensen met zuurstoftekort in de hartspier op te sporen met een bloedbepaling van biochemische markers. Sommige spelen een rol in de bloedstolling, die de bloedtoevoer naar de hartspier kan bedreigen, waardoor een hartinfarct ontstaat. Bij zuurstoftekort in de hartspier wordt een bepaald hormoon (NTproBNP) aangemaakt. Hiermee konden patiënten met klachten worden geïdentificeerd die geen afwijkend hartfilmpje hadden, maar op langere termijn problemen van hart en vaten ondervonden.

Van der Zee verdedigt zijn proefschrift op 20 oktober.

In Codex Medicus: Hartinfarct

Bron: Universiteit van Amsterdam

Jaarlijkse griepvaccinatie van start

Bilthoven, 7 oktober 2010 - Vanaf half oktober start de jaarlijkse griepvaccinatie. In oktober en november krijgen ongeveer 5 miljoen mensen met een verhoogd risico een uitnodiging van hun huisarts voor de gratis griepprik. De jaarlijkse griepprik beschermt tegen ernstige gevolgen van de meest voorkomende griepvirussen. Mensen die een griepprik halen, hebben minder kans om griep te krijgen. Mochten ze de ziekte toch krijgen, dan verloopt die vaak veel minder ernstig.


De jaarlijkse griepprik beschermt tegen de meest voorkomende griepvirussen. Omdat elk jaar andere griepvirussen de ronde doen, verandert de griepprik ieder jaar. Elk voorjaar maken deskundigen een inschatting van de griepvirussen die komende winter het meest zullen voorkomen. Op basis daarvan wordt de samenstelling van de griepprik vastgesteld. De prik die dit jaar wordt gegeven, biedt ook bescherming tegen het virus dat de Mexicaanse griep veroorzaakt en tegen twee andere griepvirussen. De jaarlijkse griepprik bevat alleen gedode virusdeeltjes. Het is dan ook niet mogelijk om griep te krijgen van de griepprik.

Waarom de griepprik?
Voor de meeste mensen is griep ‘slechts’ een vervelende ziekte die vanzelf overgaat. Maar griep is niet altijd zo onschuldig als het soms lijkt. Jaarlijks overlijden 100 tot 2000 mensen aan griep, vooral ouderen. Mensen van 60 jaar en ouder hebben een verminderde afweer en de gevolgen van griep kunnen dan ernstiger zijn. Dat geldt ook voor mensen met een verminderde afweer door ziekte of medicijnen en mensen met hart- en vaatziekten, long- en nierziekten en diabetes. De ziekte kan verergeren door de griep en daardoor tot ziekenhuisopname leiden. Zwangerschap is voor vrouwen met een chronische ziekte een extra reden om de griepprik te halen.

Wat is griep?
Griep wordt veroorzaakt door griep- of influenzavirussen en komt in de winter voor. Kenmerkend voor griep is meestal koorts, die binnen 12 uur kan oplopen tot 39°C of hoger. Volledig herstel van griep duurt één tot drie weken. Omdat elk jaar andere griepvirussen circuleren, wisselt het aantal mensen dat de griep krijgt. Gemiddeld krijgen jaarlijks 1 tot 1,5 miljoen mensen griep.

In Codex Medicus: Vaccinaties

 

In Codex Medicus: Influenza

 

Bron: RIVM

Hartmassage door leken beter niet combineren met mond-op-mondbeademing

Chicago, 6 oktober 2010 - Hartmassage bij mensen die een hartaanval krijgen buiten het ziekenhuis, geeft betere resultaten wanneer die niet wordt gecombineerd met mond-op-mondbeademing. Dit blijkt uit een studie die vandaag is gepubliceerd in The Journal of the American Medical Association.


De onderzoeksgroep bestond uit 4.414 volwassenen die in de staat Arizona tussen 2005 en 2009 een hartaanval buiten het ziekenhuis kregen. Slechts 5,2 procent van de mensen die geen hartmassage kregen, overleefde. De overlevingsgraad steeg naar 7,8 procent voor de mensen die hartmassage en mond-op-mondbeademing kregen, maar bedroeg 13,3 procent wanneer er alleen hartmassage was toegepast.


Een verklaring zoeken de onderzoekers in het feit dat de hartmassage wordt onderbroken wanneer die wordt gecombineerd met mond-op-mondbeademing. De kans op een succesvolle reanimatie is groter wanneer het indrukken van de borstkas juist niet wordt onderbroken.


In Codex Medicus: Cardiopulmonale resuscitatie

Bron: The Journal of the American Medical Association

TRAIL-combinatietherapie wellicht gunstig bij behandeling hersentumor GBM

Groningen, 5 oktober 2010 - Patiënten met een glioblastoma (GBM), een kwaadaardige hersentumor, hebben een slechte prognose. Ondanks de standaardbehandeling van chirurgie, radiotherapie en chemotherapie is de mediane overleving maar iets meer dan een jaar. Neurochirurg Jos Kuijlen van het UMCG onderzocht de mogelijkheden om de behandeling te verbeteren op basis van de TNF Related Apoptosis Inducing Ligand (TRAIL), een molecuul dat een binding aangaat met TRAIL-receptoren op het celmembraan van GBM cellen, waarna celdood geïnduceerd kan worden.


Kuijlen concludeert dat TRAIL en TRAIL-varianten unieke eigenschappen hebben en daardoor een rol kunnen spelen bij de behandeling van het GBM. Een GBM-behandeling van TRAIL in combinatie met een conventionele therapie geeft in theorie de meeste kans op succes, zo stelt de promovendus. De TRAIL-combinatietherapie kan wellicht bijdragen aan het overwinnen van chemo-radiotherapeutische resistentie van het GBM en hopelijk de overleving van deze patiëntengroep verlengen. Echter, de uitkomsten van het onderzoek zijn op dit moment niet te vertalen in nieuwe behandelingsvoorstellen voor patiënten met een GBM en zijn niet van invloed op de huidige standaardbehandeling van het GBM.


In Codex Medicus: Glioma

Bron: Rijksuniversiteit Groningen
 

Liposarcoom: van biologie tot therapie


Amsterdam, 4 oktober 2010 - Liposarcomen (vetceltumoren) vormen de grootste subgroep binnen de groep van tumoren in de weke delen, weefsels die zich onder de huid, rondom de organen en botten of in de ruimtes daartussen bevinden. De differentiatie tussen lipomen (goedaardige vetbulten) en liposarcomen en de verdere classificatie van liposarcomen in subtypes is belangrijk voor het kiezen van de juiste therapie en voor de verdere prognose. Tussen de diverse soorten liposarcomen bestaan grote verschillen.

Ronald de Vreezes onderzoek richtte zich onder andere op moleculaire achtergrond en uitzaaiingspatronen en verdedigt vrijdag 8 oktober zijn proefschrift.


In Codex Medicus: Wekedelentumoren

Bron: Universiteit van Amsterdam

Succesvolle behandeling van psoriasis met biologicals

Nijmegen, 1 oktober 2010 - Sinds 2005 worden op de afdeling Dermatologie van het UMC St Radboud alle psoriasispatiënten gevolgd die behandeld worden met een nieuw soort geneesmiddelen (‘biologicals’) in de dagelijkse praktijk.

Uit onderzoek van Rieke Driessen blijkt dat deze biologicals een effectieve en veilige behandeling zijn voor psoriasispatiënten. Deze effectiviteitscijfers uit de dagelijkse praktijk zijn echter lager dan de cijfers uit gecontroleerde onderzoeken.

Tijdens de behandeling met biologicals stegen de directe kosten met ruim 7.500 euro per patiënt per jaar ten opzichte van de periode eerder. De directe kosten zijn de kosten voor onder meer medicatie, diagnostiek en ziekenhuispersoneel. Voor een klein aantal patiënten resulteerde de behandeling met biologicals echter in een afname van de directe kosten, aangezien langdurige ziekenhuisopnames konden worden voorkomen. Analyses van data van nationale vergoedingsaanvragen voor biologicals laten zien dat bijna 95 procent van alle vergoedingsaanvragen door de beoordelingscommissie is gehonoreerd.

Geneesmiddelenregistraties zoals deze dragen bij aan de beeldvorming over de effectiviteit en veiligheid van nieuwe geneesmiddelen in de dagelijkse praktijk, zowel op korte als lange termijn.

In Codex Medicus: Biologicals

In Codex Medicus: Psoriasis

Bron: Radboud Universiteit Nijmegen
Meer regie apotheker vermindert botontkalking door geneesmiddelengebruik

Groningen, 30 september 2010 - Het risico op osteoporose (botontkalking) als bijwerking van corticosteroïden als prednisolon, is afhankelijk van de mate waarin het middel wordt gebruikt. Hoewel deze bijwerking kan worden tegengegaan met medicatie tegen botontkalking, blijkt uit het onderzoek van Michiel Duyvendak dat dit slechts in 54 procent van de gevallen daadwerkelijk gebeurt. In verbetering van deze situatie kan de (ziekenhuis)apotheker een belangrijke rol spelen, volgens Duyvendak, die promoveert op 8 oktober 2010 aan de Rijksuniversiteit Groningen.


Botbreuken komen veel voor: zo'n 80.000 spoedeisende hulpgevallen per jaar. Een aanzienlijk deel van deze botbreuken wordt veroorzaakt door osteoporose, ontstaan door geneesmiddelgebruik, met name van corticosteroïden als prednisolon. Onnodig, stelt Michiel Duyvendak. In veel gevallen is de medicatie eenvoudig aan te passen, zodat patiënten minder risico lopen.


Richtlijnen
Uit een inventarisatie van de motieven van huisartsen en specialisten om hun patiënten geen medicatie tegen botontkalking, zogeheten bisfosfonaten, voor te schrijven blijkt dat dokters soms de verantwoordelijkheid daarvoor doorschuiven naar een collega. Met een actieve rol van de apotheker kan deze situatie worden verbeterd. Duyvendak: ‘Er bestaan hele duidelijk richtlijnen over welke patiënten aanvullende medicatie moeten hebben en welke niet. De apotheker kan veel beter dan alle andere partijen zien of patiënten deze pillen daadwerkelijk hebben gekregen en zo ja, hoeveel.'


Regie bij apotheker
Door de medicatie al voor opname van de patiënt te analyseren blijkt dat geneesmiddelgerelateerde problemen worden teruggebracht van gemiddeld 3,6 tot 1,5 per patiënt. ‘Patiënten komen voorafgaand aan een operatie naar het ziekenhuis voor een voorbereidend gesprek. Op zo'n moment kun je ook een gesprek inplannen met de apothekersassistent, eventueel aangevuld met de apotheker.' Op deze manier ligt de regie over de medicatie bij de apotheker en niet bij de steeds wisselende specialisten waarmee de patiënt te maken krijgt voor, tijdens en na de operatie.


Goedkoper
‘Natuurlijk is dit voor de apotheker iets arbeidsintensiever,' erkent Duyvendak. ‘Maar op de langere termijn bespaart een grotere regisserende rol van de (ziekenhuis)apotheker ook kosten voor het ziekenhuis. Een dergelijke regie maakt dus de zorg veiliger, efficiënter én goedkoper.'


In Codex Medicus: Osteoporose

In Codex Medicus: Osteoporose en fracturen door corticosteroïden

Bron: Rijksuniversiteit Groningen

Gebruik pacemakers in België 25% boven West-Europees gemiddelde

Brussel, 29 september 2010 - Na Duitsland heeft België het hoogste aantal pacemakerimplantaties in West-Europa: 11 per 10.000 inwoners. Het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) kon voor de grote verschillen met de andere West-Europese landen geen demografische of medische verklaring geven. Voor veel van de indicaties en symptomen waarvoor pacemakers vandaag worden aanbevolen, is het nut niet aangetoond door goede wetenschappelijke studies. Daarnaast ontbreken in België de gegevens om het gebruik van pacemakers kritisch te beoordelen.


Wat is een pacemaker?
De pacemaker is de enige doeltreffende behandeling van een abnormaal traag hartritme (bradycardie) en is een van de succesverhalen van de medische technologie. Het apparaatje, dat onder het sleutelbeen wordt ingeplant, controleert voortdurend het hartritme van zijn drager. Als het hartritme te traag wordt, stuurt het toestel zelf elektrische prikkels naar het hart, waardoor dit samentrekt en sneller gaat kloppen.


Vijftig jaar geleden werd de pacemaker ontwikkeld voor patiënten die leden aan bradycardie door een zogenaamd "totaal hartblok", waarbij de hartslag soms kon terugvallen tot minder dan 20 per minuut. Het effect van een pacemaker was bijna miraculeus: ernstige klachten zoals herhaald flauwvallen verdwenen prompt.


Uitbreiding van gebruik
In de loop van de jaren werden de indicaties voor pacemakers uitgebreid naar andere types van bradycardie, met andere en minder uitgesproken symptomen zoals duizeligheid, moeheid en ijlhoofdigheid. Voor vele van deze indicaties, die men nochtans in de internationale praktijkrichtlijnen vindt, werd het nut van pacemakers nooit aangetoond in goede wetenschappelijke studies. De beslissing om al dan niet een pacemaker te plaatsen berust dan op de opinie van experten en het oordeel van de arts zelf.


25% boven Europees gemiddelde
In 2007 betaalde de ziekteverzekering ongeveer 11.000 van deze apparaten terug, met een gemiddelde van € 5.200 per patiënt. Hiermee ligt het Belgische jaarlijkse implantatiecijfer 25% hoger dan het West-Europese gemiddelde, en is België, na Duitsland, Europees koploper. De KCE onderzoekers konden bij de bevolking geen verschillen qua leeftijd of ziekte vinden die deze hoge cijfers ten opzichte van andere landen zouden verklaren.


Aanbevelingen
Het KCE beveelt aan om in de toekomst nieuwe en veelbelovende medische technieken slechts terug te betalen nadat wetenschappelijk aangetoond is dat ze nut hebben. Voor het KCE toont het voorbeeld van de pacemakers aan dat het anders achteraf heel moeilijk wordt een brede terugbetaling nog in vraag te stellen.


In Codex Medicus: Pacemaker

Bron: Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg

Optimalisatie van MRS voor beeldvorming van hersentumoren


Nijmegen, 28 september 2010 - Er is nog geen therapie om patiënten met primaire hersentumoren te genezen. Daarom wordt er volop gezocht naar nieuwe behandelmogelijkheden. Om deze te ontwikkelen, moeten hersentumoren adequaat gediagnosticeerd en gekarakteriseerd worden. Informatie over de stofwisseling van de tumor is daarbij van groot belang. Met Magnetische Resonantie Spectroscopie (MRS) kun je op een niet-snijdende manier informatie over deze tumorstofwisseling krijgen.


Jannie Wijnen deed onderzoek naar de ontwikkeling en toepassing van nieuwe MRS-methoden om tumoren in patiënten te onderzoeken. Uit haar onderzoek blijkt dat twee nieuwe methoden (proton- en fosfor-MRS) een belangrijke rol kunnen spelen bij het vaststellen van het type tumor, de kwaadaardigheid, en bij het monitoren van de effecten van therapie.


Het onderzoek van Wijnen is maatschappelijk zeer van belang. Mogelijk kunnen de nieuwe MRS-methoden leiden tot andere behandelstrategieën voor patiënten met hersentumoren. Ook kunnen deze methoden bijdragen aan meer inzicht in het ontstaan en de groei van hersentumoren.


In Codex Medicus: Tumor cerebri


In Codex Medicus: Magnetische resonantie

Bron: Radboud Universiteit Nijmegen

Nieuwe behandeling van artrose

Utrecht, 24 september 2010 - Femke Intema laat in haar proefschrift zien dat ontlasting van gewrichten kan leiden tot vermindering van de artrose. Zij behandelde jonge patiënten met ernstige enkel- of knieartrose enkele maanden met gewrichtsdistractie. Bij deze behandeling wordt het gewricht ontlast door een frame dat operatief rond het gewricht geplaatst wordt.
Het resultaat van deze behandeling is sterke vermindering van klachten bij driekwart van de patiënten. Daarnaast blijken het gewrichtskraakbeen en het beschadigde bot te herstellen. Dergelijk weefselherstel werd tot op heden bij artrose als onmogelijk verondersteld.

Intema vond zelfs een duidelijk verband tussen het botherstel en de vermindering van de pijn. Dit geeft aan dat botveranderingen een belangrijke oorzaak zijn voor de pijn bij artrose, iets dat tot op heden nog onduidelijk was. Gewrichtsdistractie is de eerste effectieve behandeling van artrose.

In Codex Medicus: Artrose

Bron: Universiteit Utrecht
Website over hartritmestoornis biedt informatie over veilig medicijngebruik

Amsterdam, 23 september 2010 - Pieter Postema bestudeerde drie erfelijke hartritmestoornissen: QT-U-syndromen, Brugadasyndroom en idiopathisch ventrikelfibrilleren. Hij keek vooral naar afwijkingen in het ECG (elektrocardiogram of hartfilm). Hij vond methoden die gebruikt kunnen worden voor een betere herkenning van erfelijke hartritmestoornissen op basis van het ECG. In het kader van het onderzoek werd een website gestart over Brugadasyndroom waarop zowel artsen als patiënten informatie kunnen vinden over veilig medicijngebruik.


In Codex Medicus: Brugadasyndroom

Bron: Universiteit van Amsterdam

Griepvaccin beschermt tegen hartinfarct

Lincoln (UK), 22 september 2010 - De jaarlijkse griepprik beschermt tevens tegen hartaanvallen, zo blijkt uit een nieuwe studie. Hoe eerder in het seizoen de spuit gegeven wordt, hoe groter de bescherming.

Het risico op een hartaanval verminderde met 19 procent bij degenen die een vaccinatie kregen. Het onderzoek werd uitgevoerd aan de Universiteit van Lincoln na analyse van meer dan 78.000 mensen in Wales en Engeland.


Oorzaken
"De bevindingen versterken het vermoeden dat vaccinaties gunstig zijn", reageert cardiologieprofessor Krumholz. "We raden griepprikken aan voor mensen met hart- en vaatziekten of bij personen met een verhoogd risico op cardiovasculaire problemen. Een infectie kan inwendige 'plaques' , aangroeisels van vetten aan de binnenkant van de slagader, aanwakkeren. Deze veroorzaken verstoppingen waardoor een hartaanval kan ontstaan. Griep verhoogt tevens de ontstekingswaarden in het lichaam, wat alweer een hartaanval kan uitlokken. Met een griepprik worden deze oorzaken weggenomen".


De resultaten van het onderzoek werden gepubliceerd in the Canadian Medical Association Journal.


In Codex Medicus: Vaccinaties


In Codex Medicus: Hartinfarct


Bron: Canadian Medical Association

Dementie kost wereldwijd 600 miljard dollar per jaar


Bunnik, 21 september 2010 - De wereldwijde kosten van dementie bedragen 604 miljard dollar per jaar. Dit blijkt uit het World Alzheimer Report 2010.

De Nederlandse kosten worden geschat op 10 miljard dollar oftewel 7½ miljard euro. Het rapport laat verder zien dat mantelzorg onmisbaar is om de dementiezorg betaalbaar te houden, zeker met het oog op een kostenstijging van 70% voor de komende 20 jaar die  het RIVM becijferde. Volgens Alzheimer's Disease International (ADI) blijven de toekomstige maatschappelijke kosten alleen beheersbaar als er nu wordt ingezet op wetenschappelijk onderzoek en kosteneffectieve benaderingen in de zorg. Alzheimer Nederland onderschrijft de conclusies en startte afgelopen week een campagne om de impact van dementie en de noodzaak voor nieuwe maatregelen bekend te maken bij het grote publiek.


Kosten van mantelzorg
Het World Alzheimer Report 2010 beschrijft de wereldwijde economische impact van dementie. Nieuw is dat de onderzoekers de financiële waarde van mantelzorg in de berekeningen hebben meegenomen. Hieruit blijkt dat, als we mantelzorgers zouden betalen voor zorg, de dementiezorg in rijke landen 67% duurder zou zijn. De dementiezorg in Nederland kost hierdoor zo'n 3 miljard minder dan de geschatte 7½ miljard. Gea Broekema, algemeen directeur van Alzheimer Nederland: "Deze cijfers geven feilloos de enorme waarde van mantelzorgers weer. De overheid moet dit enorme kapitaal veel meer koesteren. Uit onderzoek blijkt namelijk dat 80% van de mantelzorgers overbelast is of hier een groot risico op loopt." Binnen veertig jaar zal het aantal mensen met dementie in Nederland verdubbelen tot ruim een half miljoen, terwijl de beroepsbevolking die voor hen moet zorgen zal halveren.


In Codex Medicus: Ziekte van Alzheimer


Bron: Alzheimer Nederland

Meer dan 70.000 ziekenhuisinfecties per jaar


Bilthoven, 17 september 2010 - In de periode 2007-2009 heeft 6,6 procent van de patiënten in Nederlandse ziekenhuizen een infectie opgelopen. Het gaat in Nederland om ongeveer 74.000 mensen per jaar.

Ziekenhuisinfecties ontstaan door of tijdens een verblijf in een ziekenhuis, zoals urineweginfecties (UWI), luchtweginfecties, maagdarminfecties en postoperatieve wondinfecties (POWI). Het optreden van een ziekenhuisinfectie is sterk geassocieerd met de verleende medische zorg en het handelen van het medisch personeel.

 

Ziekenhuisinfecties veroorzaken een verhoogde morbiditeit, een langere opnameduur en een toename in kosten. Inzicht in het aantal en soort ziekenhuisinfecties geeft een handvat om het gevoerde preventiebeleid te evalueren en te verbeteren. Surveillance van ziekenhuisinfecties is een belangrijke peiler voor het infectiepreventiebeleid in ziekenhuizen. Prevalentieonderzoek kan basisinformatie verschaffen over het vóórkomen en de verdeling van ziekenhuisinfecties per ziekenhuis. Landelijk laten deze cijfers trends zien in het optreden van ziekenhuisinfecties en de ziektelast ervan. Sinds maart 2007 wordt binnen het Preventie van Ziekenhuisinfecties door Surveillance (PREZIES)-netwerk tweemaal per jaar, in maart en oktober, het nationale prevalentieonderzoek naar ziekenhuisinfecties uitgevoerd. In oktober 2009 vond deze meting voor de zesde keer plaats.

Gezien het frequente optreden en de aanzienlijke kosten van ziekenhuisinfecties heeft het voorkomen en terugdringen van ziekenhuisinfecties een hoge prioriteit. Het Veiligheidsprogramma 'Voorkom schade, werk veilig' heeft tien thema’s geïntroduceerd om de veiligheid van ziekenhuiszorg te verbeteren. Het voorkomen van wondinfecties na een operatie en het voorkomen van lijnsepsis bij patiënten met een centraal veneuze lijn zijn de twee thema’s op het gebied van infectiepreventie.

In Codex Medicus: Ziekenhuisinfecties

Bron: RIVM

Prostaatklachten groot probleem voor mannen


Utrecht, 16 september 2010 - Prostaatklachten zijn voor veel mannen een groot probleem waar ze veel te lang mee rond blijven lopen uit angst, onbekendheid en/of schaamte. De European Association of Urology (EAU) en de Nederlandse Vereniging voor Urologie (NVU) slaan dit jaar de handen ineen om het publiek te informeren over de prostaat en de relevante aandoeningen en behandelingsmogelijkheden.

Daarom organiseerden zij gisteren een publieksmanifestatie in Amsterdam, de Prostaatdag. Op de Dam was een megaprostaat te zien, waar mensen in konden rondlopen. Er werd informatie uitgedeeld en er waren urologen ter plaatse die vragen van het publiek beantwoordden.


Natuurlijk hopen ze op aandacht van de media voor deze actie, zodat zoveel mogelijk mensen bereikt worden. Dit hopen ze o.a. te bereiken door een NIPO onderzoek uit te laten voeren naar wat mannen weten over hun prostaat en de prostaatproblemen. Aan de hand van de resultaten van het NIPO-onderzoek zal een multimedia release opgezet worden via het ANP. Voor dit doel zal ook de (patiënten)website aangepast worden. De NVU en de EAU gaan samen voor meer aandacht in de media, waardoor meer mensen goed geïnformeerd worden over prostaataandoeningen en naar onze overtuiging veel leed voorkomen kan worden.

In Codex Medicus: Prostatitis

In Codex Medicus: Prostaatvergroting

In Codex Medicus: Prostaatcarcinoom

Bron: Nederlandse Vereniging voor Urologie

Meer bekend over ongevoeligheid voor chemotherapie bij zaadbalkanker

Groningen, 15 september 2010 - Zaadbalkanker is de meest voorkomende vorm van kanker bij mannen van 20 tot 40 jaar. Door de introductie van cisplatine chemotherapie is de kans op genezing bij zaadbalkanker heel groot. Toch is er een kleine groep patiënten bij wie de kanker onvoldoende reageert op de chemotherapie. Deze patiënten overlijden als gevolg van zaadbalkanker. Onderzoeker drs. Roelof Koster en projectleider dr. Steven de Jong van de afdeling Medische Oncologie hebben samen met verschillende afdelingen binnen het UMCG en RUG nieuw inzicht verkregen in de reden waarom zaadbalkankers ongevoelig (resistent) kunnen worden voor chemotherapie. Daarnaast hebben ze een manier gevonden om deze resistentie op te heffen. Dit onderzoek biedt aanknopingspunten voor het ontwikkelen van nieuwe therapieën bij zaadbalkanker. In het wetenschappelijk tijdschrift The Journal of Clinical Investigation publiceren zij hierover. 
  
In eerder onderzoek is al beschreven dat zaadbalkankercellen heel gevoelig zijn voor cisplatine en doodgaan via geprogrammeerde celdood (apoptose). De onderzoekers van het UMCG ontdekten dat in cisplatine-resistente zaadbalkankercellen de apoptose route minder goed lijkt te werken. Of te wel: de kankercellen gaan niet dood. Normaal gesproken zorgt het eiwit p21 voor remming van de groei en zit het eiwit in de celkern. In resistente zaadbalkankercellen was het eiwit p21 verhoogd aanwezig, maar niet in de celkern zoals verwacht. P21 blijkt in het cytoplasma van de zaadbalkankercellen te zitten en is een heel belangrijke factor voor de ongevoeligheid voor chemotherapie met cisplatine.


De onderzoekers hebben ook inzicht gekregen in het mechanisme waarom zaadbalkanker cellen wel of geen p21 eiwit maken. Dit blijkt samen te hangen met de expressie van een belangrijke embryonale transcriptiefactor, Oct4. Zij tonen nu aan dat Oct4 niet rechtstreeks de p21 eiwit concentratie reguleert maar indirect door het tot expressie brengen van specifieke microRNAs. MicroRNA's blokkeren de aanmaak van het p21 eiwit.


Het meest belangrijke dat de onderzoekers hebben gevonden is een manier om met chemische remmers het p21 eiwit van het cytoplasma in de cel weer naar de celkern te verschuiven. Zo worden de tumorcellen weer gevoeliger voor chemotherapie. Het verschuiven van p21 van het cytoplasma naar de celkern door nog te ontwikkelen medicijnen, zou een nieuwe therapeutische strategie kunnen zijn voor de behandeling van patiënten met resistente zaadbalkanker. Ook bij andere vormen van kanker waar p21 in het cytoplasma van de tumorcellen cisplatine ongevoeligheid veroorzaakt, kan dit nu worden onderzocht.


In Codex Medicus: Testistumor

Bron: rijksuniversiteit groningen

Verantwoordelijk enzym voor groei agressieve hersentumoren ontdekt

Amsterdam, 14 september 2010 - De overlevingskans voor patiënten met een glioblastoma multiforme (GBM) - de meest voorkomende en tegelijkertijd meest agressieve vorm van hersentumoren - is tot nu toe praktisch nul. Dit komt door het zelfherstellende vermogen van de tumorcellen na operatie en bestraling: de tumor komt simpelweg terug.


 De Neuro-oncology Research Group (NRG) van VU medisch centrum, onder leiding van co-director en moleculair bioloog Tom Würdinger, heeft het enzym verantwoordelijk voor dit zelfherstellende vermogen ontdekt: 'Door dit enzym uit te schakelen, kunnen we de kankercel ontregelen, waardoor hij zichzelf als het ware opblaast.' Hiermee is in potentie een effectieve aanvullende behandelmethode ontdekt voor deze zeer agressieve en vrijwel altijd dodelijke kankersoort. Deze doorbraak is 13 september gepubliceerd in Cancer Cell, wereldwijd een van de meest gerenommeerde wetenschappelijke tijdschriften op het gebied van oncologisch onderzoek.


Tom Würdinger, die eveneens verbonden is aan Harvard, legt het belang van deze ontdekking uit: 'Tot nu toe zijn de behandelingen voor deze aandoening palliatief van aard, omdat we simpelweg niet wisten waardoor deze tumoren elke keer weer terugkwamen: na een succesvolle operatie en aanvullende chemotherapie vonden we vrijwel zonder uitzondering na zes maanden weer een nieuwe tumor op de hersenscan. Nu we weten welk enzym hier verantwoordelijk voor is, zijn we een grote stap verder in de ontwikkeling van een potentieel medicijn.' Würdinger benadrukt dat de resultaten weliswaar hoopgevend zijn, maar dat er nog een lange weg te gaan is voordat er een effectief medicijn ontwikkeld zal zijn.


Würdinger werkt bij dit onderzoek nauw samen met VUmc-artsen Shahryar Mir (kinderoncologie) en Philip de Witt Hamer (neurochirurgie), een op het oog aparte combinatie voor zulk fundamenteel onderzoek. Würdinger: 'In VUmc werken medisch specialisten en onderzoekers zo nauw samen, omdat we op elkaars lip zitten. Er is letterlijk een brug geslagen over de Amsterdamse Boelelaan tussen mijn werkplek en het ziekenhuis. Ik krijg van de neurochirurgen kankercellen aangeleverd die een uur geleden uit iemands hoofd zijn verwijderd. Dat is van onschatbare waarde voor ons onderzoek: from bench to bedside, letterlijk.


In Codex Medicus: Tumor cerebri

Bron: VU Medisch Centrum

Bijziendheid is erfelijk

Rotterdam, 13 september 2010 - Mensen die bijziend zijn, hebben de aandoening gekregen via hun ouders. Dat hebben onderzoekers van het Erasmus MC bewezen. Het is voor het eerst dat het wetenschappers is gelukt om aan te tonen dat er erfelijke factoren betrokken zijn bij bijziendheid.


Onscherp
Ruim een kwart van de mensen kampt met bijziendheid, waardoor ze slecht veraf kunnen zien. De aandoening is de belangrijkste oorzaak van blindheid op middelbare leeftijd. Bij bijzienden groeit de oogbol excessief in de lengte. Hierdoor valt het brandpunt van de lichtstralen die het oog in schijnen vóór het netvlies, in plaats van erop. Dat zorgt voor een onscherp beeld.


Aanwijzingen
Het zicht kan gecorrigeerd worden met een bril, lenzen of een chirurgische ingreep. "Het oog blijft echter altijd langer, waardoor het netvlies kan oprekken of de oogzenuw beschadigt. Hierdoor kan het netvlies loslaten of glaucoom ontstaan", zegt Caroline Klaver, oogarts bij het Erasmus MC.


Stadsbewoners
Mensen die als kind veel hebben gelezen, weinig buiten hebben gespeeld en een hoog opleidingsniveau hebben, krijgen op latere leeftijd vaker last van bijziendheid. Ook komt de aandoening vaker voor bij stadsbewoners dan op het platteland. Het lijkt erop dat een verkeerde combinatie van genetische aanleg en omgevingsfactoren het ontstaan van bijziendheid in de hand werkt.


De ontdekking van de onderzoekers kan in de toekomst helpen bij het vinden van een behandeling tegen de abnormale groei van het oog.


In Codex Medicus: Myopie

Bron: Erasmus MC

Screening op downsyndroom kan beter

Utrecht, 10 september 2010 - De screening op downzwangerschappen is relatief makkelijk te verbeteren, stelt arts-onderzoeker Wendy Koster van het UMC Utrecht en het RIVM in haar proefschrift.

De downscreening is gebaseerd op de combinatie van nekplooimeting, leeftijd van de moeder en markers in het bloed. In het bloed van moeders die in verwachting zijn van een kind met het downsyndroom komen eiwitten in andere concentraties voor dan wanneer het kind gezond is. De huidige screening gebruikt twee van deze eiwitten of markers.

Koster beschrijft een aantal nieuwe eiwitten die het downsyndroom kunnen voorspellen. Het gebruik van deze extra markers, plus een extra bloedafname voor de elfde zwangerschapsweek, kan het percentage opgespoorde downzwangerschappen verhogen naar 90 procent. Internationaal onderzoek had de vier eiwitten (ADAM12, PP13, PlGF en thCG) aan het licht gebracht als mogelijke voorspellers van downsyndroom. Koster heeft dat in een groot onderzoek getest en bevestigd.

"Dit is al winst", stelt Koster, "maar de nieuwe markers zijn ook bruikbaar voor het opsporen van andere aangeboren aandoeningen, zoals trisomie 18 en 13, en ernstige zwangerschapscomplicaties zoals zwangerschapsvergiftiging. Nieuwe laboratoriumtechnieken maken het bovendien mogelijk meerdere markers tegelijkertijd te bepalen. In de toekomst hopen we alle metingen snel en goedkoop via een chip te kunnen doen."

Alle zwangere Nederlandse vrouwen krijgen een screening op downsyndroom aangeboden en ongeveer 23 procent maakt daar gebruik van. Dankzij de screening wordt 70 tot 75 procent van de down-zwangerschappen opgespoord. down-syndroom is ook op te sporen via een vruchtwaterpunctie. Maar die ingreep is kostbaar en geeft bovendien kans op een miskraam.

Downsyndroom is de meest voorkomende chromosomale afwijking en komt voor bij ongeveer 1 op de 500 tot 800 levend geboren kinderen. Mensen met het downsyndroom bezitten drie kopieën (trisomie) van chromosoom 21 waardoor ze cognitieve en fysieke afwijkingen hebben. De helft van deze patiënten heeft een aangeboren hartafwijking. Downpatiënten hebben vaak ernstige ziekten, zoals Alzheimer, leukemie en epilepsie en ze hebben een kortere levensverwachting.

Wendy Koster voerde haar onderzoek uit aan het RIVM in Bilthoven. Prof. dr. Gerard Visser van het UMC Utrecht en prof. dr. Howard Cuckle van Columbia University, New York, USA begeleidden het onderzoek. Koster promoveert op 14 september.

In Codex Medicus: Downsyndroom

Bron: Universiteit Utrecht
Trouw aan de pillen dankzij beloning


Rotterdam, 9 september 2010 - Patiënten met een zware psychotische stoornis werken beter mee aan hun behandeling als ze daarvoor worden beloond met contant geld. Ze nemen dan beter hun medicijnen in en komen afspraken met hun behandelaars beter na, blijkt uit promotieonderzoek van psycholoog Tonnie Staring van het Erasmus MC.


Opdrijven
Ongeveer de helft van de mensen met psychotische stoornissen gebruikt zijn medicijnen niet regelmatig of weigert medicatie. Dit leidt ertoe dat patiënten vaak zieker worden en vaker worden opgenomen, iets wat de kosten van de zorg onnodig opdrijft. "Het is daarom zowel voor de patiënten als voor de samenleving belangrijk dat deze patiënten hun therapie goed volgen", zegt Staring.


Gedwongen
Het is de onderzoeker gelukt een behandeling te ontwikkelen die patiënten trouwer volgen. Deze nieuwe behandeling houdt meer rekening met de individuele situatie en de wensen van de patiënt. Zo werkt de ene patiënt niet mee omdat hij vergeetachtig is en vindt een ander de medicatie gewoon vervelend. Door patiënten beter te begeleiden nemen ze hun antipsychotische medicatie trouwer en zijn minder vaak gedwongen opnames nodig.


Trouw
Voor patiënten met een zware psychotische stoornis, zoals waanbeelden en hallucinaties, werkt een andere benadering beter. Zij blijken hun medicatie zeer trouw te nemen als ze daarvoor worden beloond met contant geld. De kosten van de beloning wegen ruimschoots op tegen de kosten die de patiënten maken als ze hun behandeling niet goed volgen. Tonnie Staring: "De beloning kostte € 260 per patiënt per jaar, de prijs van nog niet één opnamedag."


Ethisch?
Staring krijgt soms de vraag of het wel ethisch is om mensen te prikkelen met geld. "Maar omdat er geen andere manier lijkt te werken voor deze groep, kun je je ook afvragen of het ethisch is om zieke mensen deze oplossing te onthouden."


In Codex Medicus: Psychose


Bron: Erasmus MC

Drastische afname overlijdensrisico bij sepsis


Dordrecht, 8 september 2010  - De kans om in het Albert Schweitzer ziekenhuis te overlijden aan ‘ernstige sepsis' of ‘septische shock' (bloedvergiftiging), is in de afgelopen twee jaar gehalveerd. Van de 66 opgenomen patiënten met dit ziektebeeld in de eerste zeven maanden van dit jaar, overleden er 16. Dat is 24 procent. In heel 2009 was dit 35 procent (van 108 patiënten). In 2008 was het nog 48 procent (van 52 patiënten). Deze opzienbarende winst van mensenlevens is te danken aan de veel striktere procedures om sepsis op te sporen en om de aandoening met zo min mogelijk tijdverlies ‘agressief' te behandelen met antibiotica.

Het Albert Schweitzer ziekenhuis scoort hiermee op dit moment aanzienlijk beter dan de internationale trend in de westerse wereld.


Sepsis openbaart zich altijd bij patiënten die al een bacteriële infectie hebben, bijvoorbeeld een longontsteking of urineweginfectie. Indien de patiënt onvoldoende afweer heeft, slaagt het lichaam er niet in om de infectie ‘af te schermen' waardoor de bacterie zich kan verspreiden. Sepsis kan snel verergeren tot de gradatie ‘ernstige sepsis', waarbij de bloeddruk sterk daalt en steeds meer organen uitvallen, resulterend in overlijden. Jaarlijks sterven in Nederland circa 3500 mensen aan sepsis. Het ziektebeeld kenmerkt zich onder meer door de enorme snelheid waarmee de toestand van de patiënt verslechtert: elk uur dat de infectie niet wordt behandeld, stijgt de overlijdenskans met zeven procent.


Voorlichtingscampagne
In 2008 hebben onder andere het ministerie van Volksgezondheid en de Orde van Medisch Specialisten sepsis aangewezen als één van tien landelijke veiligheidsthema's in de zorg. Naar aanleiding hiervan hebben ziekenhuizen hun procedures aangescherpt, ook het Albert Schweitzer ziekenhuis. Een projectgroep is opgericht om het interne ‘sepsisbewustzijn' te vergroten en protocollen te ontwikkelen. In het ziekenhuis is een voorlichtingscampagne gelanceerd om de verschijnselen van sepsis en de te ondernemen acties onder de aandacht te brengen bij artsen en verplegend personeel.


Herkennning
,,Tijdige herkenning is ons voornaamste wapen", zegt verpleegkundige en lid van de werkgroep Arjan van Gent. ,,Bij iedere patiënt met een verdenking van een infectie, op de Spoedeisende Hulp en op de verpleegafdelingen, wordt voortaan een checklist doorlopen om sepsis op te sporen. Hartfrequentie, lichaamstemperatuur, ademhalingsfrequentie en de hoeveelheid afweercellen in het bloed zijn daarbij criteria. Bij iedere patiënt met sepsis moet binnen 30 minuten behandeling op gang komen met antibiotica en vocht, om te voorkomen dat sepsis zich kan ontwikkelen tot ernstige sepsis. Wanneer al ernstige sepsis wordt vastgesteld bij binnenkomst in het ziekenhuis, wordt standaard onmiddellijk een Intensive Care-arts geconsulteerd en volgt veelal ook opname op de Intensive Care. Samenwerking en afstemming tussen ziekenhuisafdelingen en -disciplines is cruciaal bij de bestrijding van sepsis."


Nog verder omlaag
Als gevolg van de forse daling van het aantal sepsisdoden in de afgelopen twee jaar, scoort het Albert Schweitzer ziekenhuis nu aanzienlijk beter dan het gemiddelde onder ziekenhuizen in de westerse wereld. Spoedeisende-Hulparts Erick Oskam van het Albert Schweitzer ziekenhuis: ,,Volgens de huidige internationale statistieken was de verwachting dat van onze 66 patiënten met ernstige sepsis tot en met juli dit jaar, er 26 zouden overlijden. Het waren er 16. Met onze kwaliteitsimpuls van de afgelopen jaren kun je stellen dat we tien extra levens hebben gered. Dat is een enorme stimulans om nóg alerter en bewuster met sepsis om te gaan. We zitten al ruim aan de goede kant van de lijn, maar we zijn supergemotiveerd om het getal in dit ziekenhuis nog verder omlaag te krijgen."


In Codex Medicus: Sepsis

Bron: Albert Schweitzer Ziekenhuis

Jicht: signaal voor hartvaatziekten

Nijmegen, 7 september 2010 - Jicht is een vaak voorkomende gewrichtsontsteking. Toch is er over de aandoening opvallend weinig bekend en doen er, ook onder medici, hardnekkige, onbewezen opvattingen over jicht de ronde. Huisarts Hein Janssens uit Lobith zette zijn verbazing hierover om in een proefschrift. Hij deed onder andere de medisch zeer relevante ontdekking, dat jicht vaak samengaat met hoge bloeddruk en hartvaatziekten. Verder ontwikkelde hij voor artsen een jichtcalculator, waarmee ze snel kunnen vaststellen of een patiënt jicht heeft. Tot slot vond hij in prednison een efficiënt pijnstillend middel, dat voor een groot deel van de jichtpatiënten veiliger is dan de gangbare middelen.

Kristallen van urinezuur
Jicht manifesteert zich als een plotselinge, extreme pijn in een gewricht, heel vaak in een grote teen. De plaats van het aangedane gewricht is meestal rood en gezwollen. De pijn is zo hevig, dat het slachtoffer zich doorgaans acuut tot de huisarts wendt. Naar schatting maakt één tot twee procent van de Westerse bevolking tenminste eenmaal een aanval van jicht mee, mannen zeven tot negen maal vaker dan vrouwen. Jicht is al beschreven ten tijde van de Griekse arts Hippocrates. De oorzaak van de gewrichtsontsteking is geen bacterie of virus, maar een opeenhoping van kristallen van urinezuur in de gewrichtsvloeistof.
 
Jichtcalculator
Het bewijs dat iemand echt jicht heeft, is de aanwezigheid van urinezuurkristallen in de gewrichtsvloeistof. Hiervoor is het aanprikken van het pijnlijke gewricht nodig. Dit gebeurt alleen bij een reumatoloog. Negentig procent van de jichtpatiënten wordt echter niet door de reumatoloog, maar door de huisarts behandeld. Janssens ontdekte dat huisartsen geneigd zijn om een artritis die zich uitsluitend voordoet in één gewricht, te beschouwen als jicht, terwijl dit lang niet altijd het geval is. Daarom heeft hij een speciale jichtcalculator ontwikkeld. Met dit instrument, dat uit zeven items bestaat, kan elke huisarts gemakkelijk vaststellen, hoe groot de kans is dat de patiënt jicht heeft. De jichtcalculator is te vinden op de website van het UMC St Radboud.
 
Korte prednisonkuur
Gangbare middelen die huisartsen voorschrijven om de pijn bij jicht te bestrijden zijn de zogenoemde NSAID’s, zoals ibuprofen en naproxen. Deze hebben echter bijwerkingen, die gevaarlijk kunnen zijn voor ouderen of voor mensen met een hartvaatziekte of nierziekte. Janssens deed een gerandomiseerd geneesmiddelenonderzoek en ontdekte dat een korte kuur met prednison even goed werkt tegen jichtpijn als naproxen. Tegen een kortdurende prednisonkuur, maximaal vijf dagen, bestaan nauwelijks medische bezwaren, terwijl deze behandeling veel beter rekening houdt met de vaak belaste voorgeschiedenis van de, meestal oudere, jichtpatiënt. Daarom beveelt Janssens prednison als eerste-keusbehandeling aan.
 
Hoge bloeddruk en hartvaatziekten
Eén van de ‘fabels’ over jicht is, dat jicht een bijwerking zou zijn van plaspillen. Plaspillen worden voorgeschreven aan mensen met een hoge bloeddruk of een hartvaatziekte. Janssens ontdekte dat niet de plaspillen hier de boosdoener zijn, maar de relatie tussen jicht enerzijds en hoge bloeddruk en hartvaatziekten anderzijds.

‘Dit heeft twee belangrijke consequenties,’ zegt Janssens. ‘Om te beginnen moet iemand die plaspillen gebruikt en jicht heeft, vooral niet stoppen met die medicatie. Plaspillen zijn erg belangrijk voor de patiënten; ze hebben die nodig voor hun hoge bloeddruk of hartfalen. En in de tweede plaats moeten huisartsen beseffen dat iemand die zich meldt met jicht, grotere risico’s heeft op hartvaatziekten. Het zou dus goed zijn als huisartsen patiënten met jicht screenen op deze risico’s’.

In Codex Medicus: Jicht

 Bron: UMC St Radboud
Afwijkingen in witte stof geen aanduiding voor kans op psychose


Amsterdam, 6 september 2010 - Promovendus Bart Peters gebruikte diffusie-MRI, een relatief nieuwe beeldvormende techniek, om de witte stof in de hersenen te onderzoeken bij twee groepen: jonge schizofreniepatiënten die net een eerste psychose hebben doorgemaakt, en jonge patiënten met lichte psychotische symptomen. Van deze laatste groep heeft een kwart tot een derde een groot risico op een echte psychose. Witte stof wordt gevormd door de verbindingen tussen de grijze hersencellen.


Er zijn al eerder aanwijzingen gevonden dat bepaalde afwijkingen daarin de kwetsbaarheid voor psychose aangeven, en dat er tijdens de eerste volledige psychose andere afwijkingen in de witte stof ontstaan. Verdere analyses gaven aan dat cannabisgebruik in de adolescentie niet een oorzaak is van de gevonden afwijkingen. Metingen aan grote witte-stofbundels bleken het ontstaan van een psychose niet te voorspellen. Bij schizofreniepatiënten die in hun adolescentie cannabis hebben gebruikt, vond Peters tegengestelde effecten in de witte stof. Het is nog onduidelijk of dit een gevolg is van de cannabis, of dat bij deze patiënten andere ziekteprocessen een rol spelen.


In Codex Medicus: Psychose


Bron: Academisch Medisch Centrum / Universiteit van Amsterdam

Nieuwe scan verbetert behandeling teruggekeerde prostaatkanker

Utrecht, 3 september 2010 - In het UMC Utrecht zijn de eerste elf patiënten behandeld met een prostaatsparende bestralingsmethode. Een speciale MRI-scan van de prostaat maakt preciezere bestraling mogelijk. Arts-onderzoeker Maaike Moman van het UMC Utrecht beschrijft dit in haar proefschrift, waarop zij op 7 september aan de Universiteit Utrecht promoveert.

Moman onderzocht patiënten waarbij prostaatkanker na de eerste behandeling terugkeert. Artsen hebben voor deze patiënten nog maar één genezend redmiddel: de prostaat nogmaals volledig bestralen of verwijderen. Vanwege de ernstige bijwerkingen - plasproblemen, endeldarm-ontsteking, impotentie - gaan artsen niet graag over tot deze drastische ingreep.

Het onderzoek van Moman biedt een alternatief. Zij gebruikt een speciale MRI-scan (dynamisch contrast versterkte MRI) om bloedvaten - en daarmee ook goed doorbloede tumoren - beter zichtbaar te maken. Dankzij de scan is te zien in welk deel van de prostaat de tumor is teruggekeerd. Inwendige bestraling via radioactieve jodiumzaadjes behandelt vervolgens alleen het aangedane deel van de prostaat. Door de gerichtere bestraling ontvangt de patiënt in een kleiner gebied straling en blijft meer gezond weefsel intact.

Inmiddels zijn de eerste elf patiënten via deze methode behandeld. De mannen zijn 60 tot 70 jaar oud en drie tot tien jaar na de eerste behandeling is bij hun de prostaatkanker teruggekomen. Na de nieuwe behandeling lijkt de prostaattumor vooralsnog verdwenen te zijn. Maar gemiddeld is nog slechts zes maanden verstreken sinds de behandeling dus het is te vroeg om te zeggen of de kanker op de lange termijn ook wegblijft. Maar bovenal ondervinden de patiënten weinig bijwerkingen, dat is een sterke vooruitgang ten opzichte van de standaardbehandeling.

"De techniek staat nog in de kinderschoenen", aldus Moman, "maar ik hoop dat we het kunnen ontwikkelen tot een succesvolle behandeling. Overigens komen niet alle patiënten met prostaatkanker in aanmerking voor de nieuwe behandeling. We selecteren geschikte patiënten op basis van hun gezondheidstoestand en de grootte en plaats van de tumor."

In principe zou de techniek ook geschikt zijn om voor het eerst vastgestelde prostaatkanker te behandelen. Maar artsen in het UMC Utrecht kiezen ervoor om in die fase van de ziekte de hele prostaat te bestralen.

Prostaatkanker
Prostaatkanker is de meest voorkomende vorm van kanker bij mannen. In Nederland hebben ongeveer 35.800 mannen prostaatkanker (4,5 per 1.000 mannen). Ongeveer de helft daarvan is ouder dan 75 jaar.

De prostaat is een klier die om de urinebuis heen ligt en hulpstoffen maakt die aan het sperma worden toegevoegd. Ook voorkomt de prostaat dat sperma de blaas in stroomt. De klier heeft bij een jongvolwassen man ongeveer het formaat van een walnoot, het volume neemt toe met de leeftijd. Een vergrote prostaat leidt tot plasproblemen.

In Codex Medicus: Prostaatcarcinoom

Bron: Universiteit Utrecht

Nieuwe campagne maakt bewust: hart- en vaatziekten doodsoorzaak nr. 1 bij vrouwen

`s-Gravenhage , 2 september 2010 - Vandaag start de Hartstichting de landelijke campagne 'We hebben je hart nodig'. Doel van de campagne is om Nederlanders bewust te maken dat hart- en vaatziekten doodsoorzaak nummer 1 zijn bij vrouwen. Een derde van alle vrouwen in Nederland overlijdt aan een hart- of vaatziekte. Ook wil de Hartstichting geld inzamelen voor onderzoek naar hart- en vaatziekten bij vrouwen.


Onnodig (over)lijden
Veel Nederlanders denken onterecht dat hart- en vaatziekten vooral bij mannen voorkomen. Dat is allang niet meer zo. Er overlijden inmiddels meer vrouwen dan mannen aan. In Nederland overlijden elke dag 60 vrouwen en 52 mannen aan hart- en vaatziekten, zoals een hartinfarct of beroerte.


Tot op heden wordt onderzoek vooral gedaan bij mannen. Kennis uit deze onderzoeken kan niet altijd toegepast worden op vrouwen. Door gebrek aan de juiste kennis over de oorzaak, diagnose en behandeling van hart- en vaatziekten, (over)lijden nog te veel vrouwen onnodig.


Onderzoek nodig
Uit recente internationale onderzoeken weten we nu dat er verschillen zijn tussen vrouwen en mannen op het gebied van hart- en vaatziekten. Daarom is het belangrijk dat er meer kennis komt over het voorkomen en het behandelen van hart- en vaatziekten specifiek bij vrouwen.


Door hier wetenschappelijk onderzoek naar te doen, vergroten we kennis op het gebied van oorzaak, diagnostiek en behandeling. Hierdoor kunnen vrouwen in de toekomst dezelfde zorg krijgen als mannen.


Janneke Wittekoek, cardioloog van Cardiologie Centra Nederland: "Hart- en vaatziekten manifesteren zich bij vrouwen anders dan bij mannen. In mijn praktijk zie ik met regelmaat bij mijn vrouwelijke patiënten de gevolgen van een te laat gestelde diagnose. Het is daarom van groot belang dat er onderzoek gedaan wordt, zodat hart- en vaatziekten bij vrouwen in een vroeg stadium herkend en behandeld kunnen worden."


In Codex Medicus: Hart- en vaatziekten

Bron: Nederlandse Hartstichting

Omgeving heeft invloed op ADHD


Nijmegen, 1 september 2010 - Biologische en gezinsfactoren hebben, ook los van genetische aanleg, invloed op de ontwikkeling van de stoornis ADHD bij kinderen. Een hoog geboortegewicht, een moeder die rookt tijdens de zwangerschap en complicaties tijdens zwangerschap en bevalling zijn omstandigheden die samenhangen met ADHD-symptomen bij kinderen. Dit blijkt uit een onderzoek van Cathelijne Buschgens, dat zij verrichtte bij de afdeling Psychiatrie van het UMC St Radboud. Zij promoveert op 9 september tot doctor in de medische wetenschappen.


Onderlinge samenhang
De laatste jaren is er bij onderzoekers en anderen veel belangstelling voor de genetische achtergrond van ADHD (Attention Deficit Hyperactivity Disorder), een stoornis die gekenmerkt wordt door aandachtproblemen, hyperactiviteit en impulsiviteit. Dat ook ‘de omgeving' invloed heeft op ADHD, is weliswaar altijd verondersteld, maar gedegen onderzoek naar het belang van specifieke omgevingsfactoren, waarbij gelijkertijd rekening wordt gehouden met genetische aanleg, is nog weinig gedaan. ‘Dat is jammer', vindt orthopedagoog Cathelijne Buschgens (UMC St Radboud), ‘vooral omdat omgevingsfactoren handvatten kunnen bieden voor preventie en behandeling.'


Buschgens analyseerde onder andere enquêtegegevens die verzameld zijn in een Nederlandse studie onder enkele duizenden kinderen en hun ouders en leerkrachten. Zij zocht naar een eventuele onderlinge samenhang tussen omstandigheden tijdens zwangerschap en geboorte enerzijds en symptomen van ADHD anderzijds. Binnen dit onderzoek is ook het familierisico in beschouwing genomen; dat is een benadering van de erfelijke kwetsbaarheid voor ADHD binnen het gezin.


Extra alert
Buschgens ontdekte dat een hoog geboortegewicht van het kind (negen pond of hoger), een moeder die rookt tijdens de zwangerschap en complicaties tijdens zwangerschap en bevalling een voorspellende waarde hebben voor ADHD-gedrag van het kind. Dit verband blijft overeind, ook als rekening wordt gehouden met het familierisico. Het verband is sterker, als er ook een familierisico bestaat.
Buschgens noemt het opvallend, dat een hoog geboortegewicht gevonden is als risicofactor voor ADHD. ‘Van een laag geboortegewicht is bekend dat het schadelijk kan zijn voor de gezondheid van een kind. Maar van een hoog geboortegewicht zijn veel minder lange termijn risico's bekend.' De gezondheidszorg zou extra alert moeten zijn, als rondom een geboorte een combinatie van deze risicofactoren aanwezig is.


Het hele gezin
Ze onderzocht ook de relatie tussen ADHD en diverse gezinsfactoren. Een weinig warme, overbeschermende en afwijzende opvoeding hangt samen met meer ADHD-kenmerken bij het kind. Daarnaast heeft ADHD bij ouder(s) ook effect op de ouder-kind relatie, en wordt de verhouding tussen broertjes en zusjes onderling beïnvloed door ADHD-gedrag van één van de kinderen.
Een belangrijke aanbeveling van het proefschrift is dan ook om bij de behandeling van ADHD van een kind, of van een ouder, alle gezinsleden te betrekken.


In Codex Medicus: ADHD (Psychiatrie) en ADHD (Jeugdgezondheidszorg)


Bron: UMC St Radboud

Endoprothese goed alternatief voor open operatie aan kleinere slagaderen


Groningen, 31 augustus 2010 - Wanneer de rek uit een bloedvat verdwenen is, ontstaat een verwijding van de slagader, een ‘aneurysma'. Dit kan op uiteenlopende manieren behandeld worden. Zo kan de verwijding overbrugd worden tijdens een open operatie. Er kan ook een stent, een verende, buisvormige prothese van fijnmazig gaas, in het bloedvat worden ingebracht om de doorbloeding veilig te stellen via een endovasculaire behandeling. Onderzoeker Ignace Tielliu onderzocht de endovasculaire behandeling van aneurysmata in het bekken- en knieholtegebied.


Tielliu voerde zijn onderzoek uit bij 27 patiënten met een IBD-prothese in de bekkenslagader (iliac branched device, een prothese met een zij-arm) en 67 patiënten met een endoprothese in de knieholte. Bij de eerste groep werd in 96,3% van de gevallen technisch succes behaald. De prothese voorkwam in deze gevallen dat een belangrijke slagaderzijtak afgesloten moest worden. Bij de tweede groep traden, door het overbruggen van het kniegewricht, in het knieholtegebied vaker stentbreuken op dan verwacht, al leidden deze niet tot meer afsluitingen van de bloedvaten.


In Codex Medicus: Vaatprothesen en Intracoronaire stentimplantatie


In Codex Medicus: Aneurysma

Bron: Rijksuniversiteit Groningen

Rem op emotioneel geheugen ontdekt


Utrecht, 30 augustus 2010 - Neurowetenschappers van het UMC Utrecht hebben ontdekt hoe de hersenen voorkomen dat ze overspoeld raken met emotionele herinneringen. Dit mechanisme is wellicht verstoord bij patiënten met posttraumatische stress-stoornis. Ze beschreven hun vinding in het tijdschrift PNAS van begin augustus.


Neurowetenschapper dr. Henk Karst van het UMC Utrecht bestudeerde zenuwcellen in de amygdala van muizen, een hersengebied dat betrokken is bij het opslaan van emoties. Het toedienen van het stresshormoon cortisol aan deze zenuwcellen bootst het meemaken van een angstige of stressvolle situatie na. De zenuwcellen worden actiever na blootstelling aan het stresshormoon, dat legt een stressvolle herinnering vast in het geheugen. Maar, ontdekte Karst, als dezelfde zenuwcellen een paar uur later weer in aanraking komen met het stresshormoon, daalt hun activiteit juist. Een nieuwe stressvolle ervaring wordt daardoor niet opgeslagen in het geheugen.


"Dit mechanisme beschermt het geheugen tegen een overload aan stressvolle herinneringen", zegt Karst. "Het betekent ook dat je het stresshormoon juist nodig hebt om ervoor te zorgen dat je niet overspoeld raakt met traumatische herinneringen. Patiënten met het posttraumatische stress-syndroom maken minder cortisol. Onze resultaten zouden kunnen verklaren waarom deze mensen last hebben van hun herinneringen."


Het verkeerd verwerken van stressvolle situaties door de hersenen speelt waarschijnlijk een rol bij het ontstaan van angststoornissen zoals posttraumatische stress-stoornis. Oorlogs-veteranen met posttraumatische stress-stoornis kampen met herbelevingen van traumatische herinneringen. Zij hebben vaak ook slaapstoornissen, concentratieproblemen en geheugenproblemen.


In Codex Medicus: Posttraumatische stressstoornis

Bron: UMC Utrecht

Omega-3-vetzuren helpen niet om herhaling van ernstige gevallen van hart- en vaatziekten bij hartpatiënten te voorkomen

Wageningen, 29 augustus 2010 - Een voedingspatroon verrijkt met omega-3-vetzuren kan herhaling van ernstige gevallen van hart- en vaatziekten bij hartpatiënten niet voorkomen. Vrouwelijke hartpatiënten en hartpatiënten met diabetes hebben wel baat bij deze vetzuren. Dat blijkt uit een tienjarig onderzoek onder bijna vijfduizend hartpatiënten in Nederland. Deze Alpha Omega Trial van Wageningen University, onderdeel van Wageningen UR, met verrijkte margarines is wereldwijd het eerste dubbelblinde voedingsonderzoek naar de effecten van omega-3 vetzuren op hart- vaatziekten. Op grond van de uitkomsten van het onderzoek zien de onderzoekers geen aanleiding tot wijziging van voedingsadviezen.

De resultaten van de Alpha Omega Trial zijn vandaag op het congres van de European Society of Cardiology in Stockholm gepresenteerd door de Wageningse hoogleraar prof. Daan Kromhout en tegelijk online gepubliceerd in het gezaghebbende The New England Journal of Medicine. Dit onderzoek is uitgevoerd in samenwerking met de cardiologieafdelingen van 32 Nederlandse ziekenhuizen. Het onderzoek werd gefinancierd door de Nederlandse Hartstichting, de Amerikaanse National Institutes of Health (NIH) en Unilever R&D, Vlaardingen.

Uit het onderzoek blijkt dat weliswaar in de totale onderzoeksgroep geen gunstige gezondheidseffecten van de als 'gezond' te boek staande omega-3-vetzuren zijn geconstateerd. Echter, bij hartpatiënten met diabetes bleek de extra inname van visvetzuren het risico op dodelijke hartinfarcten met 50% te verminderen. Deze patiënten hadden ook minder last van ernstige hartritmestoornissen.

Bij vrouwelijke hartpatiënten die extra van het plantaardige vetzuur alfa-linoleenzuur kregen, was de kans op ernstige hart- en vaatziekten met een kwart verlaagd. Alfa-linoleenzuur reduceerde ook het risico op ernstige hartritmestoornissen bij de hartpatiënten met diabetes.

Voor het onderzoek kregen 4837 hartpatiënten van 60-80 jaar, die circa vier jaar eerder een hartinfarct hadden gehad, gedurende 40 maanden één van de vier speciaal voor deze trial geproduceerde margarines die ze dagelijks op hun brood smeerden. Eén groep hartpatiënten gebruikte een met visvetzuren verrijkte margarine die 400 milligram eicosapentaeenzuur (EPA) en docosahexaeenzuur (DHA) bevatte. Een tweede groep ontving 2 gram van het uit o.a. sojaolie en walnoten afkomstige vetzuur alfa-linoleenzuur (ALA). Een derde groep kreeg de combinaties van de verschillende omega-3 vetzuren en een vierde groep een margarine zonder omega-3 vetzuren, de zgn. placebo. De patiënten, noch de onderzoekers wisten wie welke margarinevariant kreeg. De margarines waren niet van elkaar te onderscheiden in kleur, geur of smaak. Tijdens het onderzoek werden verschillende hart- en vaatziektes geregistreerd zoals hartinfarcten en beroertes, maar ook medische ingrepen, zoals dotterbehandelingen en bypassoperaties.

De onderzoekers constateerden dat in de onderzoeksperiode de patiënten bijzonder goed werden behandeld, bijvoorbeeld met geneesmiddelen tegen trombose (98%), hoge bloeddruk (90%) en verhoogd cholesterolgehalte (85%). Mede daardoor was het sterftecijfer als gevolg van hart- en vaatziekten ongeveer de helft van het verwachte aantal. De goede behandeling van de hartpatiënten verlaagde het risico op hart- en vaatziekten zo sterk dat daardoor een effect van omega-3-vetzuren wellicht moeilijk was aan te tonen.

In 1985 liet Kromhout in de Zutphen Studie zien dat bij gezonde mannen van middelbare leeftijd die een of twee keer per week vis aten, het risico op sterfte aan een hartinfarct sterk was verlaagd ten opzichte van mannen die geen vis aten. Later bleek uit interventiestudies dat dagelijks gebruik van capsules met 1-2 gram van de visvetzuren EPA en DHA het risico op sterfte aan hartziekten met 20% vermindert. Voor ALA waren er minder aanwijzingen voor een gunstig effect. De Alpha Omega Trial was er op gericht om na te gaan of een extra inname van omega-3-vetzuren, vergelijkbaar met de aanbevolen hoeveelheid voor de verschillende vetzuren, het risico op hart- en vaatziekten zou verlagen.

De onderzoekers benadrukken dat de uitkomsten van de Alpha Omega Trial geen aanleiding geven om voedingsadviezen, zoals de Richtlijnen Goede Voeding van de Gezondheidsraad, te wijzigen.

In Codex Medicus: Vetten en vetzuren

Bron: Wageningen University
Zonlicht verlaagt kans op borst-, dikke darm- en prostaatkanker


Amsterdam, 27 augustus 2010 - KWF Kankerbestrijding concludeert dat zonlicht positief gerelateerd is aan een lagere kans op borst-, dikke darm- en prostaatkanker, mogelijk veroorzaakt door de vitamine D die onder invloed van zonlicht in de huid wordt aangemaakt. De werkgroep benoemt bovendien een waargenomen verlaagd risico op dikkedarmkanker bij mensen met hoge vitamine D-spiegels in het bloed. De uitkomsten van onderzoek naar andere typen tumoren leveren onvoldoende bewijs voor een dergelijk verband.

KWF Kankerbestrijding publiceert deze week het signaleringsrapport 'De relatie tussen kanker, zonnestraling en vitamine D' van de Signaleringscommissie Kanker (SCK) van KWF Kankerbestrijding. Het rapport geeft een overzicht van epidemiologisch, biologisch, meteorologisch en experimenteel onderzoek naar de relatie tussen vitamine D en kanker.

Zoals bekend is teveel blootstelling aan UV-straling een risicofactor voor huidkanker. Om die reden voert KWF Kankerbestrijding al sinds eind jaren 80 campagne om mensen bewust te maken van dit risico, en aan te zetten tot verstandig zongedrag. Echter, voornamelijk onder invloed van zonlicht wordt vitamine D aangemaakt in de huid. Vitamine D is daarnaast onder meer van belang voor de bothuishouding en spierfunctie. De laatste tientallen jaren geeft wetenschappelijk onderzoek steeds meer aanwijzingen dat vitamine D ook het risico op bepaalde vormen van kanker zou kunnen verminderen.

"Geniet van de zon, maar zorg dat je niet verbrandt'
KWF Kankerbestrijding gebruikt het onderzoek om haar voorlichtingsboodschap ter preventie van kanker aan te scherpen.
KWF Kankerbestrijding adviseert dagelijkse blootstelling aan de zon van hoofd, handen en onderarmen van 15 tot 30 minuten. Mensen met een donkere huid, ouderen en mensen die weinig buiten komen, zouden gebaat zijn bij iets langere zonblootstelling. Dit omdat zij vaak een laag vitamine D niveau hebben. Welk vitamine D niveau minimaal nodig is voor een gunstig effect op het kankerrisico is nog onbekend. Verbranding van de huid dient te allen tijde vermeden te worden vanwege het risico op huidkanker. De boodschap van KWF Kankerbestrijding ter preventie van huidkanker is daarom "Geniet van de zon, maar zorg dat je niet verbrandt'.

 

In Codex Medicus: Huidcarcinoom

 

In Codex Medicus: Kwaadaardige borstkliertumoren

In Codex Medicus: Tumoren van colon en rectum

In Codex Medicus: Prostaatcarcinoom


Bron: KWF Kankerbestrijding

'Nieuw' gen regelt stapeling Parkinson- en Alzheimer-eiwitten


Groningen, 26 augustus 2010 - Het gen moag-4 (‘modifier of aggregation-4') regelt de stapeling en de schadelijke effecten van ziekte-eiwitten tijdens het verouderingsproces van cellen. Deze stapeling is een belangrijk kenmerk van neurodegeneratieve ziekten als Huntington, Parkinson en Alzheimer. Dit gen was nog niet eerder hiermee in verband gebracht. Dit blijkt uit onderzoek van de onderzoeksgroep van moleculair bioloog dr. Ellen Nollen van het Universitair Medisch Centrum Groningen/Rijksuniversiteit Groningen. Zij publiceren de resultaten van hun onderzoek in het vooraanstaande magazine Cell.


Stapeling van ziekte-eiwitten is een belangrijk kenmerk van neurodegeneratieve ziekten als Huntington, Parkinson en Alzheimer. Er is nog weinig bekend over de processen die deze stapeling tijdens de veroudering veroorzaken of in gang zetten.


Uit het onderzoek van het team van Nollen blijkt dat MOAG-4 vorming van deze stapeling bevordert. Zij ontdekte dat als het betreffende gen niet actief is, dit de stapeling onderdrukt; hierdoor zijn de cellen beter beschermd tegen de schadelijke werking van de ziekte-eiwitten. Nollen vond dit gen moag-4 in een screen naar erfelijke factoren die stapeling beïnvloeden in een worm-model voor de ziekten.


Het onderzoek laat zien dat MOAG-4 bij de ophoping van de ouderdoms-gerelateerde ziekte-eiwitten werkt langs nog niet eerder ontgonnen paden. Het gen werkt namelijk onafhankelijk van reeds bekende en meer klassieke processen die eiwitten verwijderen of die hun klontering voorkomen. Hoe de werking van het gen precies is, zal uit nader onderzoek moeten blijken.


Deze uitkomst biedt nieuwe mogelijkheden voor verder onderzoek op het terrein van deze neurodegeneratieve ziekten.


In Codex Medicus: Chorea van Huntington


In Codex Medicus: Ziekte van Parkinson


In Codex Medicus: Ziekte van Alzheimer

Bron: Universitair Medisch Centrum Groningen

Virus aangetroffen bij patiënten met chronisch vermoeidheidssyndroom

Brussel, 25 augustus 2010 - Er is goed nieuws voor patiënten met het chronisch vermoeidheidssyndroom. Onderzoekers van de Vrije Universiteit Brussel en van het Belgisch biotechnologiebedrijf R.E.D. Laboratories zijn erin geslaagd de recente Amerikaanse bevindingen met betrekking tot het chronisch vermoeidheidssyndroom te bevestigen.


Amerikaanse onderzoekers van de University of Nevada hebben ontdekt dat de meerderheid van CFS/ME-patiënten (chronisch vermoeidheidssyndroom) drager zijn van een nieuw ontdekt retrovirus, het retrovirus XMRV. Deze onderzoeksresultaten - die dateren van oktober vorig jaar - zijn intussen bevestigd door de Harvard Medical School en het National Institute of Health (NIH).


Nieuw bij het onderzoek onder leiding van prof. Kenny De Meirleir (vakgroep Menselijke Fysiologie) is dat het virus werd aangetroffen bij CFS/ME patiënten uit heel Europa en dat er een immunologische signatuur (soort voetafdruk in het immuunsysteem) is gelijkaardig aan die van symptomatische HIV-patiënten. Deze nieuwe bevindingen zullen op 7 en 8 september a.s. voorgesteld worden op een workshop over XMRV georganiseerd door het NIH in Washington.


"Het lijkt erop dat er voor de naar schatting 17 miljoen CFS/ME patiënten in de wereld nu een einde komt aan een lange lijdensweg inzake de erkenning van hun ziekte," zegt prof. De Meirleir. "De ontwikkeling van gerichte therapieën is al volop aan de gang, zowel in België als in het buitenland."


In Codex Medicus: Myalgische encefalomyelitis

Bron: Vrije Universiteit Brussel

Drink water voor de maaltijd om extra af te vallen


Blacksburgh (US), 24 augustus 2010 - Het moet een van de eenvoudigste diëten zijn, maar wetenschappers hebben aangetoond dat het drinken van water voor de maaltijd leidt tot extra gewichtsverlies.


Gedurende drie maanden verloren mensen die twee glazen water voor het eten dronken gemiddeld 7 kg vergeleken met 5 kg bij de personen die hetzelfde caloriearme dieet aanhielden, maar geen extra water innamen.


De studie suggereert dat water helpt om de calerie-opname te verminderen. Een theorie is dat door het water de maag wordt gevuld en de persoon een vol gevoel geeft. Ook kan het water voorkomen dat iemand frisdrank met veel suiker neemt tijdens de maaltijd.


Brenda Davy, buitengewoon hoogleraar aan Virginia Tech, zei op de jaarvergadering van de American Chemical Society dat haar onderzoek de eerste wetenschappelijk studie was naar de rol van water bij het aanhouden van een dieet.


"In eerder studies vonden we dat ouderen en personen van middelbare leeftijd bij het drinken van twee kopjes water voor de maaltijd tussen 75 en 90 calorieën minder innamen. Uit deze recente studie blijken proefpersonen die gedurende 12 weken drie maal daags water innamen voor de  maaltijd 2 kg meer verloren dan de personen die geen extra water innamen," aldus Davy.


In Codex Medicus: Obesitas

In Codex Medicus: Energiebeperkt dieet


Bron: Virginia Tech News

Zorgwekkende stijging GHB-ongevallen zet door

Amsterdam, 22 aug 2010 - In de periode 2004-2009 is het aantal slachtoffers van partydrug GHB dat is behandeld op een Spoedeisende hulpafdeling (SEH) van een ziekenhuis verviervoudigd tot 1.200. Dat zijn 23 slachtoffers per week. Bijna alle slachtoffers hebben een GHB-vergiftiging. 40% moeten worden opgenomen in het ziekenhuis en de helft hiervan zelfs op de Intensive Care.

De meeste behandelingen (59%) vinden in het weekend plaats. Het zijn vooral mannen (69%). Iets meer dan de helft is tussen de 20 en 29 jaar, 22% is tussen de 30 en 39 jaar, en 14% tussen de 15 en 19 jaar.

Vooral in combinatie met andere verdovende middelen of drugs en bij gebruik van grote hoeveelheden gaat het mis. 34% van de slachtoffers heeft ook alcohol gebruikt, 10% ook XTC, 7% cocaïne en 1% speed. Een deel van de slachtoffers heeft een mix van verschillende drugs gebruikt.

'Wij maken ons ernstige zorgen" vertelt woordvoerder Cees Meijer van Consument en Veiligheid. "Out gaan door GHB wordt heel normaal gevonden. Voordat mensen op een Eerste Hulpafdeling terecht komen, moet er dus wel wat gebeuren. Vandaar ook het hoge aantal ziekenhuisopnames, in de helft van de gevallen zelfs op de Intensive Care. En 'out' gaan is sowieso niet zonder risico, in die toestand kan iemand stikken in zijn eigen tong of door braaksel dat van de maag in de longen terecht komt. Het gebruik van GHB is een steeds groter gezondheidsprobleem!"

Het is belangrijk dat er meer voorlichting komt over GHB. Hoe werkt het precies en wat zijn de risico's? Het imago van GHB is te positief: het is goedkoop, eenvoudig te verkrijgen, mensen worden er los en vrolijk van en houden er geen kater aan over. Dat moet worden bijgesteld naar de realiteit: GHB is verslavend en kan zelfs levensbedreigend zijn. En de schade aan de gezondheid op lange termijn is nog niet bekend.

In Codex Medicus: Gammahydroxyboterzuur

Bron: Consument en Veiligheid
Specifiek HLA-type beschermt tegen narcolepsie

Leiden, 20 augustus 2010 - Onderzoekers van onder meer het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) en de Universiteit van Lausanne hebben een nieuwe, genetisch bepaalde beschermende factor ontdekt tegen de ziekte narcolepsie. Het gaat om een specifiek HLA-type dat bij narcolepsiepatiënten vrijwel niet voorkomt. De onderzoekers publiceerden hun bevindingen in het tijdschrift  Nature Genetics.

Mensen met narcolepsie vallen overdag in slaap en worden ’s nachts op ongewone tijden wakker. De meesten hebben daarnaast ook kataplexie: spierverslapping bij plotselinge emoties, vooral lachen. De ziekte is niet te genezen. Het was al bekend dat vrijwel alle patiënten met narcolepsie een bepaald HLA-type bezitten (HLA-DQB1*0602). Maar ook 15 tot 25 procent van de gezonde mensen draagt dit type. HLA-DQB1*0602 is dus wel noodzakelijk maar niet voldoende om narcolepsie te ontwikkelen. De onderzoekers scanden daarom bij meer dan 900 patiënten en bijna 1.200 gezonde mensen het volledige genoom, in de hoop meer verbanden te ontdekken. Zo ontdekten ze dat een ander HLA-type, HLA-DQB1*0603, juist bescherming biedt tegen narcolepsie. Dit HLA-type komt voor bij slechts 0,2 procent van de patiënten, tegenover 10,4 procent van de gezonde controles.

Auto-immuunziekte
Eerder dit jaar berichtte het LUMC al dat  narcolepsie waarschijnlijk een auto-immuunziekte is, oftewel dat de ziekte ontstaat doordat het afweersysteem zich tegen lichaamseigen cellen richt. Bij narcolepsie zou het gaan om afweer tegen het eiwit Trib2, dat karakteristiek is voor de zenuwcellen die het slapen en waken reguleren. Aangezien het HLA systeem een cruciale rol speelt bij het in gang zetten van afweerreacties, maakt de ontdekking van deze beschermende HLA-variant het nog waarschijnlijker dat narcolepsie inderdaad een auto-immuunziekte is.

Toekomst
De vinding maakt de weg vrij voor meer onderzoek naar de relatie tussen de afweer tegen Trib2 en de diverse HLA-types. Bovendien kan deze studie dienen als voorbeeld voor verdere ontrafeling van het mechanisme achter andere veronderstelde auto-immuunziekten. Vanuit het LUMC zijn de afdeling Neurologie en de afdeling Immunohematologie en Bloedtransfusie bij het onderzoek betrokken.

In Codex Medicus: Narcolepsie

Bron: Leids Universitair Medisch Centrum
Nierfalen bij diabetes beter te voorspellen


Utrecht, 19 augustus 2010 - De beste manier om op basis van urine te voorspellen of iemand met diabetes type 2 en nierschade een serieuze achteruitgang van de nieren te wachten staat, is de verhouding tussen de hoeveelheden albumine en creatinine te bepalen. Dat geeft nauwkeuriger resultaten dan alleen de eiwituitscheiding.


Binnen een bestaande studie naar het effect van een bloeddrukverlager op het verloop van niet-insuline afhankelijke diabetes, selecteerde een groep internationale wetenschappers onder leiding van Groningse onderzoekers 701 patiënten. Deze hadden allemaal diabetes type 2, en nierschade. Van elke patiënt bepaalden ze vier urinewaarden: de totale hoeveelheid eiwit en de hoeveelheid albumine in een 24-uurs verzameling urine, en daarnaast de albumineconcentratie en de verhouding albumine:creatinine in een ochtendportie urine. Daarna volgden ze de patiënten een tijd lang, waarin ze noteerden of er een verdubbeling in het creatininegehalte in het bloed optrad, of dat de patiënten zelfs het eindstadium nierfalen bereikten.


Na combinatie en analyse van deze gegevens concluderen de onderzoekers dat de verhouding creatinine:albumine beter voorspelt dan de andere eiwitbepalingen in de urine, of de nieren van een patiënt met diabetes type 2 en nierschade ernstig achteruit zullen gaan.


In Codex Medicus:  Nierafwijkingen bij diabetes mellitus


Bron: NierNieuws

Primeur: therapie tegen ziekte van Cushing

Rotterdam 17 augustus 2010 - Hormoondeskundigen van het Erasmus MC hebben een behandeling ontwikkeld tegen de ziekte van Cushing. Bij deze hersenaandoening produceert het lichaam veel te veel cortisol (een bijnierschorshormoon).

Klier in hersenen
De ziekte van Cushing wordt veroorzaakt door een goedaardige tumor in de hypofyse. Dit is een klier in de hersenen ter grootte van een erwt die meerdere soorten hormonen maakt. De hypofysetumor maakt bij de patiënten met Cushing te veel van het hormoon ACTH aan. Dit leidt vervolgens tot een overproductie van cortisol door de bijnieren.

Vollemaansgezicht
Overproductie van cortisol leidt onder meer tot vetafzetting rond de romp, een dikke nek, vollemaansgezicht, zwakke benen, hoge bloeddruk en diabetes. Zulke symptomen zijn vaak ook herkenbaar bij mensen die prednison gebruiken. Dit is een synthetisch hormoon.

Huidige behandeling
Tot nu toe bestaat er geen effectieve medicatie voor de ziekte van Cushing. Een middel dat wordt voorgeschreven, ketoconazol, heeft vaak ernstige bijwerkingen door de hoge dosering die nodig is, en is niet altijd effectief. Opereren werkt bij 60 tot 70% van de patiënten, maar bij een minderheid keert binnen tien jaar de tumor terug. Bestralen is dan een volgende optie. Dit heeft pas na lange tijd effect en kent ook zware bijwerkingen.

Pasireotide
De basis voor de nieuwe therapie is gelegd in het Endocrinologie-laboratorium van het Erasmus MC. De eerste ervaringen met het nieuwe middel pasireotide bij zeventien patiënten zijn veelbelovend, zegt endocrinoloog Richard Feelders. Dit middel heeft bij de meeste patiënten effect, al dan niet in combinatie met het middel cabergoline en een lage dosis ketoconazol. Hiermee werd binnen tachtig dagen bij bijna 90% van de patiënten normale cortisolspiegels bereikt. De bijwerkingen zijn doorgaans mild. Andere Nederlandse UMC’s droegen bij aan dit onderzoek naar een therapie voor Cushing.

Snel uit laboratorium
De onderzoekers van het Erasmus MC, LUMC (Leiden), UMC St Radboud (Nijmegen) en UMC Utrecht hebben hun bevindingen gepubliceerd in het vakblad de New England Journal of Medicine.

In Codex Medicus: Ziekte van Cushing

Bron: Erasmus MC
Speciale behandeling nodig voor vrouwen met risico op vervroegde overgang

Utrecht, 16 augustus 2010 - Multidisciplinaire behandeling en begeleiding is noodzakelijk voor vrouwen met risico op vervroegde overgang. Dit bepleiten hoogleraren De Vos, Devroey (beiden Brussel) en Fauser (UMC Utrecht). Prof. Fauser is tevens mede-auteur van de Codex Medicus.

In een overzicht gepubliceerd in The Lancet presenteren zij de meest actuele status rondom primaire ovariële insuffientie (vervroegde overgang). Een dergelijk artikel betekent een leidraad voor dokters over de hele wereld die vrouwen met vervroegde overgangsverschijnselen behandelen. Het seminar geeft een compleet overzicht van de stand van zaken rondom deze aandoening en is gebaseerd op uitgebreid literatuuronderzoek. De auteurs beschrijven hoe de aandoening ontstaat, welke oorzaken het kent en welke behandeling voor deze vrouwen het meest optimaal is. Zij vinden dat elke vrouw waarbij de menstruele cyclus 90 dagen of meer duurt óf die minder dan 9 cycli per jaar heeft, verdacht is voor vroegtijdige veroudering van de eierstokken. Zij zou volledig onderzocht moet worden, inclusief genetische analyse.

Maar bovenal is het artikel een pleidooi voor onderzoek naar en betere zorg voor deze voor vrouwen zeer ingrijpende aandoening. De ziekte heeft tot nu toe weinig aandacht gekregen omdat het moeilijk is onderscheid te maken tussen een normale vroege overgang en een tekortschieten van de eierstokken.

Zo wordt volgens de auteurs lang niet elke vrouw goed voorgelicht over de mogelijkheden die er zijn om alsnog kinderen te krijgen en zijn de grenzen van die mogelijkheden ook nog niet bereikt. De auteurs signaleren dat het nadelige effect van kankerbehandelingen op eierstokken weliswaar een stimulans is voor onderzoek naar behoud van vruchtbaarheid. Maar het onderzoek staat nog in de kinderschoenen. Eicellen invriezen en het in leven houden van eicellen buiten het lichaam zijn nog in de experimentele fase. Prof. dr. Bart Fauser van het UMC Utrecht: "Deze vrouwen moeten niet alleen met een diagnose of medicatie naar huis worden gestuurd, maar moeten multidisciplinair worden begeleid en behandeld."

Oorzaken van vervroegde overgang kunnen genetisch zijn of een gevolg van chemotherapie, radiotherapie of een operatie. Het belangrijkste symptoom is het uitblijven van de menstruatie. De gevolgen voor de vrouw zijn groot: verlies van vruchtbaarheid, afname van de botdichtheid en cardiovasculaire of neurologische gevolgen, welzijn en seksuele gezondheid in het bijzonder.

In Codex Medicus: Climacterium praecox

Bron: UMC Utrecht
Pijnvrij door vertebroplastiek in gebroken rugwervel


Tilburg, 13 augustus 2010 - Het injecteren van botcement in door botontkalking ingezakte en gebroken rugwervels is een effectieve en veilige methode om patiënten pijnvrij te maken. Dit blijkt uit een onderzoek van het St. Elisabeth Ziekenhuis Tilburg dat in het gezaghebbende medische tijdschrift The Lancet is gepubliceerd.

In het St. Elisabeth Ziekenhuis worden jaarlijks 150 tot 200 patiënten die veel pijn hebben door ingezakte rugwervels met vertebroplastiek behandeld. Daarbij wordt via een naald door de huid een speciaal soort cement in de wervel gespoten. "We wisten dat het cementeren van de breuk de best denkbare pijnstiller is, maar dit was nog niet wetenschappelijk bewezen", zegt interventieradioloog dr. Paul Lohle. "Onze studie levert nu het keiharde bewijs dat vertebroplastiek veel betere resultaten oplevert dan de traditionele behandelmethode met pijnstilling, bedrust en het dragen van een korset. Omdat patiënten weer direct mobiel worden, zijn de behandelkosten meer dan acceptabel. De kwaliteit van leven neemt immers enorm toe."

Botontkalking
Patiënten die in aanmerking komen voor vertebroplastiek hebben zonder uitzondering last van botontkalking (osteoporose). Lohle: "Het betreft dus vooral oudere vrouwen die geconfronteerd kunnen worden met een ingezakte ruggenwervel. Een misstap op een stoepje kan al een pijnlijke breuk veroorzaken. Via een onderzoek en een MRI-scan kan nauwkeurig worden bepaald of vertebroplastiek uitkomst kan bieden. Onze studie toont aan dat 90 tot 95 procent van de behandelde patiënten vrijwel direct geen pijnklachten meer heeft. Het vastzetten van de wervel zorgt ervoor dat de zenuwbanen niet langer worden geïrriteerd. Het is echter wel noodzakelijk de patiënt binnen zes weken na het ontstaan van de breuk te behandelen.

Onderzoeksteam
Het onderzoek werd geleid door Caroline Klazen, arts-assistent radiologie, die later dit jaar promoveert op dit onderwerp. Neuroradioloog prof. dr. Willem Jan van Rooij speelde een belangrijke rol bij de uitwerking van het onderzoek.
Geschat wordt dat wereldwijd jaarlijks 1,4 miljoen mensen last krijgen van een ingezakte en gebroken rugwervel. Van Rooij: "Onze studie kan dus heel veel patiënten vooruit helpen. Ziektekostenverzekeraars kunnen nu niet meer om de vertebroplastiek heen."

In Codex Medicus: Vertebroplastiek

 

In Codex Medicus: Osteoporose

Bron: St. Elisabeth Ziekenhuis

Israëlische onderzoekers stellen kanker vast met ademtest

Haifa, 12 augustus 2010 - Als kankercellen groeien, treden er veranderingen op in genen en/of eiwitten. Hierdoor stoten cellen zogenaamde volatiele organische componenten (VOC's) uit. Sensoren kunnen deze chemicaliën in de adem herkennen, waarna de diagnose kan worden vastgesteld. Uit het onderzoek blijkt dat de blaastest niet alleen vaststelt of iemand kanker heeft, maar de test onderscheidt ook de vier meest voorkomende vormen van kanker, namelijk borst-, long-, darm- en prostaatkanker. Deze vier vormen van kanker zorgen voor ongeveer de helft van het aantal doden door kanker.
De uitslag van het onderzoek is gepubliceerd in het augustusnummer van de British Journal of Cancer.

Hier ligt dus een kans voor de ontwikkeling van een eenvoudige, goedkope, niet-invasieve methode om kanker te diagnosticeren. Door de blaastest kan de diagnose eerder worden vastgesteld waardoor er sneller met behandeling kan worden begonnen.

In Codex Medicus: Oncologie

Bron: British Journal of Cancer
Variaties in genen verklaren kans op meningokokkenziekte


Nijmegen, 11 augustus 2010 - Of een besmetting met meningokokken leidt tot de gevreesde meningokokkenziekte hangt sterk af van individuele variaties in genen die coderen voor een eiwit uit het immuunsysteem. Het wetenschappelijk tijdschrift Nature Genetics heeft een onderzoek hierover afgelopen zondag on line gezet. Het onderzoek is uitgevoerd door een groot internationaal consortium, waarvan ook het UMC St Radboud, het Erasmus MC en het AMC deel uitmaken.


Een besmetting met de meningokokkenbacterie komt vaak voor. Bijna iedereen raakt er wel eens mee besmet, zonder er ziek van te worden. Bij een klein percentage van de mensen leidt besmetting met de meningokok echter tot hersenvliesontsteking of bloedvergiftiging, wat fataal kan aflopen. In de volksmond wordt de meningokokkenziekte wat misleidend nekkramp genoemd.


Voordat in deze eeuw de vaccinatie tegen meningokokken C in Nederland werd ingevoerd, was de meningokokkenziekte bij kinderen een belangrijke doodsoorzaak. Door de vaccinatie is de infectie met meningokokken C sterk teruggelopen, maar nog steeds krijgen jaarlijks zo'n honderd kinderen in Nederland een ernstig verlopende meningokokken B infectie. In gebieden in Afrika kost de infectie met meningokokken A jaarlijks duizenden doden. Tegen meningokokken B is nog geen vaccin beschikbaar.


GWAS
Wat bepaalt of iemand na een besmetting met de meningokok ernstig ziek wordt? Een belangrijk deel van het antwoord blijkt te vinden in genetische variaties tussen individuen.

Om te achterhalen welke variaties hierbij betrokken zijn, verzamelde een groot internationaal onderzoeksconsortium gegevens en lichaamsmateriaal van bijna vijftienhonderd patiënten die een ernstige meningokokkeninfectie hebben doorgemaakt en vergeleek die in een genoombrede associatiestudie (GWAS) met zo'n zesduizend controlepersonen. Een GWAS is een relatief nieuwe en nauwkeurige methode om minieme genetische verschillen te koppelen aan bepaalde eigenschappen of aandoeningen. Kinderarts prof.dr. Ronald de Groot van het UMC St Radboud licht toe: ‘Er is voor zo'n studie informatie van zeer veel patiënten nodig; daarom kan het alleen in internationaal verband gebeuren. In dit geval zijn er gegevens gebruikt van patiënten uit acht landen, waaronder enkele honderden uit Nederland.'


Beschermd
De genetische variaties die nu gevonden zijn in relatie tot de meningokokkenziekte hebben betrekking op complementfactor H, een eiwit uit het immuunsysteem, waar de meningokokken in het lichaam zich aan hechten. De labeling met dit eiwit beschermt de meningokokken. De genetische variaties bepalen of patiënten ernstige infecties oplopen zoals bloedvergiftiging of hersenvliesontsteking.

Deze vondst geeft belangrijk nieuw inzicht in het ontstaan van de infectie en vormt een aanknopingspunt voor het ontwikkelen of verbeteren van vaccins. De meningokokkenziekte is de eerste infectieziekte waarbij een genoombrede associatiestudie duidelijke resultaten oplevert


In Codex Medicus: Meningokokkeninfecties


Bron: UMC St Radboud

Hersenveranderingen bij jongeren met een verhoogd risico op psychose

Utrecht, 10 augustus 2010 - Tim Ziermans wilde tijdens zijn promotieonderzoek weten of jongeren met een verhoogd risico op psychose goed geïdentificeerd kunnen worden en of er bij hen sprake is van vroegtijdige veranderingen in de hersenen.


Ziermans beschrijft dat 15,6% van de hoogrisico-jongeren binnen twee jaar een psychose ontwikkelden. De kans dat hun klachten verminderden in die twee jaar was echter ruim drie keer zo groot.


Met behulp van MRI-scans en EEG-opnames bracht hij de hersenstructuur en hersenfunctie in kaart. Bij de eerste meting waren er nog geen duidelijke verschillen in hersenmaten tussen jongeren met een verhoogd risico en gezonde leeftijdsgenoten.


Twee jaar na de eerste meting werd het onderzoek nog een keer herhaald om veranderingen over de tijd te meten. Hieruit bleek dat de hersenen van jongeren met een verhoogd risico meer moeite hadden om harde geluidsprikkels te verwerken die vooraf werden gegaan door een zacht geluid. Ziermans hoopt dat veranderingen in de hersenen op termijn bruikbaar worden om psychoses te voorspellen of zelfs te voorkomen.


Tim Ziermans promoveert bij mede-auteur van de Codex Medicus prof. H. van Engeland.


In Codex Medicus: Psychose


Bron: Universiteit Utrecht

Snellere behandeling en zorg nodig voor mensen met eetstoornis

Brussel, 6 augustus 2010 - Vorig jaar werden in Vlaanderen bijna 400 mensen met een eetstoornis behandeld in een Centrum voor Geestelijke Gezondheidszorg (CGG). Dat blijkt uit het antwoord op een schriftelijke vraag van Vlaams parlementslid Vera Van der Borght (Open Vld). Mensen met een eetstoornis moeten nu soms tot zeven weken wachten vooraleer ze in een CGG terechtkunnen. Ook in gespecialiseerde psychiatrische ziekenhuizen is opvang niet altijd meteen mogelijk. Vera Van der Borght vraagt een kordatere aanpak van de opvangproblemen van mensen die kampen met een eetstoornis.

Vorig jaar werden 390 mensen met een eetstoornis behandeld in een Centrum voor Geestelijke Gezondheidszorg. In ongeveer 95% van de gevallen ging het om vrouwen. Bij 34,5% was anorexia de hoofddiagnose, bij 26,2% ging het om boulimie. Gevraagd naar de wachttijden voor mensen met een eetstoornis, moet Vlaams minister van Welzijn Vandeurzen het antwoord schuldig blijven omdat er geen centraal wachtlijstbeheer is.

Vera Van Der Borght beklemtoont de noodzaak van kortere opvangtijden. "Wanneer de omgeving van iemand met anorexia of boulimie in de gaten heeft dat er een probleem is, is de eetstoornis vaak al een hele tijd aan de gang. Het is dan ook essentieel dat op dat moment snel hulp beschikbaar is."
 
Niet alleen in de Centra voor Geestelijke Gezondheidszorg zijn de wachttijden te lang. Ook in gespecialiseerde psychiatrische ziekenhuizen is opvang niet altijd meteen mogelijk. Vera Van der Borght: "Soms is dat gebrek aan opvang fataal. Dat blijkt uit het verhaal van Chloë, een meisje van 15 dat vorig jaar aan de gevolgen van boulimie overleed. Chloë werd niet opgenomen omdat er op dat moment geen bed beschikbaar was en haar gezondheidstoestand werd onderschat. Ze overleed enkele dagen later."
 
Het was na de getuigenis van de ouders van Chloë dat Vera Van der Borght het initiatief nam om Vlaams minister Vandeurzen te bevragen over de opvangproblemen van mensen met een eetstoornis. Na het overlijden van Chloë werd de actiegroep BAAN Chloë opgericht. BAAN staat voor ‘Betere Aanpak Anorexia Nervosa’; de actiegroep ijvert voor een beter ambulant beleid en uitgebreidere en betere opnamemogelijkheden voor patiënten met anorexia of boulimie.
 
In Codex Medicus: Eetstoornissen

Bron: Open vld 

Slimme parasiet maakt slaapziekte moeilijk te bestrijden

Brussel, 5 augustus 2010 - De tseetseevlieg is een beruchte overbrenger van Afrikaanse trypanosomiasis of slaapziekte. Hoewel slechts een erg klein deel van de tseetseevliegpopulatie drager is van de trypanosoma-parasiet, blijft de ziekte jaarlijks heel wat slachtoffers maken. Onderzoekers van de Vrije Universiteit Brussel en het Instituut voor Tropische Geneeskunde hebben nu ontdekt dat dit komt door een slimme truc van de parasiet, die ervoor zorgt dat besmette tseetseevliegen een groter aantal mensen en dieren moeten bijten om zich te voeden.


Afrikaanse trypanosomiasis of slaapziekte wordt veroorzaakt door de trypanosoma-parasiet en kan zowel de menselijke bevolking als hun veestapel bedreigen. Wanneer ze niet behandeld wordt, kan ze zelfs dodelijk zijn. In normale tseetseevliegpopulaties is slechts een klein deel besmet met trypanosoma brucei, zodat het aantal contacten tussen besmette vliegen en hun slachtoffers een bepalende rol speelt in het overbrengen van de ziekte.


Omdat tseetseevliegen leven van het bloed van hun gastheer, beschikken ze over een complex speekselmengsel dat bloedstolling tegengaat waardoor ze zich ongehinderd kunnen voeden. Uit een experimentele studie van enkele immunologen van de Vrije Universiteit Brussel en het Instituut voor Tropische Geneeskunde blijkt nu echter dat de parasiet zijn verspreiding probeert te bespoedigen door de samenstelling van het vliegenspeeksel te wijzigen. Bij besmette tseetseevliegen blijkt de speekselfunctie die bloedstolling moet tegengaan aanzienlijk verminderd. Hun speeksel vertoont een aanzienlijk afgenomen antithrombine-activiteit waardoor het stollingswerend effect verzwakt. Doordat het bloed van de gastheer sneller stolt, zijn de tseetseevliegen verplicht sneller een andere gastheer op te zoeken om zich verder te voeden, zodat de parasiet de kans krijgt zich bij een groter aantal slachtoffers te verspreiden.

De ontdekking verklaart hoe het kan dat trypanosoombesmettingen bij mensen zo talrijk kunnen blijven terwijl het aantal besmette tseetseevliegen in werkelijkheid erg laag is.


In Codex Medicus: Afrikaanse trypanosomiasis


Bron: Vrije Universiteit Brussel

Vaker depressie na problematische zwangerschap

Rotterdam, 4 augustus 2010 - Hoe meer problemen een vrouw tijdens haar zwangerschap of de bevalling tegenkomt, hoe groter het risico dat zij in de eerste twee maanden na de geboorte van haar kind depressief wordt. Als zorgverleners zich hiervan bewust zijn, kan een depressie tijdig ontdekt en behandeld worden.


Generation R-onderzoekers publiceren vandaag deze bevindingen in het British Journal of Obstetrics and Gynaecology (BJOG).


Keizersnede
Problemen die een postnatale depressie kunnen veroorzaken, zijn bijvoorbeeld zwangerschapsvergiftiging en een ongeplande keizersnede. Tot nu toe was er weinig onderzoek gedaan naar het verband tussen complicaties en het ontstaan van postnatale depressie.


Oplopen
Van de vrouwen die meededen aan dit onderzoek, kreeg 8% een postnatale depressie. Vrouwen die met één probleem werden geconfronteerd, hebben een risico van een op de zeven om in de eerste twee maanden na de bevalling depressief te worden. Dit risico loopt op naarmate de vrouwen meer complicaties doormaken. Een onbehandelde postnatale depressie kan maanden of zelfs jaren aanhouden, met grote gevolgen voor de moeder. Dit heeft ook invloed op de ontwikkeling van het kind.

Bewust
Henning Tiemeier, arts-onderzoeker van het Erasmus MC: "Het is belangrijk dat gynaecologen, verloskundigen, huisartsen en medewerkers van consultatiebureaus zich bewust zijn van het toegenomen risico op postnatale depressie bij vrouwen die met deze problemen te maken hebben. Deze zorgverleners zijn dan wellicht sneller in staat om een postnatale depressie vast te stellen." Volgens Tiemeier kan de moeder dan sneller worden behandeld, zodat de gevolgen voor haar en het kind beperkt blijven.


In Codex Medicus: Postpartumdepressie


Bron: Erasmus MC

Verwijsindex risicojongeren ook voor huisartsen belangrijk


Den Haag, 3 augustus 2010 - De wet inzake de verwijsindex risicojongeren (VIR) is op 1 augustus 2010 in werking getreden.


De verwijsindex risicojongeren is de landelijke ICT-toepassing die risicomeldingen van jongeren tot 23 jaar registreert. De verwijsindex brengt risicomeldingen van hulpverleners bij elkaar en informeert hulpverleners onderling over hun betrokkenheid bij jongeren. Gebruik van de verwijsindex draagt bij aan effectiever samenwerken van hulpverleners en gemeenten. Het besluit regelt de inwerkingtreding van de wet inzake de verwijsindex per 1 augustus dit jaar en bepaalt ook welke hulpverleners mogen melden aan de verwijsindex.


Meer dan 400 gemeenten aangesloten
Er zijn nu al meer dan 400 gemeenten aangesloten op de verwijsindex. Vorige week sloten weer honderd nieuwe gemeenten in Noord-Brabant, Zuid-Holland en Groningen zich aan, zodat de verwijsindex in bijna alle gemeenten is ingevoerd. ‘Een mooi resultaat, want het gaat er natuurlijk om dat hulpverleners in alle gemeenten van Nederland dit instrument gaan gebruiken', aldus minister Rouvoet voor Jeugd en Gezin.


Matches
Uit recente cijfers blijkt dat inderdaad al het geval. Tot dusverre hebben zogenoemde meldingsbevoegden (professionals die met jeugd werken zoals medewerkers van politie, onderwijs, en gemeenten, maar ook huisartsen) al meer dan 150 duizend keer een risicomelding gedaan. Dit heeft inmiddels geleid tot meer dan 30.000 zogenaamde matches: dat wil zeggen dat er meerdere meldingsbevoegden een melding hebben gedaan van dezelfde jongere. Hierdoor komen hulpverleners snel en makkelijk in contact om onderling informatie uit te wisselen over behandelingen en resultaten. ‘Hierdoor zorg je ervoor dat jongeren die op meerdere plekken in de problemen zijn gekomen, vroegtijdig gesignaleerd worden en snel hulp of steun krijgen. Dit voorkomt weer dat hun problemen groter worden', aldus minister Rouvoet.


In Codex Medicus: Verwijsindex risicojongeren


Bron: Jeugd en Gezin

Vanaf 2012 baby's inenten tegen hepatitis B


Bilthoven, 2 augustus 2010 - Vanaf 2012 krijgen alle zuigelingen een inenting tegen hepatitis B aangeboden. Minister Klink van VWS volgt daarmee het advies op van de Gezondheidsraad om de inenting op te nemen in het Rijksvaccinatieprogramma (RVP). Hepatitis B is een ernstige aandoening van de lever die veroorzaakt wordt door een virus.


Op dit moment krijgen baby's die een verhoogd risico hebben op hepatitis B de inenting al via het RVP. Dat zijn kinderen met een moeder met een chronische hepatitis B-infectie, kinderen van wie tenminste één ouder afkomstig is uit een land waar hepatitis B vaak voorkomt en kinderen met het syndroom van Down.


De minister verwacht dat de vaccinatie tegen hepatitis B uiterlijk 1 januari 2012 in het RVP is opgenomen. In veel andere westerse landen zit de vaccinatie al langer in het vaccinatieprogramma.


De Gezondheidsraad had ook geadviseerd om door een inhaalcampagne alle kinderen tot 12 jaar te vaccineren. Dit advies neemt de minister echter niet over. De mogelijke gezondheidswinst van een jarenlange inhaalcampagne weegt niet op tegen de logistieke inspanningen die hiervoor nodig zijn.


In Codex Medicus: Hepatitis B


In Codex Medicus: Vaccinaties

Bron: RIVM

Insulineproducerende cellen bij volwassenen blijken vernieuwbaar

Brussel, 30 juli 2010 - Onderzoekers van het Diabetes Research Centrum van de Vrije Universiteit Brussel hebben een studie gepubliceerd in het Amerikaanse vaktijdschrift Diabetes waarin zij aantonen dat insulineproducerende cellen bij de mens niet terminaal gedifferentieerd zijn, maar dat zij kunnen worden aangezet om te delen onder invloed van ontstekingsfactoren. Deze ontdekking kan er op termijn voor zorgen dat type 1-diabetespatiënten geen insuline-injecties meer nodig zouden hebben.

Tot voor kort namen wetenschappers aan dat ieder volwassen individu een min of meer vast aantal langlevende insulineproducerende bètacellen bezat die een levenlang zouden moeten meegaan. Wanneer deze cellen beschadigd zouden geraken of dood zouden gaan, zoals gebeurt bij type 1-diabetes, dan zou het verlies van deze cellen onherroepelijk zijn en finaal leiden tot een vervangingstherapie, bijvoorbeeld door inspuiting met insuline. Door het bestuderen van vele honderden kleine pancreasbiopten die de afgelopen twintig jaar werden afgenomen bij donoren die hun pancreas ter beschikking hadden gesteld voor transplantatie van eilandjes van Langerhans, vond men bij de meeste patiënten dat de delingsactiviteit zeer laag was. Dit bevestigde wat men altijd had verondersteld, namelijk dat de insulineproducerende cellen een hele lage frequentie van vervanging hebben.

Onverwacht echter werden bij een klein deel van de patiënten heel hoge waarden van celdeling gevonden. Bestudering van de klinische gegevens en microscopische analyse van het pancreasweefsel lieten zien dat deze celdeling alleen voorkwam bij patiënten die in het ziekenhuis een ontstekingsinfiltraat in de pancreas hadden ontwikkeld. De bevindingen wijzen er op dat insulineproducerende bètacellen bij volwassenen nog steeds in staat zijn om te delen, maar dat ze dit alleen doen in aanwezigheid van ontstekingscellen. Vervolgonderzoek met steun van de Juvenile Diabetes Research Foundation, een grote Amerikaanse patiëntenorganisatie, moet nu de moleculaire mechanismes zien te ontcijferen die de bèta cel aanzetten tot deling. Als men de juiste ‘drukknop’ kan vinden, dan zouden patiënten met diabetes hun eigen (resterende) bètacellen tot deling kunnen aanzetten en voldoende insulineproducerende cellen kunnen aanmaken om de bloedsuikerwaarden terug te normaliseren.

In Codex Medicus: Insuline

In Codex Medicus: Insulinetherapie

Bron: Vrije Universiteit Brussel

Nieuwe techniek verlaagt hoge bloeddruk


Utrecht, 29 juli 2010 - Gisteren werd in het UMC Utrecht voor het eerst in Nederland een nieuwe kathetertechniek toegepast bij een patiënt met een extreem hoge bloeddruk. De techniek is ontwikkeld en onderzocht in het buitenland en biedt volgens de betrokken specialisten een goed perspectief voor mensen met een hoge bloeddruk waarbij medicijnen onvoldoende effect hebben.


Van alle volwassenen in Nederland heeft ongeveer één op de vijf een verhoogde bloeddruk. In Nederland betekent dit dat er meer dan 1 miljoen mensen hypertensie hebben; dat is een bloeddruk van meer dan 140/90 mmHg. Patiënten met een te hoge bloeddruk gebruiken medicijnen om hun bloeddruk onder controle te krijgen. Een deel van hen heeft resistentie tegen bestaande medicijnen (+/-15-20%), wat betekent dat de medicatie onvoldoende werkt. Dit vergroot het risico op een hartinfarct, beroerte of het verlies van nierfunctie. De nieuwe kathetertechniek wordt toegepast bij patiënten die een bovendruk hebben van meer dan 160 mmHg ondanks het gebruik van tenminste drie soorten medicijnen.


Het idee dat de nieren (mede)verantwoordelijk zijn voor het ontstaan en onderhouden van de hoge bloeddruk, bestaat al heel lang. De zenuwbanen die de nieren en de hersenen met elkaar verbinden spelen hierin een grote rol. In de vorige eeuw is al gebleken dat het doorsnijden van deze zenuwen een belangrijk bloeddrukverlagend effect heeft. De operatie was echter ingewikkeld en werd daarom niet of nauwelijks uitgevoerd. Door een technische innovatie kan het blokkeren van de functie van deze nierzenuwen nu verkregen worden op een niet al te ingewikkelde manier. De eerste ervaringen met de nieuwe techniek in het buitenland zijn heel gunstig.


In Codex Medicus: Arteriële hypertensie


Bron: UMC Utrecht

Obesitasepidemie gevaar voor ongeboren kind


Londen, 28 juli 2010 - Baby's van vrouwen die kampen met overgewicht tijdens hun zwangerschap maken meer kans op congenitale afwijkingen en obesitas. Ook de kans op perinatale sterfte is groter.


Engelse gezondheidsdeskundigen zien een 'obesitasepidemie' onder zwangeren vanwege de algemene gewichtstoename in de hele populatie. Volgens het National Institute for Health and Clinical Excellence lijdt al de helft van het aantal zwangere vrouwen aan overgewicht (een BMI tussen 25 en 29,9) of obesitas (BMI van 30 of hoger). Vandaag lanceert de organisatie nieuwe richtlijnen voor de volksgezondheid voor, tijdens en na de zwangerschap. Dit alles vanwege de risico's voor moeders en (pasgeboren) baby's.

De gevaren zijn groot en betreffen onder anders: miskramen, eclampsie en maternale sterfte. Onderzoek suggereert dat obese moeders ook een grotere kans maken op een moeilijke bevalling en bloedingen. Baby's van obese vrouwen lopen een groter risico op congenitale afwijkingen, zijn vaker groter dan normaal voor hun fase in de zwangerschap en maken zelf meer kans obees te worden.

De richtlijnen benadrukken het belang voor vrouwen om op een 'gezond' gewicht te komen voordat ze zwanger raken en ook dat het niet nodig is "voor twee" te eten. Aan de andere kant staan er ook adviezen in voor vrouwen die menen te moeten afvallen of die tijdens een zwangerschap aan een crashdieet beginnen.


In Codex Medicus: Overgewicht

In Codex Medicus: Obesitas

In Codex Medicus: Congenitale afwijkingen

Bron: National Institute for Health and Clinical Excellence

Toename van kinderen met ouderdomsdiabetes


Antwerpen, 26 jul 2010 - Wereldwijd neemt het aantal mensen met diabetes explosief toe. Dat is gebleken tijdens het Amerikaanse Diabetes Congres. Ook een land als België ontsnapt niet aan die stille maar dodelijke epidemie. "De behandelingen verbeteren, maar de preventie raakt achterop. De geneeskunde wint de strijd om de bloedsuiker te controleren, maar dreigt intussen wel de oorlog tegen diabetes te verliezen", analyseert diabetesexpert professor Luc Van Gaal (UZA).


Britse onderzoekers voorspellen dat het aantal Europese kinderen onder 5 jaar met diabetes type 1 tegen 2020 zal verdubbelen tot zo'n 160.000. Ook in België stellen specialisten al een tijdje een toename, maar vooral een verjonging van de ziekte vast. Professor Chantal Mathieu (UZ Leuven): "Het valt ons vooral op dat diabetes steeds vroeger toeslaat. Zelfs al bij peuters van 2 jaar. Dat maakt dat ook de behandelingen moeten worden aangepast. Want bij een tweejarige continu het bloed controleren en regelmatig insuline inspuiten is helemaal niet evident. Bij hen worden daarom steeds sneller insulinepompen gebruikt.


Wat zijn de oorzaken?
"Exact weten we het niet, maar verschillende zaken worden onderzocht. Diabetes heeft te maken met erfelijke factoren. Door de betere behandelingen leven diabetici langer en krijgen meer patiënten ook zelf een nageslacht. Maar deze toename gaat te snel om alleen met genetica te verklaren. Andere experts wijten de stijging aan virussen zoals de maag-darm-virussen. Heel vaak zien we dat patiëntjes waarbij we diabetes vaststellen, kort voordien een diarree-infectie hadden opgelopen. Mogelijk lokt zo'n virus die reactie van het lichaam uit. Ook onze hygiënische levensstijl kan een rol spelen. Die zorgt ervoor dat ons immuunsysteem ontregeld raakt, waardoor er ook meer gevallen van allergie, reuma en andere auto-immuunziekten voorkomen. Ten slotte kan ook het dieet een rol spelen. Uit studies bij muizen blijkt dat een tekort aan vitamine D tijdens de zwangerschap het risico op diabetes verhoogt. Vitamine D, wat we onder meer krijgen door blootstelling aan zonlicht, is cruciaal voor de vorming van het immuunsysteem van een foetus. Heeft de moeder daaraan een tekort tijdens die cruciale periode in de zwangerschap, dan zou dit later kunnen zorgen voor een minder goed functionerend afweersysteem. Nog opvallend zijn de seizoenspieken. Het aantal nieuwe diagnoses van type 1 piekt telkens in de herfst, wanneer er veel maagdarminfecties zijn, en in de lente, na een donkere winter met weinig vitamine D." Naar schatting 7 à 8 % van de Belgen leeft vandaag al met de diagnose van diabetes en nog eens 6 % heeft prediabetes, het voorstadium van de aandoening. Volgens de ramingen van de Internationale Diabetes Federatie loopt dit tegen 2030 zelfs op tot 10% van de landgenoten.


In Codex Medicus: Diabetes mellitus bij kinderen


Bron: Zorgmagazine van het universitair ziekenhuis antwerpen

Meer baarmoederkanker door obesitas en stijging kinderloze vrouwen

Londen, 23 juli 2010 - Het aantal vrouwen met baarmoederkanker steeg de afgelopen dertig jaar met bijna 50 procent, wat een record is. Volgens experts van Cancer Research UK komt dit door zwaarlijvigheid en het feit dat vrouwen minder kinderen krijgen of zelfs helemaal kinderloos blijven.


Obesitas
Baarmoederkanker is de vierde vaakst voorkomende vorm van deze ziekte bij vrouwen. Het komt meestal voor na de menopauze tussen de leeftijd van 60 en 69. Vrouwen zouden volgens experts meer risico lopen om op deze plaats een tumor te ontwikkelen wanneer ze veel oestrogeen in hun bloed hebben. Het niveau hiervan is lager tijdens de zwangerschap, vrouwen met minder kinderen worden dus langer blootgesteld aan deze stof. Degenen met overgewicht hebben ook een hoger niveau omdat hun vetweefsel andere hormonen in oestrogeen omzet. Hierdoor zou obesitas de kans op een tumor verdubbelen. Artsen geloven dat overgewicht verantwoordelijk is voor 30 tot 50 procent van de gevallen van baarmoederkanker.


Minder kinderen
Jessica Harris van Cancer Research UK: "Het niveau van oestrogeen varieert tijdens de menstruele cyclus, maar neemt ook af wanneer vrouwen zwanger zijn. Dat betekent dat vrouwen die meer kinderen hebben, minder lang in hun leven blootgesteld werden aan deze stof."  Uit Britse cijfers blijkt dat één op de vijf vrouwen nog geen baby heeft tegen haar veertigste, dat is twee keer zoveel als twintig jaar geleden. Vrouwen hebben ook kleinere gezinnen, slechts één op de twintig heeft meer dan vier kinderen, in vergelijking met slechts één op de vijf 20 jaar geleden.


In Codex Medicus: Endometriumcarcinoom


Bron: Cancer Research UK

Kans op borstkanker gelinkt aan schoonmaakproducten en luchtverfrissers


Newton (US), 22 juli 2010 - Amerikaans onderzoek suggereert een verhoogd risico op borstkanker na contact met luchtverfrissers en sommige schoonmaakproducten. Vrouwen die regelmatig een combinatie van schoonmaakproducten gebruikten, hadden twee keer zo vaak borstkanker als anders gezonde vrouwen. Het sterkste verband was er tussen kanker en luchtverfrissers en schimmelverwijderaars. Een relatie tussen kanker en producten voor oppervlaktereiniging, bestrijdingsmiddelen voor de tuin en ovencleaners werd juist niet vastgesteld.


De onderzoekers geven toe dat de studie niet perfect was, omdat ze kankerpatiënten vroegen of en zo ja welke schoonmaakproducten ze gebruikten. De sterkste relatie werd gevonden bij hen die geloofden dat chemicaliën hadden bijgedragen aan hun ziekte. De onderzoekers geven aan dat hun bevindingen 'biologisch plausibel" zijn. Veel luchtverfrissers en schoonmaakproducten bevatten endocrien verstorende stoffen die in laboratoriumstudies met knaagdieren al aan borstkanker zijn gelinkt.


Onderzoekers van het Silent Spring Institute, Massachusetts en de Boston University interviewden 787 vrouwen met borstkanker en 721 gezonde vrouwen. Hen werd gevraagd naar hun gebruik van schoonmaak- en bestrijdingsmiddelen.


In ' Environmental Health' concludeerden de onderzoekers: "Vrouwen die de meeste gecombineerde schoonmaakproducten gebruikten, hadden twee keer zoveel kans op borstkanker in vergelijking met hen die deze producten niet of zeer weinig gebruikten. Het contact met luchtverfrissers en schimmelverwijderaars geeft een verhoogd risico."


Kritiek op het onderzoek richt zich vooral op het feit dat borstkankerpatiënten is gevraagd naar hun gebruik van schoonmaakmiddelen ipv dat dat gebruik objectief is gemeten.
Vooroordelen over chemicaliën kunnen daardoor van invloed zijn geweest. In een reactie zegt Clare Dimmer van Breast Cancer UK: "Hoewel we moeten wachten op meer onderzoeksresultaten over het verband, lijkt het raadzaam dat vrouwen bij wie al borstkanker is gediagnosticeerd voorzichtig omgaan met deze producten en het gebruik van potentieel schadelijke chemicaliën beperken."


In Codex Medicus: Mammacarcinoom

Bron: Silent Spring Institute

Gezondheidskundige advieswaarde voor blootstelling aan endotoxinen


Den Haag, 21 juli 2010 - Beroepsmatige blootstelling aan endotoxinen komt vooral voor in de agrarische sector en aanverwante bedrijfstakken. Om werknemers die endotoxinen inademen adequaat te beschermen, is nagegaan bij welke blootstelling gezondheidsschade op kan treden. Dit heeft geleid tot een aanbeveling voor een gezondheidskundige advieswaarde voor beroepsmatige blootstelling aan endotoxinen. Dit schrijft de Gezondheidsraad in een advies dat recent is aangeboden aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Om gezondheidsschade te voorkomen, raadt de commissie een gezondheidskundige advieswaarde voor beroepsmatige blootstelling aan endotoxinen aan van 90 endotoxine eenheden per kubieke meter lucht (90 EU/m3), gemiddeld over een achturige werkdag.


In Codex Medicus: Endotoxine


Bron: De Gezondheidsraad

Niet wachten met behandeling van scheelzien


Amsterdam, 20 juli 2010 - Scheelzien komt bij 3- 4% van de bevolking voor en is niet alleen een cosmetisch probleem. Kinderen die scheel kijken kunnen slechter gaan zien en een lui oog ontwikkelen. Als scheelzien op latere leeftijd ontstaat, kan dit klachten geven als dubbelzien en hoofdpijn. Hoe eerder het scheelzien behandeld wordt, des te beter zijn de te verwachten resultaten voor het zien met beide ogen. Omdat er veel vragen zijn over scheelzien hebben de orthoptisten van de afdeling oogheelkunde van VU medisch centrum en 3M Nederland BV een boekje uitgegeven: '101 vragen over scheelzien, een handleiding voor ouders' (ISBN 978-90-72837-04-2).


Wat is scheelzien, hoe ontstaat het en wat is het verschil met een lui oog? Is het te opereren of verdwijnt het vanzelf? En veroorzaakt scheelzien problemen bij lezen en schrijven? Dit zijn slechts enkele van de 101 vragen die in het boekje worden behandeld. De orthoptisten van VU medisch centrum behandelen kinderen (en ook ouderen) die scheelzien of een lui oog hebben. Orthoptist Amber Bakels: "Ouders hebben veel vragen bij de diagnose en behandeling van scheelzien. Wij wilden de ouders een handleiding geven zodat ze het beter begrijpen. De hoeveelheid informatie die patiënten op een spreekuur krijgen is vaak veel en overweldigend. Dit naslagwerk geeft de mogelijkheid om er thuis rustig over te lezen. Wellicht ook om andere ouders te helpen, want bij twijfel over de oogstand of de gezichtsscherpte van een kind is het belangrijk om op korte termijn een orthoptist te raadplegen. Over het algemeen geldt namelijk: hoe eerder de behandeling start, hoe beter de resultaten".


In Codex Medicus: Scheelzien

In Codex Medicus: Amblyopie

Bron: VU medisch centrum

XTC kan helpen bij PTSS


Santa Cruz (US), 19 juli 2010 - Amerikaans onderzoek laat zien dat MDMA patiënten kan helpen die lijden aan de vele klachten die horen bij een posttraumatische stressstoornis. In tests onder patiënten waarbij gangbare behandelingen niet hielpen, had de illegale partydrug een groot positief effect.


Doctoren hielden psychotherapiesessies van acht uur waarbij in de ene groep MDMA (3,4-methyleendioxymethamfetamine - belangrijke ingrediënt van XTC) werd ingezet en in de andere groep een placebo. Twee maanden later vertoonde 80% van patiënten in de 'XTC-groep' geen PTSS-verschijnselen meer, aldus onderzoeksleider dr. Rick Doblin, Executive Director van MAPS, Multidisciplinary Association for Psychedelic Studies in Santa Cruz, Californië. In de placebo-groep vertoonde slechts 20% van de PTSS-patiënten een verbetering.


In Codex Medicus: Posttraumatische stressstoornis

Bron: Multidisciplinary Association for Psychedelic Studies

Engelse experts pleiten voor BCG-vaccinatie tegen tbc voor alle Londense kinderen


Londen, 16 juli 2010 - Alle in Londen geboren baby's zouden tegen tuberculose moeten worden ingeënt om ze te beschermen tegen het groeiende gevaar van deze ziekte, zeggen Engelse specialisten. Bijna 45% van alle tbc-gevallen bij kinderen in het Verenigd Koninkrijk vindt plaats in Londen. Dit stijgend percentage heeft nu de grens gepasseerd waarbij inenting in het vaccinatieprogramma zou moeten worden opgenomen, aldus deskundigen van het Health Protection Agency (HPA).

Tuberculose wordt vaak gezien als een ziekte uit het verleden. In de 19e eeuw waren er periodes waarin 1 op de 4 personen in Europa en Amerika bezweek aan tbc. Nieuwe medicijnen maakten daar een eind aan en eind jaren 80 (20e eeuw) waren er zo'n 5.000 patiënten in Engeland en Wales. Sindsdien is de incidentie echter gestaag toegenomen. In 2009 waren er al meer dan 9.000 patiënten, na de hoogste jaarlijkse stijging (5,5%) sinds 2005.

In negen van de tien gevallen komt de ziekte voor bij etnische minderheden. Reguliere BCG-vaccinaties tegen tbc op alle scholen zijn in 2005 omgezet naar een programma meer gericht op immigrantenkinderen. Het beleid is nu om vaccinatie aan te bieden aan kinderen die in het buitenland zijn geboren of waarvan de ouders buiten Engeland zijn geboren. Ook in gebieden waar de tbc-incidentie 40 gevallen per 100.000 inwoners overstijgt, wordt inenting aanbevolen.

Deskundigen van het HPA zeggen dat dit niveau van 40 op 100.000 nu gemeengoed is in heel Londen. Zij bekritiseren het bestaande beleid om alleen op imigrantenfamilies te mikken, omdat ze door veel migratie binnen de stad moeilijk te traceren zijn. Vandaar het advies om maar alle kinderen in heel Londen in te enten. 

In Codex Medicus: Tuberculose van long en pleura


Bron: The Independent

Gevaarlijke mug rukt op aan Middellandse Zee


Groot-Bijgaarden (B), 13 juli 2010 - De Franse overheid waarschuwt voor de tijgermug die ernstige infectieziektes zoals knokkelkoorts kan overbrengen. Aedes albopictus is de officiële naam van de mug. De tijgermug heeft zich de jongste jaren enorm kunnen verspreiden in het Middellandse Zeegebied.‘De beestjes zijn meegekomen met transporten uit Azië', zegt dokter Steven Callens, als epidemioloog verbonden aan het UZ Gent. ‘In het zuiden van Europa vinden ze de ideale temperaturen en omstandigheden om zich te ontwikkelen. Ze zijn vooral te vinden in gebieden waar stilstaand water is. Kleine meertjes, of zelfs potjes water in een tuin zijn voldoende om een broedhaard te krijgen. De muggen zijn zo venijnig dat je in Zuidoost-Azië zware boetes riskeert als je stilstaand water in de tuin laat staan.'


Een steek van deze mug kan heel ernstige gevolgen hebben: ze kan dengue (knokkelkoorts) en chikungunya veroorzaken. Dat zijn virusinfecties waar je heel erg ziek van wordt. De typische symptomen zijn plots opkomende koorts, gewrichtspijn, misselijkheid, braken, uitslag op je romp en ledematen en pijn achter je ogen. ‘De meeste mensen moeten in een ziekenhuis worden opgenomen', zegt dokter Callens. ‘Er is weinig meer aan te doen dan uitzieken en paracetamol nemen. Zeker geen aspirine.'

Wetenschappers zien de mug absoluut niet graag oprukken. ‘Gelukkig volgen de overheden de evolutie zeer nauwgezet op', zegt Callens. ‘Bij mijn weten zijn er nog geen toeristen teruggekeerd uit Zuid-Europa die daar dengue hebben opgelopen.'


‘We mogen weliswaar niet uit het oog verliezen dat je op vakantie nog wel meer ziektes kunt oplopen als gevolg van een insectenbeet. Een steekvlieg die van nature aanwezig is in Zuid-Europa kan leishmaniasis veroorzaken. Da's ook een ernstige infectieziekte, met gelijkaardige symptomen van koorts en vergrote organen. Patiënten moeten ook in dit geval meestal worden opgenomen in het ziekenhuis. Waar we vroeger één patiënt in tien jaar zagen, is dat er nu één per jaar.'


Vakantiegangers kunnen het best een anti-insectenmiddel meenemen dat minstens 20 tot 30 procent van de insectenwerende stof DEET bevat.


In Codex Medicus: Dengue


In Codex Medicus: Leishmaniasis


Bron: De Standaard

Gen op chromosoom 21 lijkt betrokken bij hartritmestoornissen

Amsterdam, 12 juli 2010 - Onderzoekers van het AMC hebben sterke aanwijzingen gevonden dat één bepaald gen een voorspeller kan zijn van hartritmestoornissen na een infarct. Dat maken zij bekend in een artikel in het toonaangevende wetenschappelijk tijdschrift Nature Genetics. Plotselinge hartdood door hartritmestoornissen is verantwoordelijk voor een kleine 20 procent van de sterfgevallen in de VS en Europa.


Er lijkt een sterk verband te bestaan tussen een afwijking op chromosoom 21 en het optreden van levensbedreigende hartritmestoornissen tijdens een acuut hartinfarct. Dat schrijven AMC-onderzoekers Connie Bezzina (moleculair geneticus) en Arthur Wilde (cardioloog) in een artikel in Nature Genetics dat op 11 juli online is gepubliceerd.
De afdeling Experimentele Cardiologie van het Hartfaalcentrum van het AMC doet al langer onderzoek naar de genetische achtergronden van plotselinge hartdood, met financiële ondersteuning van onder andere de Nederlandse Hartstichting. Zo is Bezzina ‘established investigator' van de Hartstichting. Cardiovasculaire aandoeningen eisen wereldwijd zeven miljoen levens per jaar. Plotselinge hartdood is verantwoordelijk voor zo'n twintig procent van alle natuurlijke sterfgevallen van volwassenen. Vandaar dat er een wereldwijde jacht gaande is op de genetische achtergronden van hart- en vaatziekten.


Uit eerder onderzoek naar de genetica van het hartritme kwamen al duidelijke aanwijzingen naar voren dat een genetische component een rol speelt bij de kans op plotselinge hartdood tijdens een hartinfarct. Het zou veel gezondheidswinst opleveren als het mogelijk zou zijn op grond van een genetisch profiel de kans op ritmestoornissen (aritmie) in te schatten.


Connie Bezzina heeft nu onderzocht welke genetische factoren die kans beïnvloeden. Daarvoor werd een zogenaamde genome-wide association analyse uitgevoerd. Bij een grote groep patiënten met deze specifieke hartritmestoornissen, verzameld vooral in Amsterdam (AMC) en Eindhoven (Catharina Ziekenhuis), is onderzocht of er verbanden gevonden kunnen worden tussen het optreden van aritmie en verschillen in het DNA.


Het AMC-onderzoek lijkt uit te wijzen dat chromosoom 21q21 betrokken is bij hartritmestoornissen. Op dit chromosoom ligt een gen dat mogelijk een rol speelt bij de respons op virusinfecties. Het lijkt indirect de elektrische prikkelgeleiding in het hart te beïnvloeden. ‘Dit is een opwindende ontdekking', zegt Bezzina. ‘Het leidt tot interessante gedachten en dit geeft nieuwe richting aan verder onderzoek.'


‘Er zullen vast meer genetische factoren zijn', aldus Bezzina, ‘maar dit is de eerste keer dat zo duidelijk is aangetoond welk gen een rol speelt bij ritmestoornissen. Dit is de plek waar verder onderzoek zich op zal richten. Ook het achterliggende mechanisme moeten we verder gaan uitpluizen.‘ Pas als daar meer duidelijkheid over komt, zal het mogelijk zijn om medicijnen te ontwikkelen die de ritmestoornissen kunnen voorkomen


In Codex Medicus: Hartritmestoornissen


Bron: AMC

Screening van borstkanker vanaf 40 jaar: Vlaamse autoriteiten adviseren negatief


Brussel, 9 juli 2010 - Het Vlaams Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) is nagegaan of het zinvol is om gezonde vrouwen tussen 40 en 49 jaar, zonder symptomen of zonder verhoogd risico in de familie, te screenen op borstkanker. Dergelijke screening zou betekenen dat bijna 800.000 vrouwen jaarlijks zouden worden uitgenodigd voor een mammografie. Het KCE stelde vast dat bij de screening van deze leeftijdsgroep de mogelijke nadelen wel eens groter zouden kunnen zijn dan de voordelen. Het risico om van borstkanker te sterven is al vrij klein in deze groep. Door een systematische screening zouden jaarlijks ongeveer 24 overlijdens kunnen vermeden worden, maar de straling van de mammografie bij die honderdduizenden vrouwen zou tot 40 extra kankers en 16 sterfgevallen kunnen veroorzaken. Door de screening worden ook een heel aantal kleine letsels ontdekt en behandeld die nooit tot een dodelijke kanker zouden doorgegroeid zijn. Ook dit leidt tot onnodige ongerustheid en overbodige en schadelijke medische ingrepen, zoals borstamputaties en bestralingen bij tientallen vrouwen.

De bedoeling van borstkankerscreening is om beginnende kankers vroegtijdig te ontdekken en te behandelen, nog voor ze symptomen geven. Zo hoopt men niet alleen het aantal sterfgevallen door borstkanker te verminderen, maar ook de nodige behandeling van de opgespoorde kankers minder zwaar te maken. Het onderzoek richt zich dus per definitie tot alle gezonde vrouwen, zonder symptomen, van een bepaalde leeftijd. Nu gebeurt dat in België in de leeftijdsgroep tussen 50 en 69 jaar. Heeft het zin om dit reeds vanaf 40 jaar te doen, of wegen de mogelijke voordelen niet op tegen de risico’s in deze leeftijdsgroep? Zeker bij vrouwen die geen verhoogd risico op borstkanker in de familie hebben? Dit is de vraag waarover het KCE zich heeft gebogen, op verzoek van het RIZIV (Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering).

 

Sterfterisico door borstkanker is al vrij laag, screening zou jaarlijks ongeveer 24 levens redden
België telt bijna 800.000 vrouwen tussen 40 en 49 jaar oud. Jaarlijks wordt er bij 1600 (0,2%)van hen borstkanker vastgesteld. Van die 1600 zullen er 160 (10%) ook effectief aan de ziekte overlijden. Het risico om van borstkanker te sterven blijft voor deze leeftijdsgroep dus toch vrij laag, en dit risico is de laatste jaren steeds lager geworden.

Op basis van de wetenschappelijke literatuur en de ruwe gegevens die in België beschikbaar zijn, schatten de onderzoekers dat door borstkankerscreening uit te breiden naar de veertigers jaarlijks ongeveer 24 (tussen de 8 en de 48) levens zouden kunnen worden gered. Om dit resultaat te bereiken zouden wel alle 800.000 vrouwen uit die leeftijdsgroep moeten uitgenodigd worden. De ervaring leert dat uiteindelijk bij zowat 360.000 van hen effectief een mammografie zal worden uitgevoerd. Dit zal leiden tot meer dan 16.000 biopsies (verwijdering van stukje borstweefsel voor onderzoek), gevolgd door tussen de 160 en de 800 volledige of gedeeltelijke borstamputaties (mastectomie).

 

Nadelen

De nadelen zijn:
- Sterfte en kanker door straling bij mammografie
- Overdiagnose en overbehandeling
- Problemen bij de interpretatie van de mammografie

Anderzijds is er ook een klein risico op een ‘vals negatief’ resultaat. Daardoor zouden vrouwen, ten onrechte gerustgesteld, een medische consultatie kunnen uitstellen op het moment dat er symptomen (bvb een voelbaar knobbeltje) zijn.


Conclusie

Screening niet aanbevolen, vrouwen goed informeren over mammografie
Door de vrij beperkte voordelen en het aanzienlijke risico op negatieve effecten beveelt het KCE de opsporing van borstkanker bij veertigers zonder symptomen of verhoogd risico niet aan.

In Codex Medicus: Mammografie


Bron: Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE)

Nieuw registratiesysteem opent ‘black box’ van dwarslaesierevalidatie


Utrecht, 8 juli 2010 - Het proefschrift van Van Langeveld beschrijft de ontwikkeling en toepassing van een betrouwbaar registratiesysteem van paramedische revalidatietherapie gericht op mobiliteit en zelfverzorging bij patiënten met een dwarslaesie. In vergelijking met andere landen is in Nederland de opnameduur voor mensen met een dwarslaesie in gespecialiseerde revalidatiecentra lang. Therapieprogramma's kunnen inhoudelijk niet worden vergeleken omdat een betrouwbaar registratiesysteem ontbreekt. Dit was de directe aanleiding voor het ontwikkelen van een registratiesysteem voor paramedische dwarslaesie behandelingen, het Spinal Cord Injury Interventions Classification System (SCI-ICS). Het is het eerste Nederlandse registratiesysteem voor revalidatie in het algemeen en is het eerste registratiesysteem voor dwarslaesierevalidatie wereldwijd.


Van Langeveld onderzocht de therapie in vijf gespecialiseerde revalidatiecentra in 3 drie landen: Nederland (3), Noorwegen en Australië. Het blijkt dat de therapie in de Nederlandse centra niet veel van elkaar verschilt, maar dat er wel duidelijke verschillen zijn tussen landen. Zo wordt er in Nederland meer sport gegeven. Het aantal uren therapie per week is daarentegen in Nederland lager dan in Noorwegen en Australië. Met het SCI-ICS is het mogelijk geworden om de inhoud van therapie voor mensen met een dwarslaesie vast te leggen. Deze informatie kan worden gekoppeld aan behaalde resultaten.


In Codex Medicus: Dwarslaesie


Bron: Universiteit Utrecht

Eerste stap naar nieuwe therapie voor de behandeling van chronische darmziekten

Gent (B), 6 juli 2010 - Wetenschappers verbonden aan VIB (Vlaams Instituut voor Biotechnologie) en de Universiteit Gent tonen aan dat het eiwit A20 een belangrijke beschermende functie uitoefent bij ziekten die gepaard gaan met chronische darmontsteking. Dit maakt A20 tot een veelbelovend therapeutische doelwit en opent de weg naar een nieuwe ontstekingsremmer.


Chronische darmontsteking
Een ontsteking is een normale beschermingsreactie tegen weefselschade en infecties. Deze afweerreactie is heel specifiek en is pas mogelijk na een hele reeks van signalen. Soms loopt er echter iets fout in de keten van reacties waardoor het ontstekingsproces uit de hand loopt of zelfs ongewenste reacties worden opgewekt tegen lichaamseigen stoffen. De ziekte van Crohn en Colitis Ulcerosa zijn beide chronische ontstekingsaandoeningen van het maag-darmkanaal. Het op hol geslagen immuunsysteem intomen is dé voor de hand liggende behandeling van dit soort ziektes. En hiervoor is een grondige kennis van het hele proces onontbeerlijk.


TNF, NF-κB en A20
Het eiwit NF-κB speelt een kritische rol in een ontstekingsreactie en wordt o.a. geactiveerd door TNF dat door witte bloedcellen wordt aangemaakt en als een soort boodschappermolecule tussen verschillende celtypes fungeert. Dit leidt o.a. in de cel tot de productie van A20, een eiwit dat de NF-κB activering terug afzet en tevens het afsterven van cellen kan verhinderen.


A20, nieuw therapeutisch doelwit
Om de fysiologische rol van het eiwit A20 te achterhalen onderzochten Lars Vereecke en collega's onder leiding van Geert van Loo en Rudi Beyaert muizen waarvan de darmepitheelcellen (cellen die de darmwand bekleden) het eiwit A20 niet kunnen aanmaken. Uit hun experimenten blijkt dat de darmepitheelcellen van deze muizen zeer gevoelig zijn voor TNF-geïnduceerde celdood waardoor ze veel sneller chronische darminflammatie ontwikkelen. Afbraak van het darmepitheel geeft de kans aan bacteriën om binnen te dringen in het darmweefsel met een systemische ontstekingreactie tot gevolg.


In normale of gezonde toestand is de rol van het eiwit A20 eerder beperkt. A20 speelt vooral een beschermende rol in condities zoals darmbeschadiging of -ontsteking. Deze studie bevestigt ook de resultaten van een genoom-wijde analyse bij een groot aantal patiënten waaruit bleek dat defecten in A20 een rol kunnen spelen bij de ontwikkeling van de ziekte van Crohn. Het eiwit A20 blijkt dus een interessant doelwit voor de ontwikkeling van nieuwe therapieën voor chronische darmontsteking.


In Codex Medicus: Ziekte van Crohn


In Codex Medicus: Colitis ulcerosa


Bron: Vlaams Instituut voor Biotechnologie

Automatische analyse van 3D-echobeelden van kinderhart


Nijmegen, 2 juli 2010 - Voor het stellen van een goede diagnose bij kinderen met een hartafwijking is echografie heel belangrijk. Met de komst van de driedimensionale echografie is het mogelijk geworden om de exacte vorm van het hart nog beter vast te stellen. Bij hartafwijkingen kan dit grote meerwaarde hebben.

Maartje Nillesen heeft een echografische methode ontwikkeld waarmee de vorm van de hartkamers automatisch en zelfs in 3D kan worden bepaald. Deze automatische analyse is bij 3D-echografie zeer gewenst, omdat handmatige analyse arbeidsintensief en weinig objectief is. Om de toepasbaarheid te vergroten, maakt deze nieuwe methode geen gebruik van specifieke voorkennis over de vorm van het hart.

Eén van de problemen bij de automatische analyse van echobeelden is dat het helderheidscontrast tussen bloed en hartspier laag kan zijn. Onderzoek heeft aangetoond dat het verschil in bewegingssnelheid tussen bloed (snel) en hartspier (relatief langzaam) met succes gebruikt kan worden om dit contrast te vergroten.

 

Nilessen promoveert maandag a.s. op haar onderzoek.

 

In Codex Medicus: Echografie

Bron: Radboud Universiteit Nijmegen

Vlaamse en Engelse onderzoekers storten zich op gentherape bij zenuwziekte ALS

Leuven en Oxford (UK), 1 juli 2010 - VIB (Vlaams Instituut voor Biotechnologie), K.U.Leuven en Oxford Biomedica (LSE: OXB) kondigen een samenwerking aan om gentherapie in te zetten voor de behandeling van de zenuwziekte ALS (Amyotrofe Laterale Sclerose). Bedoeling is om een extra gen in te brengen dat zorgt voor de aanmaak van de beschermende factor VEGF. Die aanpak zal nu in een preklinische fase worden geëvalueerd bij proefdieren. De samenwerking tussen Oxford Biomedica en de onderzoeksgroep van Peter Carmeliet van het VIB Vesalius Onderzoekscentrum (K.U.Leuven) wordt mogelijk gemaakt dankzij een beurs van 310.000 euro van de UK Motor Neurone Disease Association (MNDA).


Ongeneeslijke en verlammende aandoening
ALS is een ongeneeslijke verlammende aandoening. Bij patiënten treedt er aftakeling op van de zenuwbanen die naar de spieren lopen. Daardoor verliezen ze de controle over hun spieren en geraken ze volledig verlamd, terwijl ze blijven beschikken over hun mentale vermogens. In België lijden ongeveer 800 à 1.000 mensen aan de ziekte. Jaarlijks overlijden er meer dan 200 patiënten en komen er minstens evenveel bij. Er is op dit ogenblik geen behandeling voorhanden. Gentherapie heeft potentieel om uit te groeien tot een nieuwe aanpak van deze slopende ziekte.


Nieuwe genen voor de aanmaak van beschermende factor
Het onderzoek bouwt verder op de ontdekking van Carmeliet dat een tekort aan een bepaald eiwit (VEGF) symptomen van ALS veroorzaakt bij muizen. Door een gen toe te voegen dat extra VEGF aanmaakt, hopen de onderzoekers de start en de ontwikkeling van de ziekte af te remmen en de levensverwachting te verlengen. Om het nieuwe gen in te brengen maken de onderzoekers gebruik van de LentiVector®-technologie van Oxford Biomedica. Tijdens de experimenten zullen twee vormen van VEGF worden getest. Eerder onderzoek door VIB, K.U.Leuven en Oxford Biomedica, ook gefinancierd door MNDA, toonde aan deze aanpak in ALS-modelsystemen vruchten afwerpt. Met de nieuwe beurs kunnen de wetenschappers het preklinisch onderzoek verder zetten.

In Codex Medicus: Amyotrofische lateraalsclerose

Bron: Vlaams Instituut voor Biotechnologie

Nieuw medicijn vermindert speekselverlies bij Parkinson


Utrecht, 30 juni 2010 - Mensen met de ziekte van Parkinson kunnen baat hebben bij het nieuwe medicijn glycopyrronium. Het medicijn gaat de speekselproductie tegen en geeft geen bijwerkingen in de hersenen. Ziekenhuisapotheker Maurits Arbouw ontdekte de gunstige werking van het middel in zijn promotieonderzoek. Arbouw promoveerde gisteren aan de Universiteit Utrecht / UMC Utrecht.


Ongeveer driekwart van de patiënten met de ziekte van Parkinson heeft last van ongewenst speekselverlies. Dat kan ingrijpende sociale gevolgen hebben omdat mensen zich erg onzeker voelen en soms de deur niet meer uit durven. Medicijnen die de speekselproductie remmen geven vaak bijwerkingen in de hersenen, waardoor mensen concentratiestoornissen kunnen krijgen of verward worden.


Ziekenhuisapotheker Maurits Arbouw onderzocht het effect van het medicijn glycopyrronium bij mensen met de ziekte van Parkinson. Deze stof blokkeert de aanmaak van speeksel in de speekselklieren en vermindert zo ongewenst speekselverlies. Het middel heeft geen bijwerkingen in de hersenen omdat het de bloed-hersenbarrière niet passeert. De ziekenhuisapotheek van het Medisch Spectrum Twente heeft de drank ontwikkeld.


Arbouw gaf 23 Parkinsonpatiënten gedurende vier weken afwisselend drie maal daags een medicijndrank of een placebo. Alle deelnemers gebruikten één week het middel en één week de placebo. Op een negenpunts-schaal gaven patiënten elke dag aan hoeveel last ze van het speekselverlies hadden (een score van 1 betekent geen last, een score van 9 betekent extreem veel speekselverlies). Dankzij het middel verbeterde de score van gemiddeld 4,6 naar 3,8. Bij negen patiënten verbeterde de score dankzij het drankje meer dan dertig procent en bij sommigen was de speekselvloed zelfs geheel verdwenen.


"We zien een verbetering", verklaart Arbouw, "maar de mensen zijn natuurlijk niet af van hun klachten. Toch denk ik dat de kwaliteit van leven van Parkinsonpatiënten sterk kan verbeteren dankzij glycopyrronium. Wij hebben een lage dosis van het middel gebruikt, wellicht zou een hogere dosis een sterker effect hebben." Het is voor het eerst dat deze toepassing van het middel onderzocht is. Het medicijn kan door de apotheek worden bereid.


In Codex Medicus: Ziekte van Parkinson


Bron: Universiteit Utrecht

Genezing dwangstoornis geen lineair proces


Groningen, 29 juni 2010 - Mensen met een obsessief compulsieve stoornis hebben last van dwanggedachten (obsessies) en dwanghandelingen (compulsies). Disfunctionele gedachten leiden bij deze mensen tot handelingen die niet in verhouding staan tot waar ze bang of angstig voor zijn. De stoornis kan met cognitieve psychotherapie behandeld worden. Wel blijft maar liefst 50% van de behandelde mensen daarna nog symptomen van de ziekte vertonen. Onderzoekster Annemiek Polman ging daarom na wat de aard is van het proces van gedragsverandering tijdens de behandeling. Morgen promoveert zij op haar onderzoek.


Polman ontdekte dat het veranderingsproces door cognitieve therapie niet lineair en gradueel verloopt, zoals vaak aangenomen wordt. Zo leren patiënten in de huidige cognitieve therapie hun disfunctionele gedachten weliswaar te relativeren, maar vertaalt dit inzicht zich niet altijd naar veranderingen in angst en gedrag. Polman concludeert dat het behandelingsproces dynamisch is en dat er grote verschillen kunnen optreden per patiënt. Onderlinge verschillen tussen patiënten betekenen niet per definitie dat de therapie voor sommige patiënten niet geschikt is. Eigenlijk, vindt Polman, moeten patiënten met een dwangstoornis in twee groepen worden verdeeld: een groep mét en een groep zonder disfunctionele gedachten. Beide groepen hebben baat bij een ander soort therapie.


In Codex Medicus: Obsessief compulsieve stoornis


Bron: Rijksuniversiteit Groningen

Aantal patiënten met huidkanker in twintig jaar meer dan verdubbeld

Amsterdam, 24 juni 2010 - Tussen 1989 en 2008 is het aantal patiënten met huidkanker meer dan verdubbeld. In deze periode is het aantal nieuwe patiënten met huidkanker gestegen van ongeveer 4.000 naar 10.500. Daarmee is in Nederland huidkanker na slokdarmkanker de vorm van kanker die het meest is toegenomen. Dit blijkt uit cijfers van de Nederlandse Kankerregistratie. Het betreft hier de kwaadaardigste vormen van huidkanker, zoals melanomen.

Voor een deel wordt de toename van huidkanker veroorzaakt door de groei van het aantal ouderen, doordat ouderen de meeste kans hebben om huidkanker te krijgen. Mogelijk laten ook steeds meer ouderen verdachte afwijkingen verwijderen, waardoor meer gevallen van huidkanker bekend zijn. Dat steeds meer mensen in de zon komen, kan ook een reden zijn voor deze toename zorgen. Blootstelling aan zonlicht (onbeschermd en overmatig) is de belangrijkste risicofactor van huidkanker, vooral bij mensen met een lichte huid.

Behandelmogelijkheden
De meest voorkomende vorm van huidkanker is het basaalcelcarcinoom. Bevestigende cijfers ontbreken, maar naar schatting ontwikkelden 35.000 tot 40.000 mensen in 2008 een basaalcelcarcinoom. Andere veel voorkomende soorten huidkanker zijn plaveiselcelcarcinoom en melanoom. Voorbeelden van zeldzame vormen van huidkanker zijn adenocarcinoom en merkelcelcarcinoom.
Het is van belang om precies vast te stellen om wat voor soort huidkanker het gaat, omdat de ene soort veel agressiever is en eerder uitzaait dan de andere. Basaalcelcarcinoom en plaveiselcelcarcinoom zijn vrijwel nooit agressief. Hierbij kan worden volstaan met chirurgische verwijdering. Bij agressievere vormen van huidkanker (melanoom, zeldzame vormen van huidkanker) is vaak een aanvullende behandeling nodig, bijvoorbeeld een extra operatie, bestraling of chemotherapie.

Grootste toename bij vrouwen
Het aantal nieuwe gevallen van huidkanker bedroeg in 2008 bijna 12% van het totaal aantal nieuwe gevallen van kanker. De toename was het grootst bij vrouwen, met name vormen zoals borstkanker, longkanker, huidkanker en darmkanker. Bij mannen was de toename geringer dan bij vrouwen, omdat een toename van prostaatkanker, darmkanker en huidkanker deels werd gecompenseerd door een afname van longkanker. Toch komt er bij mannen nog steeds meer longkanker voor dan bij vrouwen. Met 4,8 gevallen per 1.000 mannen tegen 4,0 per 1.000 vrouwen is ook de totale kankerincidentie bij mannen nog steeds het hoogst.

In Codex Medicus: Carcinoom

Bron: artsenapotheker.nl
Rol enterovirusinfecties in ontstaan van type 1 diabetes

Nijmegen, 20 juni 2010 - Er wordt al enkele decennia vermoed dat enterovirusinfecties betrokken zijn bij het ontstaan van type 1 diabetes, een auto-immuunziekte. De stof interferon zou cellen beschermen tegen infectie.

Barbara Schulte deed onderzoek naar mogelijke mechanismen waarop enterovirussen betrokken zijn bij het ontstaan van type 1 diabetes. Er is gevonden dat dendritische cellen (DC’s), die zeer belangrijk zijn bij het aansturen van immuunresponsen, geïnfecteerd kunnen worden door sommige enterovirussen. Dit leidt tot verminderde functie van de DC’s en uiteindelijk gaat de cel dood. Echter, wanneer de DC interferon (een stofje dat virusinfecties remt) maakt, is de cel beschermd tegen de infectie.

Een andere vinding is dat geïnfecteerde β-cellen uit de alvleesklier allerlei stofjes (cytokines) maken die cellen van het immuunsysteem aantrekken, waaronder ook de DC’s. De geïnfecteerde β-cellen kunnen worden opgegeten door DC’s, die hierna interferonen gaan maken. Deze interferonen beïnvloeden het immuunsysteem, wat zou kunnen bijdragen aan het ontstaan van auto-immuniteit.

Barbara Schulte promoveert a.s. woensdag.

In Codex Medicus: Enterovirusinfectie

Bron: Radboud Universiteit Nijmegen
Tweede vaccinatie nodig meningokokken C
Utrecht, 17 juni 2010 - Voor de beste bescherming tegen meningokokken C zouden kinderen een tweede vaccinatie moeten krijgen. Dat concludeert Richarda de Voer van het RIVM. Zij promoveert donderdag 17 juni aan het UMC Utrecht.

Een van de veroorzakers van nekkramp, de meningokokken C-bacterie, komt nauwelijks meer voor in Nederland dankzij opname van het meningokokken C-vaccin in het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) en een gelijktijdige grootschalige vaccinatiecampagne in 2002. Kinderen en jongeren vanaf 1 tot 18 jaar zijn toen allemaal gevaccineerd. Omdat de bacterie sindsdien praktisch niet meer voorkomt in Nederland zijn ook ongevaccineerde mensen beschermd.

In het RVP krijgen kinderen nu alleen op de leeftijd van 14 maanden een prik tegen meningokokken. In haar proefschrift concludeert Richarda de Voer dat deze vaccinatie op lange termijn onvoldoende kan worden om mensen ook tijdens en na de puberteit te beschermen. De Voer heeft haar onderzoek uitgevoerd bij het RIVM in Bilthoven in samenwerking met het UMC Utrecht.

De Voer analyseerde de bescherming van het vaccin door de hoeveelheid antistoffen tegen meningokokken in het bloed te meten. Het blijkt dat een vaccinatie bij een jonge peuter op 14 maanden een goede afweer opwekt, maar dat de beschermende antistoffen al na een paar jaar sterk zijn afgenomen. Het betekent dat de kinderen op latere leeftijd minder goed beschermd zullen zijn, terwijl de bacterie behalve jonge kinderen juist ook adolescenten treft. De Voer beschrijft ook dat gevaccineerde adolescenten vijf jaar na de inenting nog wel steeds beschikken over antistoffen. Op basis van deze resultaten adviseert De Voer om kinderen vlak voor hun adolescentie, rond een leeftijd van twaalf jaar, een tweede meningokokken C-vaccinatie aan te bieden.

Prof. dr. Lieke Sanders, hoogleraar Kinderimmunologie van het UMC Utrecht, was een van de begeleiders van het onderzoek. "Deze tweede vaccinatie biedt waarschijnlijk niet alleen bescherming voor de gevaccineerde adolescenten, maar zal ook helpen om nieuwe circulatie van de bacterie in de bevolking tegen te houden. De meningokok circuleert immers vooral voor onder adolescenten. Zo zouden we de bacterie beter buiten de deur kunnen houden."

Nekkramp en bloedvergiftiging, ook wel bekend als meningitis (hersenvliesontsteking) of sepsis of septische shock, kunnen worden veroorzaakt door de bacterie Neisseria meningitidis ofwel meningokokken. Hiervan zijn verschillende typen (serogroepen) bekend. Serogroep B, waartegen geen vaccin bestaat, komt het meeste voor. Eind jaren negentig was er een piek in ziekte door meningokokken C. Het vaccin daartegen is daarom in 2002 opgenomen in het Rijksvaccinatieprogramma op de leeftijd van 14 maanden. Om ook snel alle kwetsbare groepen te beschermen, zijn niet alleen jonge kinderen op 14 maanden gevaccineerd, maar alle kinderen, adolescenten en jong volwassenen tot en met 18 jaar.

In Codex Medicus: Vaccinaties

Bron: UMC
Nieuwe marker voor borstkanker ontdekt

Gent (B), 16 juni 2010 - Een multidisciplinair onderzoeksteam van de Universiteit Gent, het National Human Genome Research Institute (VS), het Imperial College London (Groot-Brittannië) en INSERM (Frankrijk) heeft een eiwit ontdekt dat een belangrijke factor is voor de mate waarin borsttumoren kwaadaardig zijn. De ontdekking biedt perspectieven voor nieuwe behandelingen en correctere diagnoses. De resultaten van het onderzoek worden vandaag gepubliceerd in het gezaghebbende tijdschrift Journal of the National Cancer Institute.


Rab-eiwitten coördineren het eiwitverkeer in de cel. Onderzoek naar de biologische functie van Rab27B, een regulator van het uitgaande eiwitverkeer, toonde aan dat deze molecule de groei en invasie stimuleert van hormoonpositieve borstkankercellen. Een hoge Rab27B-expressie in hormoonpositieve tumoren hangt samen met uitzaaiingen in de lymfeklieren en met de tumorgraad.


Sommige vrouwen die het bewuste eiwit aanmaken zijn veel gevoeliger voor de kwaadaardigheid van borsttumoren dan anderen. De conclusies van het onderzoek kunnen belangrijke gevolgen hebben voor de behandeling van tumoren. De nieuwe kennis kan leiden tot betere medicatie om kankercellen onder controle te houden.


Borstkanker is wereldwijd de meest voorkomende kanker. In België worden jaarlijks ongeveer 9.000 diagnoses gesteld. De ernst van de ziekte wordt bepaald door infiltratieve tumorgroei en uizaaiingen in andere weefsels.


In Codex Medicus: Mammacarcinoom


Bron: Universiteit Gent

Psychoanalyse biedt waar voor je geld

Amsterdam, 15 juni 2010 - Langdurige psychoanalytische behandelingen liggen in Nederland erg onder vuur. Naar het nut van de behandelingen is de laatste decennia relatief weinig wetenschappelijk onderzoek gedaan en ook de zorgverzekeraars hebben de vergoeding voor psychoanalyse uit het basispakket gehaald. Onterecht, zo blijkt uit promotieonderzoek van psycholoog Caspar Berghout voor VU medisch centrum. De resultaten uit zijn onderzoek naar de effectiviteit van langdurige psychoanalytische behandelingen spreken voor zichzelf. De symptomen en klachten van patiënten nemen na een langdurige psychoanalytische behandeling sterk af. Ook wat betreft persoonlijkheidsproblematiek, indirecte kostenbesparingen en maatschappelijke impact zijn de resultaten positief.

Berghout vond dat de symptomen en klachten van patiënten enorm afnamen. Bijvoorbeeld voor depressieve klachten, hier had bij aanvang van de therapie ongeveer 70% van de patiënten erg veel last van. Na de therapie was dit slechts 13%. De therapie liet ook blijvende resultaten zien in de persoonlijkheidspathologie. Hierbij gaat het om persoonskenmerken en problemen die al langer spelen, op meerdere levensgebieden, bijvoorbeeld in het werk, in een relatie en met familie. De meeste onderzoeken kijken alleen naar klacht- en symptoomreductie, terwijl juist de veranderingen op persoonlijkheidsgebied structurele verandering brengen.

Ten slotte waren er ook positieve resultaten als het gaat om kosten en maatschappelijke impact. Er bleek een significantie verbetering te zien als het gaat om zorgconsumptie. Patiënten bezochten na de therapie 50% minder de huis- en bedrijfsarts. Ook daalde het ziekteverzuim aanzienlijk en steeg de arbeidsproductiviteit van de patiënten.

Hoewel de psychoanalytische behandelingen in aanvang relatief duur blijken, zijn ze meer dan bewezen effectief en leveren ze een aanzienlijke bijdrage aan de kwaliteit van leven voor de patiënt. De aanvankelijk hoge kosten van psychoanalytische behandelingen betalen zichzelf uiteindelijk ook nog eens deels terug door de afname van de maatschappelijke kosten.

In Codex Medicus: Psychoanalyse

Bron: VU medisch centrum
Gepubliceerd: nieuwe Multidisciplinaire Richtlijn Hartfalen 2010


Utrecht, 14 juni 2010 - Het NHG heeft samen met onder andere de Nederlandse Vereniging voor Cardiologie (NVVC) en de Nederlandsche Internisten Vereniging (NIV) een multidisciplinaire richtlijn Hartfalen ontwikkeld. Inmiddels is deze richtlijn geautoriseerd door alle bovengenoemde wetenschappelijke verenigingen. Het document bevat medisch inhoudelijke richtlijnen voor diagnostiek en behandeling van zowel chronisch als acuut hartfalen  en besteedt veel aandacht aan hoe deze te implementeren in de zorgketen. Er is nu dus één richtlijn Hartfalen voor zowel specialisten als huisartsen.

De voor de huisarts relevante delen van de MDR zijn verwerkt tot een herziene NHG-Standaard die in juli in Huisarts en Wetenschap verschijnt. Naar aanleiding van deze Standaard en de MDR verschijnt begin juli een PIN in boekvorm en een webcast.  Voor de webcast vraagt het NHG om reactie op stellingen over de rol van de huisarts bij patiënten met hartfalen.

De MDR is voor huisartsen nu reeds in te zien op de website van het NHG.

In Codex Medicus: Decompensatio cordis

 

Bron: NHG

Belemmeren bacteriën een nieuwe heup?


Utrecht, 11 juni 2010 - Tien procent van de heupprotheses moet binnen tien jaar vervangen worden. Misschien spelen tot nu toe onzichtbare bacteriële infecties daarbij een rol. Dirk Jan Moojen ontwikkelde tijdens zijn promotieonderzoek een nieuwe, zeer gevoelige moleculair-biologische techniek om DNA van bacteriën - een bewijs voor infecties - aan te tonen. Hij analyseerde hiermee 176 patiënten uit zeven Nederlandse ziekenhuizen waarbij de heupprothese vervangen moest worden zonder dat ze verdacht waren voor een infectie.


Moojen laat zien dat er in 4 tot 13 procent van de gevallen toch sprake was van een bacteriële infectie. Op den duur zou zo’n infectie ervoor kunnen zorgen dat de nieuwe heup loslaat. In het verlengde hiervan onderzocht Moojen verschillende manieren om bacteriële infecties te voorkomen en te behandelen.

In Codex Medicus: Gewrichtsprothese

Bron: Universiteit Utrecht

Klinische aspecten van uterusembolisatie


Amsterdam, 10 juni 2010 - Uterusembolisatie (UE) is een relatief nieuwe behandelmethode voor vleesbomen. Deze methode is effectief en veilig en een goed alternatief voor baarmoederverwijdering. De resultaten van de behandeling op langere termijn zijn goed. Ongeveer een kwart van de behandelde vrouwen moet echter aanvullende embolisatie of baarmoederverwijdering ondergaan. Voorspellende factoren daarvoor zijn het uitblijven van verbetering na één jaar en een beperkte afname van het volume van de vleesboom na UE. Een grote vleesboom of de aanwezigheid van een spiraaltje waren contra-indicatoren voor de ingreep. Er is nog onduidelijkheid over het behoud van vruchtbaarheid na UE.


Onderzoeker Albert Smeets promoveert 30 juniop zijn onderzoek naar uterusembolisatie.

In Codex Medicus: Myoom van de uterus

In Codex Medicus: Uterusembolisatie

Bron: AMC

Geblokkeerde ritssluiting veroorzaakt schisis

Nijmegen, 9 juni 2010 - Onderzoekers van het UMC St Radboud hebben ontdekt hoe schisis ontstaat. Normaal gesproken groeien tijdens de ontwikkeling van het embryo de linker- en rechterhelft van gehemelte en lip aan elkaar vast, alsof een rits wordt dichtgetrokken. Maar wanneer twee belangrijke genen niet goed samenwerken, wordt die rits geblokkeerd door een dun laagje cellen en ontstaat een hazenlip. De ontdekking, die wordt gezien als een belangrijke doorbraak in het schisisonderzoek, is online gepubliceerd in het Journal of Clinical Investigation.

Jaarlijks worden in Nederland 400 kinderen geboren met schisis, een spleet of groef in bovenlip (hazenlip), kaak of gehemelte. Een hazenlip ontstaat door een foutje tijdens de ontwikkeling van het embryo in de baarmoeder, waardoor lip, kaak en gehemelte niet aan elkaar groeien. Vrijwel altijd zijn meerdere operaties nodig om te proberen de opening te sluiten. Hoe schisis precies ontstaat was tot dusver echter niet duidelijk.

Regisserende genen
Onderzoekers Huiqing Zhou en Hans van Bokhoven van het UMC St Radboud beschrijven voor het eerst hoe zo’n hazenlip ontstaat. Van Bokhoven: "We kennen al een tijdje enkele genen, zoals IRF6 en p63, die een rol spelen bij het ontstaan van schisis bij de mens. Maar we hadden geen goed diermodel om de aandoening verder te onderzoeken, omdat mutaties in die genen bij de muis níet tot schisis leiden. Dat veranderde toen we in samenwerking met een Britse onderzoeksgroep onder leiding van Jill Dixon muizen in handen kregen met mutaties in beide genen. Deze muizen ontwikkelden wél schisis."

Dankzij dit nieuwe muizenmodel konden de wetenschappers de ontwikkeling van een hazenlip op de voet volgen.

In de vroege ontwikkeling van het embryo - zowel bij de muis als de mens - groeien lip, kaak en gehemelte vanuit de beide lichaamshelften naar elkaar toe. Daarvoor moeten allerlei moleculaire en cellulaire processen op elkaar worden afgestemd. Veel van die processen staan onder centrale regie van de genen IRF6 en p63. Van Bokhoven: "Een essentiële stap naar de vergroeiing van de beide helften is de ‘sloop’ van een huidlaagje dat maar één cellaag dik is. Wordt dat laagje niet op tijd afgebroken, dan groeien de beide helften niet aan elkaar, dan kan de ritssluiting niet worden dichtgetrokken. Met schisis tot gevolg."

In Codex Medicus: Lip-, kaak- en gehemeltespleten
 
Bron: UMC St Radboud
Coeliakie-genen boden eeuwenlang bescherming tegen infecties

Groningen, 8 juni 2010 - Drie genen die tegenwoordig geassocieerd zijn met de allergieziekte coeliakie, blijken de mensheid van oudsher bescherming te hebben geboden tegen bepaalde bacteriële infecties. Dit blijkt uit een grote internationale studie onder leiding van hoogleraar Genetica Cisca Wijmenga van RUG/UMCG, die zij samen met het UMC Utrecht en het UMC St Radboud uitvoerde. Zij publiceert hierover in het gisteren verschenen gerenommeerde wetenschappelijke magazine American Journal of Human Genetics.

Coeliakie is een auto-immuunziekte en komt bij ongeveer één tot twee procent van de Westerse bevolking voor. Op dit moment zijn er al veertig gen-varianten bekend die zijn betrokken bij het ontstaan van coeliakie. Deze varianten komen wijd verspreid voor.

Tot nu toe is nog niet duidelijk waarom deze geassocieerde genen zo overheersend zijn, te meer daar coeliakie in het verleden een negatieve invloed moet hebben gehad op de overleving van het individu. Coeliakie kan pas sinds de jaren ’50 behandeld worden met een gluten-vrij dieet. Daarvoor leidde de ziekte vaak tot verminderde vruchtbaarheid en tot vroegtijdig overlijden.

Evolutionair gezien is het daarom opmerkelijk, dat de gen-varianten geassocieerd met coeliakie zich zo wijd hebben kunnen verspreiden in de populatie. De aanleiding voor deze studie vormde de gedachte dat de genen die nu geassocieerd zijn met coeliakie, in de evolutie van de mens wellicht een positieve rol moeten hebben gespeeld.

Wijmenga onderzocht van tien genen die geassocieerd zijn met coeliakie, of zij mensen wellicht een evolutionair voordeel hebben gegeven. Zij deed dit door te kijken of bepaalde gen-varianten een evolutionaire voetafdruk in ons DNA hebben achtergelaten. De centrale vraag in haar onderzoek was of deze gen-varianten vaker voorkomen dan je op grond van hun historie kan verwachten.

Inderdaad bleek dit het geval te zijn voor drie van de tien gen-varianten, te weten SH2B3, IL18RAP, IL12A. Deze genen leverden dus waarschijnlijk een overlevingsvoordeel op. Met name van het gen SH2B3 heeft het onderzoek aangetoond dat mensen die dit risico-gen voor coeliakie dragen, beter beschermd zijn tegen bacteriële infecties.

Dit evolutionaire voordeel deed zich voor in het tijdvak tussen 1200 en 1700 jaar geleden. ‘We weten helaas niet zeker tegen welke infecties het gen SH2B3 bescherming bood. Dit zou tbc geweest kunnen zijn, maar ook de pest is mogelijk’, aldus Wijmenga. ‘Het curieuze feit doet zich voor dat de mensheid deze infecties dus heeft kunnen overleven door de aanwezigheid van bepaalde gen-varianten. De prijs die we daar nu voor moeten betalen is het ontstaan van auto-immuunziekten als coeliakie.’

In Codex Medicus:  Glutenenteropathie

Bron: Rijksuniversiteit Groningen
Vroege onderkenning van autisme bepleit

Nijmegen, 7 juni 2010 - Speciaal geschoolde deskundigen, bijvoorbeeld medewerkers van consultatiebureaus, kunnen al bij tweejarige of nog jongere kinderen signalen van autisme herkennen. Gezondheidszorgpsycholoog Iris Servatius-Oosterling, werkzaam bij Karakter Kinder- en Jeugdpsychiatrie Universitair Centrum, een samenwerkingsverband van het UMC St Radboud, pleit in haar proefschrift voor scholing op het gebied van vroege herkenning van autisme voor bepaalde groepen professionals. Servatius-Oosterling promoveert op 14 juni.

Alarmsignalen
Een autismespectrum-stoornis wordt in Nederland vaak pas vastgesteld rond de leeftijd van 4 à 5 jaar of nog later. De ouders van het kind zijn dan meestal al de nodige opvoedingsproblemen tegengekomen en met een opeenstapeling van onbegrip, stress en andere moeilijkheden geconfronteerd. Het is in veel gevallen echter goed mogelijk om autisme al vóór de leeftijd van 36 maanden te herkennen, zo stelt Servatius-Oosterling. Vroege herkenning verloopt in twee stappen, via een zogenoemd vroeg-detectieprogramma. De eerste stap is een grove screening aan de hand van acht alarmsignalen, bijvoorbeeld nog geen losse woordjes zeggen met achttien maanden of niet reageren op aangesproken worden bij twaalf maanden. Als het kind gedrag vertoont dat overeenkomt met één van de alarmsignalen, is een aanvullende screening met een speciale vragenlijst nodig. Deze tweede stap kan bijvoorbeeld plaatsvinden op het consultatiebureau of bij een centrum voor integrale vroeghulp. Als ook deze aanvullende screening positief is, moet een kind worden doorverwezen naar een kinderpsychiatrisch centrum om definitief uitsluitsel te krijgen.

Klinische blik
Essentieel voor vroege herkenning is, dat artsen of andere medewerkers van bijvoorbeeld consultatiebureaus de acht alarmsignalen kennen en dat zij geschoold zijn in het afnemen van de speciale vragenlijst. Daarnaast moeten zij leren een ‘klinische blik’ te ontwikkelen voor het herkennen van signalen.

In Codex Medicus: Autisme

In Codex Medicus: Autistische stoornis

Bron: UMC St Radboud
Langetermijn gevolgen onderzocht van acromegalie

Leiden, 4 juni 2010 - Promovenda M.J.E. Wassenaar onderzocht de langetermijn gevolgen van langdurig gecureerde of biochemisch gecontroleerde acromegalie. De studies beschreven in dit proefschrift richten zich op gewrichtsklachten, botdichtheid, vertebrale fracturen, darmafwijkingen en kwaliteit van leven. Daarnaast heeft het onderzoeksteam zich gericht op het verschil in genotype-fenotype relaties welke tot expressie komen bij de verschillende varianten van het groeihormoon receptor polymorfisme (d3GHR). Om het effect van het d3GHR polymorfisme op de lange-termijn gevolgen van acromegalie te begrijpen hebben zij een meta-analyse gedaan naar de effecten van dit polymorfisme op spontane en gestimuleerde groei bij al dan en niet GH deficiënte kinderen.
Alle patiënten die meededen aan de studies waren langdurig genezen van hun acromegalie. Daarnaast werden al deze patiënten gevolgd in het Leids Universitair Medisch Centrum.

Acromegalie kan goed behandeld worden met (een combinatie van) chirurgie, radiotherapie en/of medicijnen. Dit resulteert in de meeste gevallen tot stabiele of genezen ziekte, kortweg ‘genezen ziekte’. Desondanks ervaart een groot deel van de patiënten een sterk verminderde kwaliteit van leven. Het proefschrift richt zich op de verschillende klinische aspecten van de ziekte na langdurige genezing.

In Codex Medicus: Acromegalie

Bron: LUMC
Gratis screening op voorkamerfibrillatie in België

Brussel, 3 juni 2010 - Voorkamerfibrillatie (VKF) is de meest voorkomende hartritmestoornis waarbij het hart op hol slaat. Gelukkig kan dit probleem tijdig worden vastgesteld en zijn er goede behandelingen beschikbaar. Want zonder de juiste behandeling wordt de kans op een beroerte vijf maal groter.

Wist u dat voorkamerfibrillatie de meest voorkomende hartritmestoornis is? Vanaf 40 jaar hebt u 1 kans op 4 om ooit voorkamerfibrillatie te krijgen. Één derde van de mensen met voorkamerfibrillatie heeft echter géén klachten waardoor het probleem vaak onopgemerkt blijft. Toch ligt bij voorkamerfibrillatie de kans op een beroerte of herseninfarct gemiddeld vijfmaal hoger dan normaal indien geen behandeling wordt gestart.

Gratis screening in Belgische regio's
Om de problematiek van voorkamerfibrillatie extra onder de aandacht te brengen en mensen bewust te maken van het belang van een tijdige diagnose, organiseren de Belgische cardiologen van 7 tot 11 juni de Week van het Hartritme.

In Codex Medicus: Boezemfibrilleren

Bron: Mijn Hartritme
Verband tussen structurele afwijking en ontsteking van kleine luchtwegen bij astma

Brussel, 2 juni 2010 - Onderzoekers van de Vrije Universiteit Brussel zijn erin geslaagd om bij astmapatiënten een verband te vinden tussen de structurele afwijking van de kleine luchtwegen en de lokale ontsteking van die luchtwegen, beide gemeten met niet-invasieve diagnosetechnieken. Dit publiceerden ze in het gezaghebbende Amerikaanse Journal of Allergy and Clincal Immunology.

Om te bepalen waar de aërosolmedicatie bij astmapatiënten precies heen moet in de long, is het van cruciaal belang te weten hoe diep de aangetaste luchtwegen zich in de long bevinden. En nog belangrijker is te bepalen waaraan de structurele afwijking te wijten is zodat het juiste type medicatie (bv. ontstekingsremmers) kan worden ingezet. Zo stelden onderzoekers vooral bij patiënten met ernstig astma vast dat de perifere afwijking te wijten is aan ontsteking van die perifere luchtwegen. Deze patiënten zouden dus gebaat kunnen zijn bij een meer perifere depositie van ontstekingsremmers in kleinere partikelgroottes die dieper in de longen doordringen.

Onderzoekers van de afdeling Pneumologie van het UZ Brussel gebruikten voor hun onderzoek een mathematisch simulatiemodel van de longen dat de fysische wetten van convectie en diffusie beschrijft binnen zo’n complexe structuur. Daarmee trachten ze de perifere luchtwegen zo gedetailleerd mogelijk in kaart te brengen en een eventuele afwijkende longstructuur te detecteren. Een typische test bestaat erin de proefpersoon een gasmengsel met welbepaalde diffusiekarakteristieken te laten inademen. Bij uitademing zullen de gasconcentratietracés opgemeten aan de mond, specifiek afhankelijk zijn van eventuele longstructurele afwijkingen op verschillende dieptes in de longen, zoals voorspeld door het simulatiemodel. Voor de meting van de ontsteking op verschillende longdieptes wordt een analoog principe gehanteerd waarbij uitgeademde stikstofmonoxide (NO) bij uitademing wordt opgemeten, weliswaar in zeer lage concentraties (van de orde van een miljoenste van een promille). Stikstofmonoxide wordt lokaal geproduceerd ter hoogte van ontstoken luchtwegen als gevolg van een zogenaamde eosinofiele ontsteking, wat door inhalatiecorticosteroïden kan behandeld worden. Indien men deze NO-houdende lucht oneindig snel zou kunnen uitademen, zouden we aan de mond een beeld krijgen van de ontsteking diep in de longen. Dankzij de simulatiemodellen kan de NO gemeten aan de mond met verschillende ademhalingssnelheden, worden omgezet in gedifferentieerde longdieptes waar zich ontstekingen van de luchtwegen zich kunnen voordoen.

In Codex Medicus: Astma bronchiale

Bron: Vrije Universiteit Brussel
Onderzoekers bezig met vaccin ter preventie van borstkanker

Cleveland, 1 juni 2010 - Amerikaanse onderzoekers ontwikkelden een vaccin dat bij muizen de ontwikkeling van borstkanker voorkomt.

De wetenschappers hopen dat het vaccin in de toekomst ook bij mensen goede resultaten zal afwerpen. De Amerikanen, die hun bevindingen publiceerden in het blad Nature Medicine, waarschuwen overigens dat het vaccin eerst nog op mensen beproefd moet worden en dat het - als deze proeven succesvol zijn - nog wel een paar jaar kan duren eer het vaccin algemeen verkrijgbaar is.

Volgens de immunoloog die het onderzoek leidt, keert het vaccin zich tegen een eiwit dat aangetroffen wordt in de meeste borsttumoren. ,,Als het vaccin bij mensen net zo werkt als bij muizen, zal dit een kolossale prestatie zijn. Dan zouden we borstkanker kunnen uitschakelen'', aldus Vincent Tuohy, van het Cleveland Clinic Lerner Research Institute. ,,Wij geloven dat dit vaccin gebruikt zal worden om borstkanker bij volwassenvrouwen te voorkomen, zoals andere vaccins dat hebben gedaan met veel kinderziektes''.

In het onderzoek vaccineerden de Amerikanen muizen die in genetisch opzicht kwetsbaar waren voor kanker. De ene helft van de dieren kreeg een vaccin met alfa-lactalbumine en de andere helft met een vaccin zonder deze stof. Geen van de muizen uit te eerste groep ontwikkelde borstkanker, terwijl alle andere muizen dat juist wel deden.

De Britse kankeronderzoeker Robert Hawkins verklaarde tegenover de Britse omroep BBC: ,,Deze studie beschrijft een interessante benadering om borstkanker te voorkomen. Het zal nog verscheidene jaren duren eer dit vaccin volledig getest kan worden, om te kunnen beoordelen of de ontwikkeling van de ziekte bij vrouwen er veilig en effectief mee gestopt kan worden.''

In Codex Medicus: Mammacarcinoom

Bron: Cleveland Clinic Lerner Research Institute  
TNO onderzoek: onnodig vaak keizersnee bij stuitligging

Delft, 31 mei 2010 - Bij een kwart van de Nederlandse zwangere vrouwen waarbij aan het einde van de zwangerschap de baby in stuit ligt, wordt geen poging gedaan de baby uitwendig te draaien naar hoofdligging. Na een uitwendige draaiing van de baby door de verloskundige of gynaecoloog is de kans negen keer groter dat de baby in hoofdligging komt te liggen. De kans op een vaginale bevalling in plaats van een keizersnee werd hierdoor bijna drie keer hoger, namelijk 53 procent vergeleken met 20 procent als er niet geprobeerd was te draaien. Zowel zorgverleners als aanstaande ouders zijn onvoldoende bekend met de methode van het draaien en met de gezondheidswinst die het voor moeder en kind oplevert.

Ongeveer drie procent van de baby's ligt aan het eind van een zwangerschap in stuit. Vaak wordt dan een keizersnede uitgevoerd in plaats van een gewone vaginale bevalling. In de periode vanaf 2000 is het aantal keizersneden bij stuitliggingen van 50 procent naar 80 procent gestegen. Een keizersnede kan echter onnodige complicaties met zich meebrengen. Het uitwendig proberen te draaien van een baby van stuit- naar hoofdligging kan een keizersnede voorkomen. TNO heeft onderzocht hoe vaak dit draaien bij baby's met een stuitligging voorkomt, wat het succes van dit draaien van de baby is en hoe dit draaien van de baby door vrouwen wordt ervaren.

Gezondheidswinst voor moeder en kind
Bij een kwart van de Nederlandse zwangere vrouwen aan het einde van de zwangerschap met een baby in stuitligging wordt door verloskundigen of gynaecologen niet geprobeerd de baby uitwendig te draaien naar hoofdligging. In de periode vanaf 2000 is het aantal keizersneden bij stuitliggingen van 50  procent naar 80 procent gestegen. De methode van het draaien blijkt onvoldoende bekend net als de gezondheidswinst die het voor moeder en kind oplevert. Vrijwel alle vrouwen ervaren het draaien van de baby als positief hoewel een derde het wel pijnlijk vindt.
 
Draaien van stuit naar een hoofdligging veilig en effectief
Het draaien van kinderen in stuit naar een hoofdligging is veilig en effectief en wordt dan ook in de richtlijnen van gynaecologen en verloskundigen aanbevolen. Het uitwendig 'draaien' van een baby in stuitligging wordt zowel in het ziekenhuis als in de verloskundige praktijk gedaan.

Grote regionale verschillen

Er blijken grote regionale verschillen te zijn in het succesvol uitvoeren van deze handeling. Zo werd in het Noorden het draaien bij 54 procent van de stuitliggingen met succes toegepast en in het midden van het land bij 42 procent. In het Zuiden werd bij slechts 16 procent de baby succesvol uitwendig gedraaid. Oorzaken en achtergronden voor deze regionale verschillen zijn niet onderzocht. Op dit moment onderzoekt het AMC in samenwerking met TNO hoe de implementatie van uitwendig draaien in Nederland verbeterd kan worden waardoor eveneens de regionale verschillen zouden kunnen vervallen. De resultaten zijn gepubliceerd in het juninummer van het internationale toonaangevende verloskundigentijdschrift 'Birth'.

In Codex Medicus: Stuitligging

Bron: TNO
Darmkankercellen hechten zich gemakkelijker onder verhoogde druk

Groningen, 28 mei 2010 - Tijdens darmkankeroperaties kunnen tumorcellen losraken om zich vervolgens, via de buikholte of bloedbaan, op dezelfde plek of elders opnieuw te hechten. Patiënten die een operatie moeten ondergaan lopen hierdoor het risico dat de kanker terugkeert op dezelfde of op een andere plek. Tot voor kort was onduidelijk wat zich precies afspeelt in de losgeraakte tumorcel voordat deze zich hecht aan weefsel. Jochem van der Voort van Zijp onderzocht welke effecten loslatende tumorcellen hebben op de verplaatsing of terugkeer van darmkanker.

Van der Voort van Zijp ontdekte dat loszwevende tumorcellen gevoelig zijn voor de hogere druk waaraan ze blootgesteld worden nadat ze los zijn geraakt van de tumor. Door deze hogere druk worden er binnenin de cel bepaalde eiwitten geactiveerd die ervoor zorgen dat de cel zich kan binden met weefsels. De promovendus concludeert dat het toedienen van bepaalde eiwitremmers dit hechtingsproces kunnen tegengaan en zo mogelijk kunnen leiden tot minder uitzaaiingen van darmkanker. Voordat deze resultaten gebruikt kunnen worden bij de operatieve behandeling van darmkanker is echter nog meer experimenteel onderzoek nodig.

In Codex Medicus: Tumoren van colon en rectum

Bron: Rijksuniversiteit Groningen
Mondprothese ter behandeling van slaapapneu

Antwerpen, 27 mei 2010 - Het Universitair Ziekenhuis Antwerpen vraagt meer aandacht voor de multidisciplinaire aanpak van slaapapneu met een mondprothese. Deze behandeling biedt voor heel wat patiënten, die niet met een andere behandeling kunnen worden geholpen, een oplossing. Zo’n 130 KNO-artsen, tandartsen, orthodontisten en kaakchirurgen buigen zich samen over de problematiek. Meer dan de helft van de deelnemers komt uit Nederland.
 
300.000 Belgen lijden aan slaapapneu
Obstructief slaapapneu (OSA) is een ziekte waarbij de keelholte geheel of gedeeltelijk dichtklapt tijdens de slaap, waardoor zuurstoftekort ontstaat. De belangrijkste klachten zijn luid en storend snurken, overmatige slaperigheid overdag en concentratiestoornissen. Meer dan 300.000 Belgen hebben er last van. De laatste jaren worden steeds vaker MRA’s (mandibulaire repositie apparaten) gebruikt voor de behandeling. Dit is een mondprothese die vastklikt op de tanden en ervoor zorgt dat de onderkaak naar voor wordt geschoven. Hierdoor komt er meer ‘ademruimte’ vrij. De meerderheid van de patiënten met een ernstige vorm van slaapapneu wordt behandeld met een beademingsmasker (ook CPAP genaamd) dat voorkomt dat de luchtwegen tijdens de slaap toeklappen. Voor één op twee patiënten werkt deze techniek echter niet of niet voldoende. Voor hen is een MRA vaak een goede oplossing. Het UZA behandelt jaarlijks ca. 200 patiënten met deze tandheelkundig ondersteunde therapie.

Vooronderzoek zorgt voor efficiënte behandeling
Aan het UZA tracht men na de diagnose van slaapapnea, via volledige slaaponderzoek en via vooronderzoeken met een tijdelijke prothese, na te gaan of een MRA, dan wel een andere techniek de beste kans biedt op slagen. De patiënt wordt hierbij kort in een roes gebracht om een slaapendoscopie uit te kunnen voeren. Hierbij kijkt de KNO-arts met een endoscopische camera via de neus naar de luchtwegen om het effect van de prothese na te gaan. Zo wordt al snel duidelijk of een MRA-behandeling succesvol zou kunnen zijn. Bij 7 op de 10 patiënten die vervolgens met een MRA worden behandeld, is nadien een duidelijke verbetering te constateren.

Multidisciplinair team biedt grootste kans op slagen
De behandeling kan enkel slagen dankzij een nauwe samenwerking tussen KNO-artsen, tandartsen, orthodontisten en kaakchirurgen. De ‘1ste MRA cursus der Lage Landen’ wil dan ook KNO-artsen en tandheelkundigen samenbrengen om hen als multidisciplinair team te laten functioneren bij de aanpak van snurken en obstructief slaap apneu. Het is immers van cruciaal belang om deze problematiek multidisciplinair aan te pakken. Zo’n 130 KNO-artsen en tandheelkundige specialisten, waarvan 3 op 5 uit Nederland, zakken dan ook af naar Antwerpen. Prof. dr. Marc Braem en dr. Olivier Vanderveken: “Het is duidelijk dat er een grote behoefte bestaat aan een multidisciplinaire samenwerking bij deze specifieke behandeling. Daarom werd dan ook zorgvuldig het klinisch pad ‘UZA Klinisch Pad MRA’  uitgewerkt, zodat de patiënt altijd door een team van speciallisten wordt behandeld.”

In Codex Medicus: Slaapapnoesyndroom

Bron: Universitair Ziekenhuis Antwerpen
Arts volgt patiënt via internet


's-Gravenhage, 26 mei 2010 - Artsen, psychologen en andere hulpverleners maken gebruik van internet om de gangen van hun patiënten na te gaan. Ze willen zo bijvoorbeeld achterhalen of ze door die patiënt worden voorgelogen. Medisch ethici waarschuwen dat dit de vertrouwensband tussen arts en patiënt kan schaden. Artsen en therapeuten horen patiënten daarom alleen te 'googelen' als ze daar eerst toestemming voor hebben gevraagd, menen medisch ethici Maartje Schermer en co-auteur van de Codex Medicus Evert van Leeuwen.

In de Verenigde Staten hebben psychiaters openlijk toegegeven regelmatig op internet te zoeken naar informatie over hun patiënten. De patiënten wisten ondertussen van niets.

 

Geen richtlijnen
Volgens Schermer en Van Leeuwen is dit geen typisch Amerikaans fenomeen. Ook Nederlandse artsen en psychologen maken gebruik van het wereldwijde web. Schermer vindt dat artsen altijd horen na te gaan waarom ze het internet raadplegen. Ze moeten er zeker van zijn dat de behandeling erbij gebaat is. ,,Een arts moet niet uit nieuwsgierigheid of erotische interesse voor de patiënt het net afzoeken'', aldus Schermer. Goed met internet omgaan vergt veel van de eigen integriteit van de dokter, vindt zij.

Artsenfederatie KNMG zegt dat er geen specifieke richtlijnen bestaan voor het googelen van patiënten door artsen. Gedrags­regels schrijven wel voor dat een arts niet verder mag doordringen tot de privésfeer van de patiënt dan voor de medische hulp noodzakelijk is. De arts dient vooraf te bepalen met welk doel hij informatie over zijn patiënt op het internet zoekt en of hij die informatie niet gewoon van de patiënt zelf kan krijgen. Dat laatste verdient namelijk de voorkeur, aldus de KNMG.


Meningen verdeeld
In de psychiatrie lopen de meningen uiteen. De Nederlandse vereniging voor psychologen, het NIP, raadt haar leden het googelen naar patiënten ,,ten zeerste af''. ,,De hulpvraag van de patiënt zelf moet centraal staan. Als hij niet aangeeft dat bepaalde gedragingen een probleem zijn, dan vormt dat ook geen onderdeel van de behandeling'', aldus directeur Rein Baneke.

De Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP) vindt daarentegen dat informatie van patiënten op internet voor iedereen toegankelijk is, en daarmee dus ook ter beschikkking staat van behandelaars. ,,Het is er door de betreffende persoon waarschijnlijk ook opgezet om met 'de wijde wereld te delen'', meldt een woordvoerder. Maar omdat de behandelrelatie gebaseerd is op vertrouwen, is het volgens de NVvP wel een goed idee als een psychiater, die een patiënt goo­gelt, dit van tevoren bespreekbaar maakt.

In Codex Medicus: Recht op privacy

In Codex Medicus: Patiëntenrechten

Bron: Nederlands Dagblad

Onderzoek delirium uit voorzorg gestopt


Utrecht, 25 mei 2010 - Een landelijk wetenschappelijk onderzoek naar de behandeling van ernstig verwarde intensive-care patiënten is om veiligheidsoverwegingen in een vroeg stadium gestaakt. In het onderzoek kreeg een deel van de verwarde IC-patiënten ‘rivastigmine’, een medicijn dat op de markt is voor behandeling van de ziekte van Alzheimer.

Acute verwardheid (‘delirium’) is op de intensive care (IC) een veel voorkomend, ernstig en levensbedreigend probleem, waartegen de standaardbehandeling met een kalmerend middel vaak niet afdoende blijkt. Veel IC-artsen nemen aan dat ‘rivastigmine’ ook helpt tegen acute verwardheid op de intensive care. Mede op aangeven van diverse richtlijnen geven artsen in verschillende ziekenhuizen daarom al rivastigmine aan IC-patiënten met een delirium als de standaardbehandeling niet blijkt te helpen.
Het gestaakte onderzoek diende om wetenschappelijk aan te tonen dat de duur van een delirium met rivastigmine inderdaad kan worden bekort.

Eerder dit jaar, toen nog maar een klein deel van het beoogde aantal IC-patiënten aan het onderzoek was begonnen, constateerde de meekijkende veiligheidscommissie dat onder patiënten met rivastigmine meer overlijdensgevallen voorkwamen dan in de groep die (naast de standaardbehandeling) een onwerkzame ‘placebo’ kreeg. Hoewel het aantal patiënten nog klein was, en niet valt uit te sluiten dat het verschil op toeval berustte, adviseerde de commissie uit voorzorg het onderzoek te onderbreken. De onderzoekers volgden dat advies direct op. Deze maand beëindigden ze het onderzoek definitief.
Een verklaring voor het verschil in sterfte is er nog niet. De gegevens wijzen er ook niet op dat rivastigmine bij deelnemende patiënten de duur van het delirium bekortte.

Vooruitlopend op een grondige analyse van alle gegevens hebben de onderzoekers afgelopen week, naast de deelnemers of hun familieleden, andere IC-artsen op de hoogte gebracht van het staken van het onderzoek. Ze vinden het nog te vroeg voor definitieve conclusies over de veiligheid van rivastigmine bij de behandeling van intensive-care patiënten met delirium.
Voor patiënten met de ziekte van Alzheimer, voor wie het middel door Europese autoriteiten sinds 1997 op de markt is toegelaten, heeft het afbreken van het onderzoek geen consequenties.

In Codex Medicus: Delirium

In Codex Medicus: Ziekte van Alzheimer

 

Bron: UMC Utrecht

Crisis leidt tot stijging gebruik van antidepressiva

Londen, 21 mei 2010 - Engels onderzoek laat zien dat de crisis een groot effect heeft op het welzijn van Engelse werknemers. Liefdadigheidsinstelling Mind stelt vast dat door de recessie 1 op de 10 werknemers contact met een arts heeft gezocht. 7 Procent is gestart met antidepressiva om de stress en andere mentale problemen te bestrijden die gerelateerd zijn aan de crisis.

De rondvraag bij 2.050 werknemers levert nog meer informatie op. Zo zegt 28 procent meer uren te draaien. Een derde meent dat bovendien de concurrentie onder collega's is toegenomen. Volgens de helft staat het moreel van de troepen op kantoor op een laag pitje.

Stress zorgt trouwens ook buiten crisistijd voor heel wat mentale problemen bij werknemers. Zo ervaart één op zes mensen op werkleeftijd moeilijkheden met hun mentale gezondheid.

In Codex Medicus: Antidepressiva

Bron: Mind
'Chemo-bommen' bestrijden kanker gerichter

Rotterdam, 20 mei 2010 - Onderzoekers van onder andere het Erasmus MC hebben een manier gevonden om chemotherapie alleen in de tumor te laten werken met behulp van 'chemobommen'. Deze aanpak is veelbelovend omdat er, anders dan bij normale chemotherapie, minder van de chemo in de rest van het lichaam terecht komt.

Plaatselijk
Dat kan door de chemo in kleine vetbolletjes te verpakken en in de bloedbaan te brengen. Door de ‘chemo-bommen’ door middel van warmte tot ontploffing te brengen op het moment dat ze zich in de tumor bevinden, kunnen de medicijnen zeer plaatselijk hun werking doen. Deze behandeling geeft minder kans op kaalheid en geïrriteerde slijmvliezen.

Verwarmen
De nieuwe methode combineert twee al langer bestaande therapieën met elkaar: chemotherapie en hyperthermie (waarbij tumorcellen worden gedood door ze te verwarmen). ‘Juist de combinatie van die twee blijkt heel succesvol in Europese studies met patiënten’, zegt fysicus Gerard van Rhoon van het Erasmus MC-Daniel den Hoed. Door de tumor te verwarmen wordt namelijk de doorbloeding ervan beter en kunnen de geneesmiddelen makkelijker hun werk doen in het gezwel.

Vrij
Een verdere verbetering van deze combinatietherapie wordt nagestreefd in experimenteel onderzoek naar ‘chemo-bommen’ waarbij de chemotherapie wordt verpakt in kleine vetbolletjes (liposomen) die bij een normale lichaamstemperatuur in tact blijven. "Tijdens hun reis door de bloedbaan brengen ze dus geen schade aan in andere gezonde cellen. Door de tumor te verwarmen tot zo’n 42 graden, knappen de bolletjes uiteen zodra ze in de tumor zijn en komt de chemo alleen daar vrij", zegt Timo ten Hagen van het Laboratorium Experimentele Chirurgische Oncologie van het Erasmus MC.
De nieuwe methode bevindt zich in een experimentele fase, er worden nog geen patiënten behandeld.

In Codex Medicus: Chemotherapie van tumoren

Bron: Erasmus MC

Aangezichtspijn vaak niet goed behandeld

Rotterdam, 19 mei 2010 - Richtlijnen voor de behandeling van aangezichtspijn worden bij éénderde van de patiënten niet goed gevolgd. Eén op de drie patiënten loopt daardoor mogelijk meer risico op bijwerkingen. Meer onderzoek in de pijngeneeskunde moet de kennis over aangezichtspijn vergroten.

Medische gegevens
Dit en meer concludeert dr. Seppe Koopman in zijn proefschrift, waarop hij 19 mei promoveert. Koopman is als arts in opleiding tot specialist werkzaam op de afdeling Anesthesiologie van Erasmus MC. In zijn proefschrift beschrijft hij onder andere vier studies over de behandeling van aangezichtspijn in de dagelijkse praktijk. Koopman maakte voor zijn onderzoek gebruik van de Integrated Primary Care Information (IPCI) database. Deze database bevat de geanonimiseerde, elektronische, medische gegevens van meer dan 140 huisartsenpraktijken door heel Nederland en wordt beheerd door de afdeling Medische Informatica van het Erasmus MC.

Pijnindicatie
De meeste patiënten worden snel na ontwikkeling van de eerste symptomen behandeld, meestal door de huisarts. De meeste behandelingen waren geregistreerd voor de specifieke pijnindicatie of vonden plaats conform de beschikbare richtlijnen. Bij eenderde van de patiënten werd echter een medicijn voorgeschreven dat niet geregistreerd was, noch aanbevolen werd in de richtlijnen. Eenvijfde van de patiënten wordt behandeld met paracetamol of een NSAID (een ontstekingsremmer). Dit is opmerkelijk omdat deze medicijnen over het algemeen niet aanbevolen worden voor aangezichtspijn (met uitzondering van indometacine voor paroxysmale hemicranie, een zeer zeldzame aandoening). Eenderde van de eerste behandelingen faalde binnen drie maanden.

Etiologie
Koopman onderzocht of de effectiviteit van een behandeling voorspeld kan worden aan het begin van de behandeling. Uitstel van de behandeling, de gebruikte dosis en andere aandoeningen houden verband met de effectiviteit van de therapie. De helft van alle patiënten werd doorverwezen naar een specialist (medisch en paramedisch), slechts een minderheid onderging aanvullende onderzoeken. De meeste mensen kregen medicijnen, een minderheid kreeg een ingreep.

Gebrek aan kennis
Koopman: "Het blijft een terugkerend beeld. Ook in eerdere studies hebben we aangetoond dat neuropathische pijn ten onrechte behandeld wordt met paracetamol en of NSAID's. Mogelijk is onzekerheid in de eerste diagnose een belangrijke oorzaak." Er is een groot gebrek aan kennis over de etiologie, het ziektebeloop, de risicofactoren voor het ontstaan en uitgroeien van de aandoening, behandeling en voorspellende factoren voor het falen van de therapie.

Nieuwe verbanden

Koopman toont verder een verband aan tussen roken, een recent hoofdtrauma en clusterhoofdpijn. Koopman: "Daarnaast hebben we ook geprobeerd andere nieuwe verbanden te ontdekken. Ziektes die verband houden met de stofwisseling, kwaadaardige gezwellen en bacteriële en virale infecties waren gerelateerd aan het ontwikkelen van trigeminus neuralgie, een vorm van aangezichtspijn. Aandoeningen van de interne organen en van het bewegingsapparaat, schimmelinfecties, gemengde infecties, allergiëen, aandoeningen van de menstruele cyclus en overganggerelateerde aandoeningen houden verband met de ontwikkeling van clusterhoofdpijn. Mogelijk spelen neuropeptides een rol in deze relaties."

In Codex Medicus: Chronische atypische aangezichtspijnen

In Codex Medicus: Gerefereerde aangezichtspijnen

In Codex Medicus: Neuralgiforme aangezichtspijnen

Bron: Erasmus MC
Belgische verpleegkundigen voeren geregeld euthanasie uit in plaats van artsen

Brussel, 18 mei 2010 - Hoewel de Belgische wet voorschrijft dat levensbeëindigende middelen moeten toegediend worden door een arts, blijkt dit in de praktijk vaak door verpleegkundigen te gebeuren. Zeker wanneer het toedienen van deze middelen gebeurt zonder expliciet verzoek van de patiënt, begeven de verpleegkundigen zich hiermee buiten de wet. Een en ander blijkt uit een recente studie van de onderzoeksgroep Zorg rond het Levenseinde van de Vrije Universiteit Brussel die vandaag verschijnt in het toonaangevend tijdschrift Canadian Medical Association Journal.

De euthanasiewetgeving in België laat artsen toe euthanasie toe te passen wanneer strikte voorwaarden nageleefd worden. Maar in de praktijk dienen verpleegkundigen vaak de levensbeëindigende middelen toe. Dat blijkt uit een recente studie van Els Inghelbrecht van de Vrije Universiteit Brussel. Ze ondervroeg in totaal 1265 verpleegkundigen over hun ervaringen met mogelijk levensverkortende levenseindebeslissingen. 128 verpleegkundigen gaven aan dat hun laatste patiënt bij wie een beslissing rond het levenseinde genomen werd euthanasie kreeg, en nog eens 120 verpleegkundigen gaven aan dat hun laatste patiënt die levensbeëindigende middelen toegediend kreeg hier zelf niet expliciet om had gevraagd. Dat is eigenlijk onwettig, omdat euthanasie enkel mag verleend worden op expliciet verzoek van de patiënt zelf. Maar in de praktijk gebeurt het soms dat de zorgverleners samen met de familie hierover beslissen wanneer de patiënt in coma ligt of door zijn fysieke of geestelijke toestand niet meer in staat is om zelf een beslissing te nemen.

In deze gevallen, waarbij levensbeëindigende middelen werden toegediend zonder uitdrukkelijk verzoek van de patiënt zelf, hielp 48% van de verpleegkundigen de middelen te prepareren. 56% was aanwezig bij het toedienen, en 45% diende de middelen zelf toe, meestal zelfs zonder de aanwezigheid van de arts (in 82% van de gevallen), maar wel onder diens bevel (97,7%; in 1 geval was dit niet zo).
Wanneer het wel om euthanasie ging - dus op expliciet verzoek van de patiënt zelf - dienden 12% van de verpleegkundigen de middelen zelf toe, en dat altijd in opdracht van de arts.

Het onderzoek legt een belangrijk knelpunt bloot, want wanneer er niet aan de wettelijke criteria wordt voldaan, lopen zowel de artsen als de verpleegkundigen risico op gerechtelijke vervolging. De positie van de verpleegkundigen is extra precair, omdat ze tussen twee vuren staan met enerzijds de bevelen van de arts en anderzijds de wettelijke beperkingen.

In Codex Medicus: Euthanasie

Bron: Vrije Universiteit Brussel

Bron: Canadian Medical Association
Nieuw laboratorium voor malariaonderzoek bij UMC St Radboud

17 mei 2010 - Morgen 18 mei opent Thom de Graaf, burgemeester van Nijmegen, de nieuwe geavanceerde malaria-unit van het UMC St Radboud. De unit is voorzien van state-of-the-art faciliteiten voor de kweek van parasieten en muggen om malariamedicijnen en -vaccins te ontwikkelen en te testen. Een dergelijke geavanceerde onderzoekseenheid is wereldwijd uniek.

Fundamenteel en klinisch
Het UMC St Radboud beschikt al meer dan twintig jaar over een goed geoutilleerd laboratorium, waar malariamuggen worden gekweekt en besmet met de malariaparasiet. Het malarialab is uitgegroeid tot één van de belangrijkste instituten ter wereld voor de combinatie van fundamenteel èn klinisch malariaonderzoek. De besmette muggen worden onder andere gebruikt voor onderzoek bij vrijwilligers. Gezonde proefpersonen worden blootgesteld aan de prikken van besmette muggen en krijgen de parasiet zo in hun lichaam. Artsen en onderzoekers volgen zorgvuldig hoe de parasieten zich in het lichaam gedragen en kunnen op die manier antwoorden vinden op belangrijke onderzoeksvragen.

De missie van het lab is de ontwikkeling van een vaccin tegen malaria. De afgelopen jaren is in Nijmegen de werking van een aantal kandidaatvaccins onderzocht. Hierbij is belangrijke progressie geboekt, maar een vaccin is nog niet beschikbaar. De malariaparasiet laat zich kennen als een geduchte tegenstander, onder andere door zijn ingewikkelde levenscyclus in de mug en in de mens.
Vooruitgang

De nieuwe malaria-unit betekent een aanzienlijke vooruitgang in de strijd tegen de malariaparasiet. Het onderzoekscentrum is gebouwd op het dak van het Centraal Dierenlaboratorium van het UMC St Radboud en is een aanvulling op het bestaande malarialab. Het is zo ingericht, dat de onderzoekers er parasieten kunnen kweken volgens richtlijnen voor Good Manufacturing Practice. Dit is een wettelijk verplichte kwaliteitsnorm voor productie en toediening van medicijnen. In het nieuwe lab wordt elke stap van het productieproces gecontroleerd om te verifiëren of de parasieten aan de gestelde veiligheidseisen voldoen.

Dankzij deze veilige manier van werken kunnen de onderzoekers in de nieuwe malaria-unit malariaparasieten produceren, die ze rechtstreeks mogen inspuiten bij vrijwilligers; de omweg via de muggenbeet is niet meer nodig. Een belangrijk voordeel hiervan is, dat de onderzoekers de parasiet zo nauwkeurig kunnen doseren.

Over malaria
In de tropen en subtropen is malaria een van de meest voorkomende ziekten en wereldwijd een van de belangrijkste infectieziekten. Jaarlijks maken honderden miljoenen mensen de infectie door. Als gevolg daarvan sterven per jaar naar schatting een miljoen mensen, voornamelijk jonge kinderen. Nieuwe bestrijdingsmiddelen zijn dringend noodzakelijk door toenemende resistentie

In Codex Medicus: Malaria

Bron: UMC St Radboud
Veel te doen over onderzoek Q-koorts

's-Hertogenbosch, 14 mei 2010 - De afgelopen dagen is er weer veel te doen geweest over het kleinschalige onderzoek naar Q-koorts dat het Jeroen Bosch Ziekenhuis eind maart heeft gedaan. Het ziekenhuis presenteerde de voorlopige resultaten hiervan tijdens een landelijke bijeenkomst van geitenhouders. In het onderzoek werd gekeken of er na vaccinatie sporen van de Q-koortsbacterie achterbleven in de melk van de geiten. Het ziekenhuis verrichtte het onderzoek op verzoek van de geitenhouders. Onder hen was al langere tijd onrust over de verplichte vaccinatie (meer informatie onderzoek ziekenhuis)

De resultaten van het onderzoek van het Jeroen Bosch Ziekenhuis hebben er toe geleid dat het ministerie van Landbouw vervroegd capaciteit vrijmaakte om zelf onderzoek te laten voeren. In opzet verschilt het onderzoek van de overheid weinig van het onderzoek van het Jeroen Bosch Ziekenhuis. Het onderzoek van de overheid is alleen uitgevoerd op meer bedrijven en met meer geiten. Op 11 mei heeft minister Verburg de resultaten van dit onderzoek gepresenteerd. In essentie komt het er op neer dat de overheid geen DNA van de Q-koortsbacterie kon aantonen in de geitenmelk na vaccinatie.

Vergelijking resultaten
Op dinsdag 4 mei heeft er een uitgebreid gesprek plaatsgevonden op het ministerie van LNV. Tijdens dit gesprek heeft het Jeroen Bosch Ziekenhuis zijn methoden en resultaten onder meer gepresenteerd aan Chief Veterinary Officer Bruscke van LNV, vertegenwoordigers van het Centraal Veterinair Instituut en van de Gezondheidsdienst voor Dieren. Ook zijn de resultaten besproken van een vergelijking van de testen waarmee het Jeroen Bosch Ziekenhuis en de overheid DNA van de Q-koortsbacterie aantonen. Op deze vergelijking had het Jeroen Bosch Ziekenhuis al herhaalde malen aangedrongen. Uit de vergelijking blijkt dat de methode van het Jeroen Bosch Ziekenhuis een factor 100-1000 keer gevoeliger is dan de methode die de overheid gebruikt.

Onrust voorkomen
Het Jeroen Bosch Ziekenhuis betreurt het als haar medewerking aan de vaccinatie-experimenten zou hebben geleid tot een verdere terughoudendheid van geitenhouders om te vaccineren. Het ziekenhuis is echter van mening dat die terughoudendheid al aanwezig was voor de uitkomst van het vaccinatie-experiment. Ook is het Jeroen Bosch Ziekenhuis van mening dat het ministerie van LNV de onrust had kunnen voorkomen door in een eerder stadium te luisteren naar en in te gaan op de onrust onder de geitenhouders aangaande de vaccinaties. Als de overheid het eigen vaccinatie-experiment eerder had uitgevoerd, was een groot deel van de huidige onrust voorkomen.

In Codex Medicus: Q-koorts

Bron: Jeroen Bosch Ziekenhuis
Hooikoorts kost zorg 7 miljoen per jaar

Utrecht, 12 mei 2010 - Het hooikoortsseizoen is weer aangebroken. Hooikoorts kost de gezondheidszorg ruim 7 miljoen euro per jaar, los van wat mensen uitgeven aan zelfzorgmedicijnen bij de drogist of supermarkt. Er zijn zelfs aanwijzingen dat het hooikoortsseizoen langer wordt.

Niezen, een loopneus, rode branderige of tranende ogen, een opgezette keel of gezwollen oogleden, honderdduizenden Nederlanders herkennen hierin de symptomen van hooikoorts, iedere lente weer. Hooikoorts is een allergische reactie op pollen van gras of bomen. In 2008 gingen zo’n 20 op de 1000 mensen naar de huisarts of kregen een recept vanwege hooikoorts. Dat zijn rond de 330.000 mensen. Het totaal aantal mensen dat last heeft van hooikoorts ligt nog veel hoger, want veel hooikoortspatiënten bezoeken de huisarts niet en krijgen geen geneesmiddelen op recept. Er zijn tal van zelfzorgartikelen te koop bij de drogist. En veel mensen weten inmiddels zelf precies wat ze er het beste tegen kunnen doen.

Zeven miljoen euro
Hooikoorts komt het meeste voor in de leeftijd van 15 tot 44 jaar, zo blijkt uit onderzoek van het NIVEL (Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg) naar het voorkomen en de zorgkosten van hooikoorts. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het Team Invasieve Exoten van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Patiënten met hooikoorts bezochten in 2008 0,7 keer de huisarts of hadden een telefonisch consult. Ze gebruikten bijna 6 euro per patiënt aan voorgeschreven geneesmiddelen. En per 1000 patiënten met hooikoorts werden 10,5 patiënten verwezen naar de specialist. Dit betekent in totaal 7,16 miljoen euro aan zorgkosten vanwege hooikoorts (in 2008), zelfzorgmiddelen niet meegerekend. De meeste kosten voor hooikoorts worden gemaakt in mei en juni.

Ambrosia
Het ministerie van LNV wilde inzicht in de kosten van hooikoorts, omdat het vreest dat het hooikoortsseizoen langer wordt nu de uitheemse plant ambrosia steeds vaker wordt aangetroffen in Nederland. De plant bloeit van augustus tot oktober en kan hevige allergische reacties veroorzaken. Vanwege de hevigheid van deze allergische reacties zouden bovendien meer mensen een beroep kunnen doen op de huisarts of specialist, dan alleen vanwege een langer hooikoortsseizoen.

In Codex Medicus: Pollinose

Bron: NIVEL
Met motion sensing chronische (rug)pijn bestrijden

Arnhem, 11 mei 2010 - Een innovatief apparaat voor ruggenmergstimulatie is voor het eerst in Nederland geïmplanteerd door artsen van Ziekenhuis Rijnstate in Arnhem. Deze zogenaamde neurostimulator maakt gebruik van een geavanceerde vorm van de motion-sensing technologie die we kennen van consumentenapparaten zoals de Wii en iPod Touch of iPhone.

Stimulatie op juiste moment
Ruggenmergstimulatie is een standaardtherapie voor de behandeling van ernstige chronische rug- en/of beenpijn. De nieuwe RestoreSensor-neurostimulator van producent Medtronic is ’s werelds eerste pijnmanagementtechniek, die zich automatisch aanpast aan een verandering in de positie van het lichaam of activiteit van de patiënt. Daardoor krijgt de patiënt op elk moment de juiste stimulatie en pijnbestrijding.

Verhoogde kwaliteit van leven

De vorige generatie neurostimulatoren liet een aanpassing slechts in beperkte mate toe. Met vooraf ingestelde niveau’s moesten patiënten bij een verandering van lichaamshouding of activiteit steeds de instellingen met een afstandsbediening aanpassen.

Anesthesioloog dr. Jan Willem Kallewaard van Ziekenhuis Rijnstate: "Veel van onze patiënten zullen hier voordeel bij hebben. Het doel van ruggenmergstimulatie is om te proberen de patiënten te helpen hun pijn te verminderen. Mensen zijn constant in beweging, of ze nu opstaan uit een stoel, lopen in de straat, of ontelbare keren omdraaien in hun slaap. Een apparaat zoals deze nieuwe neurostimulator, die automatisch reageert op veranderingen in de positie van een patiënt of het activiteitsniveau, moet hen helpen een betere controle over hun pijn te krijgen. Dit draagt bij aan de kwaliteit van leven van de patiënt, niet alleen door een betere pijncontrole en meer bewegingsvrijheid, maar ook door een verminderd medicijngebruik."

In Codex Medicus: Lumbalgie

Bron: Alysis Zorggroep

Prof. Van Weel pleit in The Lancet voor versterking van eerstelijnsgezondheidszorg

Londen, 10 mei 2010 - In een commentaarstuk met als titel 'Family medicine's commitment to the MDGs' in het gezaghebbende tijdschrift The Lancet houden prof. Jan De Maeseneer (UGent), prof. Chris van Weel (UMC St Radboud) en prof. Richard Roberts (Wisconsin, USA) een pleidooi voor versterking van de eerstelijnsgezondheidszorg. Op die manier breken de artsen een lans voor 'person-centered care' voor iedereen.

Millennium Development Goals
In 2000 werden acht doelstellingen geformuleerd om tegen 2015 wereldwijd vooruitgang te boeken op het vlak van welzijn en gezondheid. Bijzondere aandacht gaat hierbij naar ondersteuning van opvoeding, toegang tot voedsel en tot gezondheidszorg, aanpak van infectieziekten en naar het terugdringen van kinder- en moedersterfte.

Eerstelijnszorg
In opvolging van het rapport van de Wereldgezondheidsorganisatie 'Eerstelijnsgezondheidszorg nu meer dan ooit!' beschrijven de auteurs hoe overal in de wereld huisartsen samen met verpleegkundigen, maatschappelijk werkers en gezondheidspromotoren, werken aan de bevordering van gezondheid en de zorg voor zieken. Zij pleiten ervoor dat de opleiding van toekomstige huisartsen overal georganiseerd wordt in het kader van de eerstelijnsgezondheidszorg en niet in ziekenhuizen. De auteurs wijzen er op dat de huidige tendens om problemen via ziektegerichte programma's aan te pakken (zoals bestrijding van Aids, tuberculose en malaria) leidt tot een verbrokkeling van de zorg, wanneer de programma’s niet geïntegreerd zijn in een sterke eerstelijnsgezondheidszorg.

Prof. Jan De Maeseneer werkt aan de vakgroep Huisartsgeneeskunde en Eerstelijnsgezondheidszorg van de UGent (B).
Prof. Chris van Weel is verbonden aan UMC St Radboud, is Doctor Honoris Causa aan de UGent en is de huidige voorzitter van Wonca, de Wereldorganisatie van Huisartsen. Tevens is Chris van Weel lid van de hoofdredactie van de Codex Medicus.
Prof. Richard Roberts, Wisconsin, USA is de toekomstige voorzitter van Wonca.

In Codex Medicus: Huisartsgeneeskunde

Bron: The Lancet
Nieuwe site helpt jongeren

Amsterdam, 7 mei 2010 - De website www.ggzjeugdinfo.nl is gelanceerd. Deze site is een gezamenlijk initiatief van GGZ inGeest, de GGD Amsterdam, Prezens en Arkin. Doel is dat Amsterdamse jongeren van veertien tot achttien jaar gemakkelijker hun weg kunnen vinden naar GGZ preventie en behandeling. Op de site kunnen ze informatie vinden over psychische problemen als angst en depressie en middelengebruik (alcohol, hasj en wiet). Ook kunnen ze een test doen om hun mentale balans te checken en krijgen ze advies.

Om de site onder de aandacht van jongeren te brengen, wordt www.mindmasters.nl ingezet. Hier kunnen jongeren een korte test doen, waarbij zij snel en eenvoudig ontdekken wat hun gemoedstoestand is. Met de uitslag van de test worden jongeren op een positieve manier uitgedaagd om de website ggzjeugdinfo.nl te bezoeken en daar écht inzicht te krijgen in hun mentale balans.

In Codex Medicus: Jeugd-GGZ

Bron: VU medisch centrum
Nieuw systeem signaleert nachtelijke epilepsieaanval

Utrecht, 6 mei 2010 - Een signaleringssysteem dat ’s nachts betrouwbaar vaststelt of een epilepsieaanval optreedt. Dat is het doel van het Tele-epilepsie project, dat het UMC Utrecht, Stichting Epilepsie Instellingen Nederland en Kempenhaeghe gezamenlijk uitvoeren. ZonMw steunt het project met een subsidie van bijna 700.000 euro.

De beste manier om een aanval waar te nemen is via een EEG (een electroencefalogram of ‘hersenfilmpje’). Maar die methode is zo gevoelig dat de meting alleen in het ziekenhuis bruikbaar is. De onderzoekers willen daarom epilepsieaanvallen opsporen via een combinatie van vier relatief eenvoudige systemen: waarneming van beeld, geluid, beweging en hartritme. Onderzoekers kijken op twee manieren naar beweging en bewegingsonrust: via automatische beeldanalyse en door het gebruik van bewegingssensoren (versnellingsmeters) geplakt op armen en benen.

Los van elkaar zijn deze systemen niet voor alle epilepsiepatiënten nauwkeurig genoeg om een aanval met voldoende zekerheid waar te nemen en leiden ze tot valse alarmen. De verwachting is dat de combinatie wél nauwkeurig en betrouwbaar genoeg werkt. Over anderhalf tot twee jaar hopen de onderzoekers een systeem te hebben dat in een klinische trial, bij patiënten, getest kan worden.

Het is belangrijk aanvallen ’s nachts waar te nemen. Sommige aanvallen zijn zo erg dat ouders of zorgverleners ze met medicijnen moeten stoppen. Bovendien kunnen nachtelijke aanvallen een aanwijzing zijn dat de medicatie niet goed is ingesteld.

Neuroloog dr. Frans Leijten van het UMC Utrecht: "Het waarnemen van nachtelijke aanvallen is een groot probleem in de epilepsiezorg. Als het lukt is het een enorme vooruitgang voor epilepsiepatiënten, hun ouders en instellingen voor geestelijk gehandicapten. Epilepsie is een ernstige ziekte, maar wat het zo erg maakt is de onvoorspelbaarheid. Als het signalerings¬systeem werkt hebben ouders en zorgverleners in elk geval de geruststelling dat een kind niet onopgemerkt ernstige aanvallen doormaakt."

In Nederland lijden bijna 120.000 mensen aan epilepsie. Een deel daarvan reageert slecht op medicijnen en is ook niet via een operatie te behandelen. Dit gaat relatief vaak om kinderen en om volwassenen met een lichamelijke en/of verstandelijke beperking. Epilepsie is een hersenziekte waarbij abnormale elektrische activiteit leidt tot aanvallen met onder meer spiersamentrekkingen. Deze aanvallen kunnen bedreigend zijn.

In Codex Medicus: Epilepsie

Bron: UMC Utrecht
Verschil PDD-NOS en ADHD moeilijk aantoonbaar

Groningen, 5 mei 2010 - PDD-NOS (Pervasive Development Disorder - Not Otherwise Specified) en ADHD (Attention Deficit Hyperactivity Disorder) worden in het diagnostisch handboek voor psychische stoornissen beschreven als twee afzonderlijke categorieën. Beide stoornissen worden bovendien geassocieerd met verschillende gedragskenmerken, zoals beperkingen in de sociale interactie (PDD-NOS), concentratieproblemen en overbeweeglijkheid (ADHD). In de praktijk blijkt het echter vaak lastig om op klinische gronden een onderscheid te maken. Promovenda Karin Gomarus onderzocht of het verschil kon worden aangetoond op basis van informatieverwerkingsvaardigheden.

Gomarus bestudeerde de functie van het werkgeheugen en de visuele, selectieve aandachtsfunctie van kinderen met PDD-NOS en ADHD. Aan groepen kinderen met PDD-NOS, ADHD, of kenmerken van beide ontwikkelingsstoornissen werd gevraagd computertaken uit te voeren terwijl er een EEG van hun hersenen werd gemaakt. De onderzoekster vergeleek de uitkomsten met die van een controlegroep. Ze ontdekte dat de patiëntgroepen meer tijd nodig hadden dan de controlekinderen naarmate het werkgeheugen extra belast werd. Tussen de klinische groepen onderling bleken echter op de scans geen statistisch significante verschillen te bestaan. Deze uitkomsten komen overeen met het beeld uit de klinische praktijk dat het lastig is om mogelijke verschillen tussen de betreffende ontwikkelingsstoornissen aan te wijzen.

In Codex Medicus: Pervasieve ontwikkelingsstoornis niet anderszins omschreven

In Codex Medicus: Attention deficit hyperactivity disorder

Bron: Rijksuniversiteit Groningen
Minder complicaties bij nieuwe behandeling alvleesklierontsteking


Groningen, 4 mei 2010 - Een nieuwe ‘step-up’-benadering vermindert het aantal ernstige complicaties en sterfgevallen door ernstige alvleesklierontsteking waarbij weefsel afsterft (necrotiserende pancreatitis). Onderzoekers van het UMCG werkten mee aan de studie waar dit uit bleek. Samen met collega’s van het UMCU, UMC St Radboud en andere Nederlandse ziekenhuizen vergeleken zij deze stapsgewijze aanpak met de standaardbehandeling bij necrotiserende pancreatitis. Zij publiceerden over hun bevindingen in het gezaghebbende New England Journal of Medicine.
 
Professoren Rutger Ploeg (hoogleraar Transplantatiegeneeskunde en mede-auteur van de Codex Medicus) en Erik Buskens (hoogleraar Medical Technology Assessment) van het UMCG maken net als UMCG chirurgen Vincent Nieuwenhuijs en Sijbrand Hofker en collega’s van andere ziekenhuizen deel uit van de Pancreatitis Werkgroep Nederland. Gedurende het onderzoek kregen patiënten met necrotioserende pancreatitis ofwel een buikoperatie (open necrosectomie), ofwel de stapsgewijze behandeling aangeboden. Deze nieuwe benadering (‘step-up approach’) bestaat uit drainage van pus en wondvocht uit de geïnfecteerde alvleesklier, eventueel gevolgd door een kleine operatie om ontstoken en afstervend weefsel te verwijderen. Deze behandeling kan een grote (en risicovolle) buikoperatie uitstellen of zelfs voorkomen. Het UMCG is in Nederland een voorloper in deze minimaal invasieve behandeling bij acute necrotiserende pancreatitis. 

De grote en risicovolle buikoperaties (open necrosectomie) die gebruikelijk zijn bij necrotiserende pancreatitis kunnen ernstige en levensbedreigende complicaties veroorzaken, zoals multi-orgaanfalen. Doordat de chirurg probeert het afgestorven weefsel volledig te verwijderen, bestaat de kans dat ook vitaal alvleesklierweefsel wordt meegenomen. De onderzoekers vinden daarom dat de ‘step-up’-benadering de voorkeur moet krijgen.
Jaarlijks krijgen ruim 3000 Nederlanders een acute alvleesklierontsteking. Ongeveer een vijfde daarvan wordt ernstig ziek.

In Codex Medicus: Pancreatitis acuta


Bron: Universitair Medisch Centrum Groningen

Vier keer zo veel depressie bij partners van patiënten met dementie


Amsterdam, 3 mei 2010 - Partners van patiënten met dementie hebben een vier keer zo grote kans op depressie vergeleken met mensen met een partner zonder dementie, zo blijkt uit een publicatie van onderzoekers van het NIVEL en VUmc in het American Journal of Geriatric Psychiatry.


Vergrijzing
Met de vergrijzing neemt ook het aantal mensen met dementie toe. Het merendeel van hen woont thuis en wordt verzorgd door een familielid, meestal de partner. De zorg voor een demente partner is echter zwaar en veroorzaakt vaak gezondheidsproblemen, vooral psychische zoals een depressie of angststoornis. Het is daarom belangrijk deze zorgende partners te helpen, primair voor hun eigen welbevinden, maar ook om de zorg voor hun partner met dementie te kunnen volhouden. Uit eerder onderzoek van het NIVEL en Alzheimer Nederland is bekend dat mantelzorgers van dementiepatiënten ernstig overbelast zijn. Als de voornaamste verzorger uitvalt, is de patiënt aangewezen op professionele zorg of moet deze worden opgenomen.
 
Antidepressiva
Vergeleken met mensen met een partner zonder dementie blijken partners van patiënten met dementie een vier keer zo grote kans op depressie te hebben. En ze hebben een twee keer zo grote kans antidepressiva voorgeschreven te krijgen, zo blijkt nu uit onderzoek met gegevens van het Landelijk Informatie Netwerk Huisartsenzorg. NIVEL-afdelingshoofd Francois Schellevis: "Deze resultaten onderstrepen het belang van aandacht voor de belasting van de primaire verzorger van mensen met dementie." De onderzoekers volgden 6 jaar lang de medische gegevens van 218 partners van patiënten met dementie. Voor iedere deelnemer aan het onderzoek zochten ze voor de controlegroep twee partners van mensen zonder dementie uit dezelfde praktijk.


In Codex Medicus: Depressie

Bron: NIVEL

Betere opvolging van slaapziekte

Antwerpen, 30 april 2010 - Het is mogelijk om mensen na hun behandeling tegen slaapziekte korter op te volgen dan tot nu toe, zonder dat er meer opnieuw ziek worden. De patiënten zijn beter af, en het is goedkoper. Hoe dat kan, werd uitgezocht door Dieudonné Mumba Ngoyi van het Instituut voor Tropische Geneeskunde. Hij kreeg er aan de Universiteit Antwerpen een doctoraat voor.

Slaapziekte is dodelijk als ze niet behandeld wordt. Wie een behandeling krijgt, moet nog twee jaar opgevolgd worden, want als hij opnieuw ziek wordt, loopt hij een groot risico op levenslange complicaties, zelfs wanneer ook de tweede behandeling succesvol is. Maar iemand twee jaar opvolgen is niet eenvoudig in een arm ontwikkelingsland. Mumba Ngoyi zocht daarom naar een manier om sneller te kunnen zien wie definitief genezen is, en wie nog kans maakt om terug te vallen. Zijn onderzoek in twee ziektehaarden in de Democratische Republiek Congo toonde aan dat het aantal witte bloedcellen in het lumbaalvocht al binnen een jaar uitsluitsel geeft.

Wat wij 'slaapziekte' noemen, is eigenlijk 'slaapziekte van mensen in Afrika', veroorzaakt door de parasiet Trypanosoma brucei. Andere trypanosomen treffen dieren (met zware economische gevolgen voor de veeteelt), of veroorzaken gelijkaardige ziekten bij mensen; bijvoorbeeld de ziekte van Chagas in Zuid-Amerika. In Afrika wordt de parasiet overgebracht door de steek van een besmette tseetseevlieg. De parasiet vermenigvuldigt zich eerst in het bloed en de lymfe, ontwijkt je afweer en nestelt zich in hart, nieren en uiteindelijk ook in je hersenen. Je wordt verward, je slaappatroon raakt ontregeld, je kunt niet meer normaal lopen en uiteindelijk raak je in coma en sterf je.

De Wereldgezondheidsorganisatie schat het aantal jaarlijkse dodelijke slachtoffers op 10.000 tot 20.000 mensen.
In de eerste fase is de ziekte redelijk eenvoudig te behandelen, maar eenmaal de parasieten de hersenen binnengedrongen zijn, moet een gevaarlijk middel ingezet worden. Het is afgeleid van arsenicum en zo'n vijf procent van de patiënten overleeft de behandeling niet. Na 'genezen' te zijn verklaard, moet de persoon nog een tijd gevolgd worden, om zeker te zijn dat de parasiet echt uitgeroeid is en de persoon niet opnieuw ziek wordt. Als dan niet meteen herbehandeld wordt, is de kans op blijvende schade zeer groot.

Mumba Ngoya volgde een reeks Congolese patiënten, om uit te zoeken welke metingen het best voorspellen of je hervalt. Als je na twee jaar nog steeds geen trypanosomen vindt in bloed, lymfe of lumbaalvocht weet je dat de behandeling geslaagd was. Maar als het aantal witte bloedcellen in het lumbaalvocht binnen het jaar gedaald is tot een normale waarde (minder dan 5 per μl cerebrospinaal vocht) mag je ook gerust zijn, zo toonde Mumba Ngoyi aan. Wie daar slechts licht boven zit, moet 6 maanden later nog eens onderzocht worden. De meeste patiënten hebben na een jaar al duidelijkheid; dat bespaart op het aantal pijnlijke en dure ruggenmergpuncties.

Vooraleer de nieuwe aanpak grootschalig ingevoerd wordt, moet hij wel nog getest worden bij meer patiëntengroepen, onder andere bij mensen die met andere geneesmiddelen werden behandeld, waarschuwt Mumba Ngoyi. Intussen moet er verder gezocht worden naar nog betere opvolgmethodes en tests die ook gemakkelijk bruikbaar zijn op de soms ver afgelegen plaatsen waar slaapziekte behandeld wordt.


In Codex Medicus: Afrikaanse trypanosomiasis

Bron: Instituut voor Tropische Geneeskunde Antwerpen

Jaarlijks 3.000 doden door werk


Amsterdam, 29 april 2010 - Jaarlijks overlijden in Nederland naar schatting drieduizend mensen als gevolg van ongunstige werkomstandigheden. Dat blijkt uit een verkennend onderzoek van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten over de sterfte door beroepsziekten in Nederland. Uit het onderzoek blijkt dat belangrijkste oorzaken voor beroepsgebonden sterfte worden gevormd door kanker door werk (1.350), beroepslongaandoeningen (570) en hart- en vaatziektes (800).

Ook komen jaarlijks in Nederland ongeveer tweehonderd miskramen voor als gevolg van het werk van een van de ouders. Gepleit wordt om meer lering te trekken uit deze gevallen die in principe voorkomen hadden kunnen worden.

Sterftegevallen voorkomen
Ook al betreft het schattingen met een ruime onzekerheidsmarge, duidelijk is dat we met een serieus probleem van doen hebben. Sterfte door werk is een teken van een falend arbeidsomstandighedenbeleid. De meeste van deze sterftegevallen hadden voorkomen kunnen worden.
Lastig bij de koppeling aan preventiebeleid is dat sommige gevallen van beroepsziekte zich pas tientallen jaren na de blootstelling openbaren, zoals bij asbest. Bij sommige dodelijke beroepsziekten, zoals hart- en vaatziektes door stress of ploegendienst en bij dodelijke arbeidsongevallen is het tijdpad korter en zijn resultaten van preventie eerder zichtbaar.

Beter signaleren, meer leren
In het rapport worden aanbevelingen gedaan om beroepsziekten beter te signaleren en meer te leren van beroepsziekten. De melding van beroepsziekten door bedrijfsartsen kan en moet beter. Daarnaast kan naar andere bronnen van informatie worden gezocht, zoals informatie van verzekeringsgeneeskundigen. Ook koppeling van gegevensbestanden biedt veel mogelijkheden. Het is een interessante optie om een project te starten die de mogelijkheden onderzoekt van melding van (nieuwe) beroepsziekten door werkenden zelf.
Ook pleit het NCvB voor beter gevalsonderzoek. Te vaak nog worden beroepsziekten gebagatelliseerd. Met uitzondering van OPS wordt klinisch arbeidsgeneeskundig onderzoek in Nederland niet vergoed door ziektekostenverzekeraars. In Scandinavische landen, Frankrijk en in de VS is dit beter geregeld en komen nieuwe arbeidsrisico’s sneller aan het licht. Door medische expertise en deskundigheid op arbeidsomstandighedenterrein te bundelen kunnen oorzaken preciezer in kaart worden gebracht en preventieve maatregelen getroffen worden.

Arbovigilantie
Het NCvB pleit voor een een systeem om nieuwe arbeidsrisico’s eerder in beeld te krijgen; arbovigilantie. Werkmethodes uit de Farmacovigilantie (opgezet om bijwerkingen van geneesmiddelen te signaleren) kunnen daarbij als voorbeeld dienen. In een themapublicatie van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (Laan G van der, 2009) zijn hiervoor de mogelijkheden geschetst.
Anticiperen op nieuwe arborisico’s is belangrijk; zo moet nu al gedacht worden aan een ‘early warning system’ bij het werken met synthetische nanodeeltjes.

In Codex Medicus: Beroepsziekten

 

Bron: Nederlands Centrum voor Beroepsziekten
Ultrageluid behandelt vleesbomen

Utrecht, 28 april 2010 - Het UMC Utrecht behandelt sinds kort vleesbomen in de baarmoeder via een methode die uniek is voor Nederland. Verhitting van de goedaardige gezwellen via ultrageluid maakt operaties overbodig. De eerste vier patiënten hebben de behandeling succesvol ondergaan.

Vleesbomen zijn goedaardige gezwellen van de spierlaag van de baarmoeder. Naar schatting heeft ongeveer de helft van de Nederlandse vrouwen vleesbomen, maar slechts een deel ondervindt daar klachten van. De knobbels kunnen bloedingen veroorzaken, pijnklachten geven, op omliggende organen drukken en de vruchtbaarheid verminderen. De traditionele behandeling bestaat uit het chirurgisch verwijderen van vleesbomen, vaak door de hele baarmoeder weg te halen. Het is ook mogelijk de bloedvaten af te sluiten die de vleesboom van bloed voorzien.

Bij de nieuwe behandeling worden eerst met een MRI-scanner de baarmoeder en vleesboom afgebeeld. Daarna verhit ultrageluid de vleesboom tot ongeveer zestig à zeventig graden Celsius. Het verhitte weefsel sterft af, waarna het lichaam het opruimt en de vleesboom krimpt. De vleesboom verdwijnt dus niet helemaal, maar het volume neemt zoveel af dat de klachten verdwijnen. Tijdens de gehele behandeling ligt de patiënt in een MRI-scanner die het mogelijk maakt om de behandeling real-time te sturen en controleren. De behandeling is pijnloos en de patiënt kan dezelfde dag naar huis. De behandeling duurt wel relatief lang, enkele uren, omdat de vleesboom niet in één keer helemaal verhit kan worden.

"Een paar dagen na de behandeling zijn vrouwen al weer op de been", zegt arts-onderzoeker Marianne Voogt van de afdeling Radiologie van het UMC Utrecht. "Het is veel minder ingrijpend dan een operatie, met veel minder complicaties. Voor patiënten is het urenlange stilliggen in de MRI-scanner eigenlijk nog het lastigste."

Het UMC Utrecht is het eerste ziekenhuis in Nederland waar interventie-radiologen de nieuwe behandeling toepassen. Inmiddels hebben vier vrouwen de behandeling succesvol ondergaan. In de Verenigde Staten is de ultrageluidmethode al langer in gebruik en behoort deze inmiddels tot een van de standaardbehandelingen van vleesbomen. Voogt verwacht dat de behandeling op termijn in Nederland ook standaard zal worden. De behandeling is niet geschikt voor alle typen vleesbomen. Een belangrijk criterium is dat de knobbels goed bereikbaar moeten zijn voor het ultrageluid.

Vleesbomen komen vooral voor bij vrouwen tussen de veertig en de vijftig. Na de overgang nemen de klachten snel af omdat vleesbomen groeien onder invloed van vrouwelijke hormonen.

Meer informatie over de nieuwe behandeling is te vinden op www.vleesboom-hifu.nl.

In Codex Medicus: Myoon van de uterus

Bron: UMC Utrecht
Belgen bundelen krachten in strijd tegen hemofilie


Leuven, 27 april 2010 - Het VIB (Vlaams Instituut voor Biotechnologie), de K.U.Leuven en Cellectis starten een samenwerking rond een nieuwe manier om bloederziekte of hemofilie te genezen. Bedoeling is om foutieve genen voor bloedstolling te vervangen met nieuwe, werkende exemplaren. Thierry Vandendriessche and Marinee Chuah van het VIB Vesalius Onderzoekscentrum (VRC) zullen gebruik maken van meganucleases - op maat gemaakte enzymes geproduceerd door de Franse genoomspecialist Cellectis. De techniek valt te vergelijken met het updaten van een computer. De foutieve genen zijn de stukken software waar een fout is in geslopen. De nieuwe genen zijn de verbeterde code. De meganucleases vormen het programma dat de correcties aanbrengt.

Hemofilie is een groep van erfelijke, geslachtsgebonden genetische aandoeningen. Bij patiënten is de bloedstolling verstoord, waardoor ze langer nabloeden bij een wonde en te kampen krijgen met pijnlijke blauwe plekken. Blijft de ziekte onbehandeld, dan kan bloedarmoede ontstaan en zelfs leiden tot de dood. Er zijn verschillende vormen. Hemofilie A (tekort aan stollingsfactor VIII) komt het meest voor. Ongeveer 1 in 5000-10000 mannen leidt aan de ziekte. Hemofilie B (tekort aan factor IX) komt voor bij 1 op de 20000-34000 mannen.


Omdat de genetische fouten bij hemofiliepatiënten bekend zijn, is gentherapie lang beschouwd als een beloftevolle manier om de ziekte te genezen. Tot nu toe was het grootste probleem met gentherapie dat het nieuwe genetisch materiaal op willekeurige plaatsen terecht kon komen in het DNA. Daarbij bestaat het gevaar dat de werking van andere, nuttige genen worden verstoord. De meganucleasen van Cellectis laten toe om heel gericht de werkende versies van de genen voor de stollingsfactoren VIII en IX in te brengen in het genoom. Daarbij laten ze de andere functies intact.

"Meganucleases hebben het potentieel om het probleem van het willekeurig invoegen van de stukken DNA op te lossen," zeggen Vandendriessche en Chuah. "De techniek laat toe om heel precies nieuwe genen aan te brengen op een op voorhand bepaalde en veilige locatie in het genoom. Als deze aanpak slaagt, kan dit onderzoek leiden tot een levensverbeterende therapie voor hemofiliepatiënten."


In Codex Medicus: Hemofilie


Bron: VIB

Comfortabele techniek om vroeggeboorte te voorspellen

Eindhoven, 26 april 2010 - De bestaande technieken om vroeggeboorte te voorspellen werken slecht, of zijn invasief, met flink wat risico's en ongemak. Chiara Rabotti ontwikkelde een nieuwe meetmethode met een eenvoudige elektrodepleister, die de samentrekkingen van de baarmoeder meet. In de toekomst kan elke zwangere vrouw hiermee rustig het moment afwachten, verwacht de onderzoekster.

Vroeggeboorte is de belangrijkste oorzaak voor babysterfte en blijvende handicaps. Helaas kan vroeggeboorte nog moeilijk voorspeld worden, doordat de technieken tekort schieten. De enige bestaande betrouwbare methode is gebaseerd op het inbrengen van een katheter, wat ongemakkelijk is voor de vrouw, en riskant voor de foetus. De bestaande meetmethoden aan de buitenkant van het lichaam geven tot heden onnauwkeurige voorspellingen.

Stroompjes meten
Promovenda Chiara Rabotti (1977) ontwikkelde daarom een techniek die kijkt naar de basis van de bevalling; de samentrekkingen van de baarmoeder. Alle spieren worden aangestuurd door elektrische stroompjes. Je kunt de activiteit van de baarmoederspieren dus meten door die stroompjes te meten, die ook buiten de buik op te vangen zijn. De Italiaanse onderzoekster gebruikte hiervoor bestaande meetinstrumenten, die echter nog niet eerder waren toegepast om baarmoederactiviteit te meten. Haar onderzoek focuste op de vraag of en hoe ze met de meetgegevens een betrouwbaar beeld kan geven van de baarmoederactiviteit. Ze ontwikkelde onder meer een wiskundig model om de elektrische signalen te vertalen in beelden en grafieken. Uiteindelijk bleek ze in staat om met een elektrodepleister van slechts drie bij drie centimeter minstens net zo goede resultaten te boeken als die van de eerder genoemde invasieve methode. Ze verrichte haar onderzoek onder meer in het Máxima Medisch Centrum in Veldhoven.

Onbekend
Rabotti verwacht dat haar techniek over zo'n vijf jaar beschikbaar komt. Het is nu mogelijk om de baarmoederactiviteit te meten, maar het is nog onbekend wat het gemeten patroon zegt over het moment van bevalling. Daarvoor moet de eindfase van de zwangerschap eerst bij veel vrouwen gevolgd worden. Hiertoe is inmiddels een groot Europees project gestart, waar Rabotti ook bij betrokken is.

Gewoon thuis
In eerste instantie zal de techniek vooral toepassing vinden in het ziekenhuis, in geval van complicaties. Maar de begeleider van Rabotti, hoogleraar Jan Bergmans van de faculteit Elektrotechniek, kijkt al verder. Medici kunnen de zwangerschap straks bijvoorbeeld op afstand monitoren. De zwangere vrouw is gewoon thuis, en het meetsignaal wordt online naar het ziekenhuis gestuurd. En je kunt de techniek nog comfortabeler maken, door de elektrode op te nemen in kleding.

In Codex Medicus: Vroeggeboorte

Bron: Technische Universiteit Eindhoven
Behandeling met ijzer niet effectief bij hodgkinlymfoom

Nijmegen, 23 april 2010 - In tegenstelling tot wat altijd wordt aangenomen ontstaat bloedarmoede bij patiënten met hodgkinlymfoom níet door ijzergebrek, schrijven onderzoekers van het UMC St Radboud deze week in het Journal of Clinical Oncology. Het is de ontstekingsreactie bij deze patiënten die ervoor zorgt dat de thermostaat in de lever, die de ijzerafgifte aan het bloed regelt, veel te ver wordt dichtgedraaid. Meer ijzer geven helpt dus niet; de thermostaat moet beter worden afgesteld.

Veel patiënten met hodgkinlymfoom - een vorm van kanker in de witte bloedcellen - hebben last van bloedarmoede. Die bloedarmoede verslechtert de kwaliteit van leven; de patienten hebben weinig energie en zijn doodmoe. De geijkte behandeling tegen bloedarmoede is het geven van extra ijzer. Daardoor kan het lichaam extra rode bloedcellen aanmaken. Maar bij patiënten met hodgkinlymfoom werkt die aanpak niet. De vraag is: waarom niet? Dorine Swinkels, hoogleraar klinische chemie aan het UMC St Radboud, presenteert in het Journal of Clinical Oncology het verrassende antwoord. De patiënten hebben geen tekort aan ijzer, maar kunnen het aanwezige ijzer in hun lichaam niet goed gebruiken. Dat komt door een te hoge concentratie hepcidine in het bloed, zo blijkt uit hun onderzoek bij 65 patiënten.

Afgifte afgeknepen
Patiënten met hodgkinlymfoom ontwikkelen als gevolg van hun aandoening een chronische ontstekingsreactie. Een belangrijk stofje in die ontstekingsreactie is interleukine 6. In samenwerking met  (inter)nationale wetenschappers ontdekte Swinkels dat dit interleukine de concentratie van het eiwit hepcidine omhoog jaagt. Met vervelende gevolgen. Swinkels: "De belangrijkste ijzercyclus in het lichaam bestaat uit de aanmaak en afbraak van rode bloedcellen. Bij de aanmaak van nieuwe rode bloedcellen in het beenmerg wordt ijzer ingebouwd. En aan het eind van hun leven worden de rode bloedcellen in de lever en milt weer afgebroken en kan het ijzer via het bloed weer naar het beenmerg. Klaar voor de volgende cyclus. Maar bij patiënten met hodgkinlymfoom gaat het mis in dit laatste stukje. De afgifte van het ijzer wordt namelijk geregeld door een klein, maar zeer belangrijk eiwit: hepcidine. Bij een lage concentratie hepcidine gaat er veel ijzer van de lever en milt naar het bloed, maar bij een hoge concentratie wordt die afgifte juist afgeknepen. Daardoor krijgt het bloed te weinig ijzer en ontstaat anemie."

Interessant eiwit
De opheldering van dit fundamentele proces heeft belangrijke consequenties voor de therapie. Swinkels: "Bij deze patiënten helpt toediening van ijzer dus niet. Integendeel: de ´overdosis´ aan ijzer die zo ontstaat, kan op termijn juist nog meer schade aanrichten. De behandeling moet zich primair richten op het verlagen van de concentratie hepcidine, niet op het verhogen van de hoeveelheid ijzer. Diverse farmaceuten zijn dan ook druk bezig met de ontwikkeling van een hepcidine-remmer." Sinds de ontdekking van hepcidine in 2000, wordt steeds duidelijker dat dit eiwit een belangrijke rol speelt in veel lichaamsprocessen, zoals ontstekingen, infecties en bloedarmoede van de chronische ziekten. Het meten van hepcidine-concentraties is echter nog erg complex. Veel onderzoekers maken daarom gebruik van de testen die worden aangeboden door Hepcidinanalysis.com (www.hepcidinanalysis.com), een spinoff van het UMC St Radboud, waar Swinkels samen met dr. Harold Tjalsma leiding aan geeft. "Op dit moment maken we gebruik van vrij dure testen op basis van massaspectrometrie", zegt Tjalsma. "Op termijn willen we een goedkopere test aanbieden die in vrijwel elk lab is te gebruiken. Dat kan het onderzoek naar hepcidine een nieuwe boost geven."

In Codex Medicus: hodgkinlymfoom

Bron: UMC St Radboud
Plakboek als redding voor kinderen die slecht zien

Rotterdam, 22 april 2010 - Het Erasmus MC heeft een simpele manier gevonden om te voorkomen dat veel kinderen levenslang slechtziend blijven. Onderzoekers hebben een speciaal plakboek ontwikkeld dat patientjes met een ‘lui oog’ spelenderwijs leert de behandeling, het afplakken van één oog met een pleister, goed te volgen.

 

Het ‘luie-ogen plakboek’ wordt binnenkort op grote schaal verspreid, onder andere via apotheken. Uit onderzoek blijkt dat de kinderen die het boek gebruiken, hun oog aanzienlijk beter afplakken.

Getraind
Ongeveer één op de dertig kinderen heeft een lui oog waardoor ze met één oog slecht zien. De kwaal kan goed worden behandeld door het goede oog met een pleister af te plakken. Het luie oog wordt dan getraind om beter te kijken. Afplakken moet bij voorkeur voor het zesde jaar. Als de behandeling later start of niet goed wordt gevolgd, kan het luie oog vaak niet meer volledig herstellen.

Trouw
"Jaarlijks komen er in Nederland zo'n tweeduizend kinderen bij die slecht zien omdat ze hun oog niet goed afplakken", zegt oogarts Huib Simonsz van het Erasmus MC. Het zijn veelal gezinnen waarvan de ouders slecht Nederlands spreken. Bij bijna de helft van deze kinderen mislukt de therapie. "De ouders begrijpen niet waarom ze moeten afplakken en kunnen het hun kinderen dus niet uitleggen. Als ze dat wel weten, plakken ze net zo goed en trouw als mensen die het Nederlands wel goed beheersen", zegt Simonsz.

Stripverhaal
Het Erasmus MC heeft daarom samen met kunstenaars Jose Vingerling en Gerard de Bruijne een boekje gemaakt dat aan de hand van een stripverhaal uitlegt hoe belangrijk de behandeling is. Ook kunnen kinderen met stickers bijhouden wanneer ze geplakt hebben. Bij plakboekgebruikers stijgt de therapietrouw aanzienlijk. Ruim 80% van de kinderen die het plakboek gebruiken plakt na zes weken goed af. Bij andere kinderen was dit 58%.

 

In Codex Medicus: Amblyopie

 

In Codex Medicus: Lui oog

 

Bron: Erasmus MC

Verbod op en waarschuwing voor borstimplantaten van Poly Implant Protheses (PIP)


Den Haag, 21 april 2010 - De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) verbiedt met onmiddellijke ingang de handel en het implanteren van borstimplantaten van het Franse merk Poly Implant Protheses (PIP).

In Nederland zijn deze implantaten ook onder de merknaam M-Implant in de handel gebracht. De implantaten geven een onevenredig hoge kans op complicaties zoals scheuren en lekken. De Franse toezichthouder op het gebied van de medische hulpmiddelen (Afssaps) heeft de IGZ op de hoogte gebracht van dit probleem.

De IGZ adviseert vrouwen met borstimplantaten (protheses) te kijken op de informatie die zij mee hebben gekregen na de operatie. Hierop staat de fabrikant vermeld. Voor vrouwen die implantaten hebben van PIP of M-Implant en pijnklachten hebben of een veranderde vorm van de borst luidt het advies om contact op te nemen met de kliniek waar zij behandeld zijn en een afspraak te maken voor extra controle.

Mochten zij niet meer bij die kliniek terecht kunnen, dan kunnen zij contact opnemen met een plastisch chirurg in een ziekenhuis of zelfstandig behandel centrum (ZBC) waar verzekerde zorg wordt verricht. Bij twijfel over lekkage van de prothese kan een echo worden gemaakt. Als een echo niet voldoende duidelijk is, kan een MRI-scan uitsluitsel geven. Alleen bij bewezen lekkage of forse kapselvorming is het nodig om de implantaten te laten verwijderen.

Onderzoek van de Franse toezichthouder wijst uit dat voor de fabricage van de implantaten van PIP een andere siliconengel is gebruikt dan die waarvoor toelating tot de markt is verleend door de notified body (het CE-certificaat). De fabrikant verkeert sinds eind maart in staat van faillissement. Dit alles vormde voor de Franse toezichthouder voldoende grond om wereldwijd alle niet-geïmplanteerde PIP implantaten terug te roepen.

De IGZ neemt deze maatregel over voor Nederland, dit geldt ook voor de implantaten van M-Implant. De IGZ heeft geen rol in de toelating op de Nederlandse markt. Voor medische hulpmiddelen is het vrije verkeer van goederen binnen de EU leidend.

Afnemers
De firma Rofil uit Breda, inmiddels ook failliet, heeft de implantaten tot begin 2009 in Nederland gedistribueerd. Volgens de Franse toezichthouder zijn er na 2009 mogelijk nog leveringen gedaan aan andere afnemers. De IGZ heeft een aantal Nederlandse afnemers kunnen achterhalen, maar kan niet garanderen dat dit overzicht compleet is.

Op deze lijst staan in ieder geval: Sihouetkliniek in Breda, kliniek Sportstad in Heerenveen, Kliniek Zestienhoven in Rotterdam (via Leo Giedrojc Plastisch Chirurg), Maastricht Universitair Medisch Centrum, Kliniek Oud Zuid in Amsterdam, Medisch Centrum Scheveningen en de Citykliniek in Den Haag. Aan genoemde klinieken heeft de IGZ inmiddels een waarschuwing met het verbod gestuurd. Ook hebben zij opdracht gekregen om zelf cliënten te benaderen bij wie zij borstimplanten van PIP of M-Implant hebben geïmplanteerd.


In Codex Medicus: Borstprothese


Bron: Inspectie voor de Gezondheidszorg

Gevolgen levertransplantatie bij kinderen onderzocht


Groningen, 20 april 2010  - Kinderen die al op jonge leeftijd een levertransplantatie hebben moeten ondergaan, kunnen ook op latere leeftijd bijwerkingen hiervan ondervinden. Kinderarts René Scheenstra van het Universitair Medisch Centrum Groningen onderzocht de gevolgen van verschillende immuunsuppressieve behandelingen. Hij ging na in hoeverre er op lange termijn bijwerkingen zijn en volgde het weefsel van het transplantatie-orgaan na levertransplantatie op de kinderleeftijd.

Uit Scheenstra’s onderzoek blijkt onder andere dat de groeivertraging na een levertransplantatie bij kinderen voornamelijk zijn oorsprong vindt in de periode vóór die transplantatie. Na de levertransplantatie is er inhaalgroei bij de jongste en meest groeivertraagde patiënten. Ook deed hij een studie in de weefsels van de getransplanteerde lever tot tien jaar na de transplantatie. Hieruit blijkt dat in bijna 70% van de getransplanteerde organen milde tot ernstige fibrose was ontstaan.

In Codex Medicus: Levertransplantatie

 

Bron: Rijksuniversiteit Groningen
Dunne meisjes hebben verhoogde kans op borstkanker op latere leeftijd


Stockholm, 19 april 2010 - Meisjes die op hun zevende mager zijn lopen na de menopauze een grotere kans op borstkanker dan hun dikkere leeftijdsgenootjes. Deze verrassende uitkomst blijkt uit een studie van Zweedse onderzoekers aan het Karolinska Institutet.


De onderzoekers analyseerden gegevens van 2.818 borstkankerpatiënten en 3.111 gezonde vrouwen. "We zien dat het aantal gevallen van borstkanker groter is bij vrouwen die op hun zevende mager en groot waren", zegt projectleider Jingmei Li.


"Het is een opmerkelijke vaststelling dat dikkere meisjes minder kans hebben op het krijgen van kanker na de menopauze omdat een hoog geboortegewicht en een hoge BMI op volwassen leeftijd altijd geassocieerd werden met een grotere kans op borstkanker. Een aantal vragen moeten eerst nog beantwoord worden voor we een precieze verklaring kunnen geven voor de opvallende vaststelling", aldus Li. De resultaten van het onderzoek worden gepubliceerd in de onlineversie van het tijdschrift Breast Cancer Research.


In Codex Medicus: Mammacarconoom


Bron: Karolinska Institutet

Groot internationaal onderzoek naar kankergenen van start

Nijmegen, 16 april 2010 - Een internationaal netwerk van 177 onderzoeksinstituten gaat vijftig kankergenomen ontrafelen. Gisteren presenteerde het International Cancer Genome Consortium (ICGC) zich in het tijdschrift Nature. Binnen dit netwerk gaat moleculair bioloog Henk Stunnenberg van de Radboud Universiteit Nijmegen samen met Britse onderzoekers de genetische code van borstkanker in kaart brengen.

Opeenstapeling van DNA-fouten
Kanker ontstaat niet van de ene op de andere dag. Er is een opeenstapeling voor nodig van fouten in het erfelijke materiaal. Britse onderzoekers ontdekten afgelopen herfst dat iemand met longkanker maar liefst 23.000 DNA-fouten heeft. Het International Cancer Genome Consortium (ICGC) gaat nu ook vijftig andere kankersoorten zo grondig in kaart brengen.

Kankercellen versus normale cellen
Elke groep onderzoekers uit onder meer China, Japan, Canada, Europa, Korea, India, Singapore, én Nijmegen gaat één kankertype bestuderen en daarbinnen de cellen van minimaal vijfhonderd patiënten. De wetenschappers gaan de kankercellen van patiënten vergelijken met hun normale cellen. Ze kijken niet alleen naar het genoom, het erfelijk materiaal in de kankercel, maar ook naar afgeleiden daarvan zoals de eiwitexpressie en de transcriptie van DNA naar RNA. Op die manier kunnen de fouten in de zieke cellen heel precies in kaart worden gebracht.

Henk Stunnenberg, hoogleraar Moleculaire biologie bij het NCMLS (Nijmegen Centre for Molecular Life Sciences) van de Radboud Universiteit maakt deel uit van een groep die borstkankercellen gaat analyseren. Stunnenberg neemt de DNA-methylering voor zijn rekening. DNA-methylering is een chemische verandering die ervoor zorgt dat een stukje genoom wel of juist niet wordt afgelezen. In een kankercel is de methylering verstoord, waardoor de kenmerken van de cel veranderen en een kankercel kan ontstaan.

Grote waarde voor behandeling
Stunnenberg vindt het ICGC een heel mooi en ambitieus project. 'We praten over 25.000 kankergenomen die volledig ontsleuteld gaan worden, de totale hoeveelheid informatie die verwerkt moet worden is 25.000 keer het humane genoom. Een megaproject als dit kun je niet doen met een handvol mensen, omdat het een dimensie is die vele malen groter is dan de dimensie van alle genomen die tot nu toe in kaart gebracht zijn.'

Het in kaart brengen van de kankergenen is van grote waarde voor de behandeling van de ziekte. 'Op dit moment krijgen patiënten in de praktijk niet altijd de goede behandeling', zegt Henk Stunnenberg. 'Ze krijgen bijvoorbeeld een heel agressieve bestralingskuur terwijl een hormoontherapie voor hen voldoende zou kunnen zijn.'

In Codex Medicus: Mammacarinoom

Bron: Radboud Universiteit Nijmegen

Grijze-stofafwijkingen bij MS aangetoond

Amsterdam, 15 april 2010 - De hippocampus, een hersenstructuur die belangrijk is bij het geheugen, is sterk afwijkend bij mensen met multiple sclerose (MS). De afwijkingen van de hippocampus zijn bij MS-patiënten met ernstige geheugenklachten zichtbaar te maken met magnetic resonance imaging (MRI). Maar ook de MS-patiënten die nog normaal scoren bij geheugentesten hebben al uitgebreide hippocampale afwijkingen. Dit blijkt uit het promotieonderzoek van Stefan Roosendaal.

De bevindingen van Roosendaal zullen de basis vormen voor het bestrijden van het geheugenverlies bij MS. Ongeveer vijftig procent van de MS-patiënten krijgt te maken met cognitieve problemen, waaronder geheugenverlies. Deze kunnen optreden in het beginstadium van de ziekte, wanneer nog weinig of geen andere fysieke symptomen merkbaar zijn en worden als zeer invaliderend ervaren door de nog vaak jonge patiënten. Bij deze mensen met geheugenklachten hoeven er nog geen afwijkingen zichtbaar te zijn op normale MRI-scans, maar met meer geavanceerdere imagingtechnieken blijkt nu de verbinding van de hippocampus met de rest van het brein in sterke mate aangedaan te zijn. In hoeverre het geheugenverlies met medicijnen of met hersentraining kan worden aangepakt bij MS-patiënten wordt nu verder bestudeerd.
 
In Codex Medicus: Multiple sclerose

Bron: VU medisch centrum
Vaatweefsel voorspelt nieuwe ziekte


Utrecht, 14 april 2010 - Uit de samenstelling van de wand van een verkalkte halsslagader kunnen onderzoekers van het UMC Utrecht afleiden hoeveel kans een vaatpatiënt maakt op nieuwe vaatproblemen. Chirurg in opleiding Wouter Peeters beschrijft deze resultaten, die hij binnenkort publiceert in het tijdschrift Circulation, in zijn proefschrift van 15 april.


Peeters volgde 818 patiënten waarbij aderverkalking (atherosclerotische plaque) uit de halsslagader verwijderd was. Na drie jaar hadden 196 patiënten een hart- of herseninfarct gekregen of waren overleden. Patiënten met een bloedstolsel of een verhoogde dichtheid van bloedvaten in de plaque blijken daarop een 1,7 of 1,4 maal verhoogde kans te hebben. Microscopisch waarneembare eigenschappen van de plaque voorspellen dus het algehele risico op nieuwe vormen van vaatlijden.


"Wij laten zien dat de eigenschappen van een klein stukje ziek bloedvat een voorspellende waarde kan hebben voor toekomstige vaatziekten in het héle lichaam. Dit inzicht, met als slogan ‘tissue is the issue', wint langzaam terrein."


Peeters verwacht dat analyse van stukjes verkalkte slagader artsen kan helpen patiënten met een extra groot risico op nieuwe acute vaatproblemen op te sporen. Momenteel is alleen van patiënten die een operatie of catheterisatie ondergaan weefsel beschikbaar. Maar wereldwijd vinden jaarlijks meer dan twee miljoen chirurgische of endovasculaire interventies plaats waarbij stukjes verkalkt bloedvat verkregen kan worden voor onderzoek.


Tot nu toe blijken de algemene risicofactoren van hart- en vaatziekten (leeftijd, geslacht, bloeddruk en cholesterolgehalte) te onnauwkeurig om het risico van de individuele patiënt te voorspellen op acute gebeurtenissen van aderverkalking. Ook mogelijke risicofactoren uit bloedonderzoek blijken onvoldoende om het risico op acute vaatproblemen te bepalen.


In Codex Medicus: Atherosclerose


Bron: UMC Utrecht

Moedersterfte in industrielanden gestegen


Seattle, 13 april 2010 - Wereldwijd is de moedersterfte de laatste 30 jaar met meer dan 35% gedaald. Van meer dan een half miljoen doden per jaar in 1980 naar 343.000 in 2008. Het Institute for Health Metrics and Evaluation (IHME) van de universiteit van Washington heeft dit becijferd.


Ook in veel ontwikkelingslanden loopt de moedersterfte terug. Uitzonderingen zijn landen als Afghanistan en Zimbabwe waar de moedersterfte juist is gestegen tussen 1990 en 2008. Ook in geïndustrialiseerde landen als de VS, Canada en Noorwegen is ze echter verrassend gestegen. Vooral in de VS is het aantal vrouwen dat sterft door een zwangerschap of geboorte enorm gestegen.

In 2008 overleefde in de VS 42 procent meer vrouwen hun zwangerschap niet ten opzichte van 1990. De moedersterftegraad, die het aantal sterfgevallen op 100.000 geboortes aangeeft, is van 12 naar 17 gestegen. Een en ander heeft deels te maken met nieuwe meetmethodes. Maar die kunnen niet de hele toename verklaren, aldus de onderzoekers. Mogelijke oorzaken zijn niet vermeld. In Canada steeg de sterftegraad van 6 naar 7 en in Denemarken van 7 naar 9.


Italië heeft de laagste waarde wereldwijd. Bijzonder hoog risico lopen toekomstige moeders in India, Nigeria, Pakistan en andere ontwikkelingslanden of economische snelgroeiers.


In Nederland neemt de moedersterfte ook toe. In de periode 1993 tot 2005 stierven gemiddeld 12,1 moeders per 100.000 levend geboren kinderen, een significante toename ten opzichte van een sterftecijfer van 9,7 in de periode 1983 tot 1992. Per jaar komt dat neer op 24 vrouwen.


In Codex Medicus: Moedersterfte

Bron: University of Washington News

Bron: VU medisch centrum

Behandeling van asbestkanker in ontwikkeling


Rotterdam, 12 april 2010 - Het Erasmus MC werkt aan een vaccin tegen asbestkanker. Daarbij krijgen patiënten cellen uit hun eigen afweersysteem ingespoten die in het laboratorium zijn ‘getraind'.


Verlengen
Het doel van de nieuwe behandelmethode is het leven van de patiënt verlengen. Asbestkanker is tot nu toe niet te genezen. Op dit moment zijn de vooruitzichten voor mensen met asbestkanker (mesothelioom) zeer slecht: maar één op de zeven is een jaar na de diagnose nog in leven, ondanks de longoperatie en bestraling die ze krijgen.


Bloedprik
De nieuwe methode stelt de afweer van de patiënt centraal. Onderzoekers nemen via een bloedprik zogeheten dendritische cellen af. Die behandelen ze in het lab zodanig dat ze beter in staat zijn kankercellen te herkennen en uit te schakelen. Daarna worden de dendritische cellen weer ingespoten.


Veelbelovend
De eerste resultaten van de therapie zijn veelbelovend: het afweersysteem blijkt de woekerende cellen in tegenstelling tot voorheen inderdaad te herkennen en aan te vallen. Bijkomend voordeel is dat deze behandeling vrijwel geen nare bijwerkingen heeft, in tegenstelling tot chemotherapie.

Grote schaal
Andere onderzoeken moeten de werkzaamheid van de nieuwe behandeling van het Erasmus MC bevestigen, ook op grote schaal. Nog maar tien patiënten zijn in het Rotterdamse onderzoek behandeld. Longartsen in Nederland worden geïnformeerd over de therapie. Het zal naar verwachting nog jaren duren voordat de behandeling in andere ziekenhuizen van start kan gaan.


In Codex Medicus: Mesothelioom


Bron: Erasmus MC

Hersenschade door stresshormoon lijkt onomkeerbaar


Leiden, 9 april 2010 - De ziekte van Cushing gaat gepaard met een overmaat van het stresshormoon cortisol in het bloed. Na genezing blijven mensen cognitief minder goed functioneren, blijkt uit onderzoek van het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) dat The Journal of Clinical Endocrinology & Metabolism publiceert.

Patiënten met de ziekte van Cushing produceren te veel cortisol. Dit stresshormoon veroorzaakt symptomen als spierkrachtverlies, een veranderde vetverdeling en psychische stoornissen. De ziekte is te behandelen, maar patiënten houden vaak cognitieve klachten over, zag prof. dr. Hans Romijn, endocrinoloog in het LUMC.

 

Corticosteroïden
Om dit te onderzoeken werden mensen die al zo’n tien jaar genezen waren van de ziekte psychologisch getest. Hieruit bleek dat hun geheugenfunctie en besluitvaardigheden slechter waren in vergelijking met die van gezonde personen van dezelfde leeftijd, geslacht en opleiding. De onderzoekers denken dat dit een gevolg is van het teveel aan cortisol waarmee ze te kampen hebben gehad, aangezien andere hormonen niet verstoord zijn bij de ziekte van Cushing. Cortisol brengt hersencellen blijkbaar onherstelbare schade toe. Romijn: “Dit heeft belangrijke implicaties, omdat chemische varianten van cortisol, corticosteroïden, veel gebruikt worden bij ziekten als astma en kanker. Het gebruik hiervan moet niet gestaakt worden, maar voor- en nadelen moet wel goed afgewogen worden, vindt hij.


Ziekte van Cushing
Patiënten met de ziekte van Cushing hebben een tumor in de hypofyse, een kleine hormoonklier in het hoofd, die te veel ACTH produceert. Dit hormoon zet de bijnieren aan tot overmatige afgifte van cortisol. Slechts ongeveer 1 op de honderdduizend mensen heeft deze ziekte. De tumor kan via de neus verwijderd worden. Soms is aanvullend bestraling nodig.

In Codex Medicus: Ziekte van Cushing

Bron: Leids Universitair Medisch Centrum

Softenon helpt bij afwijking aan de bloedvaten


Leiden, 8 april 2010 - Patiënten met de zeldzame erfelijke ziekte HHT, die door een afwijking aan de bloedvaten buitensporig veel bloedneuzen hebben, kunnen baat hebben bij Softenon. Dat schrijft een internationale groep onderzoekers, onder wie prof. Christine Mummery van het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC), in Nature Medicine. Met deze nieuwe inzichten is verder onderzoek mogelijk naar gebruik van Softenon bij de behandeling van vaatlijden, bijvoorbeeld bij diabetespatiënten of bij kankerpatiënten die bestraald worden.


De publicatie toont aan hoe Softenon op drie manieren ingrijpt op de vorming van bloedvaten. Het middel versnelt de groei van gladde spiercellen om bloedvaten heen, daarnaast grijpen de spiercellen zich steviger met een soort vingertjes aan de bloedvaten vast. Ten slotte heeft Softenon ook een effect op de bloedvaten zelf, die meer PDGF aanmaken. Deze groeifactor trekt gladde spiercellen aan zodat die dichter tegen de bloedvaten aan komen te liggen. Dit alles leidt tot bloedvaten die stabieler zijn en minder snel lek gaan.


Nieuwe toepassingen
Softenon oftewel thalidomide werd eind jaren vijftig geïntroduceerd als slaapmiddel en medicijn tegen ochtendmisselijkheid bij zwangere vrouwen. Toen bleek dat ongeboren kinderen door effecten van Softenon op de bloedvaten misvormde ledematen ontwikkelden, werd het middel van de markt gehaald. De laatste jaren zijn er echter nieuwe toepassingen ontdekt, onder andere bij de behandeling van lepra en kanker. Zo kan Softenon de werking van chemotherapie verbeteren, doordat de bloedvaten naar de tumor onder andere meer vertakkingen hebben. Dat Softenon ook invloed heeft op neusbloedingen bij HHT-patiënten, werd ontdekt doordat een HHT-patiënt met een maagtumor als aanvullende behandeling Softenon slikte. Hij ontdekte toen dat zijn neusbloedingen afnamen.


Osler-Weber-Rendu
Ongeveer één op de tienduizend mensen lijdt aan hereditary hemorrhagic telangiectasia (HHT), ook wel bekend als de ziekte van Osler-Weber-Rendu. Door een genetische afwijking hebben deze patiënten plaatselijk heel dunne vaatwanden. Ze krijgen daardoor vaak wel tientallen malen per week een bloedneus. Sommige patiënten ondergaan meerdere malen per jaar een bloedtransfusie en lijden aan bloedarmoede. Behalve bloedneuzen ontstaan incidenteel ook bloedingen in hersenen of longen, met veel ernstigere gevolgen. Toch hebben de bloedneuzen, ook al zijn ze niet levensbedreigend, de grootste impact op de kwaliteit van leven. Behandeling met medicijnen zoals ontstekingsremmers of stollingsmiddelen werkt niet bij iedereen. Een alternatief is een huidtransplantatie die het neusslijmvlies vervangt of het dichtnaaien van de neus. Nu is er ook Softenon.


In Codex Medicus: Ziekte van Rendu-Osler(-Weber)


In Codex Medicus: Neusbloeding


Bron: Leids Universitair Medisch Centrum

Vroegtijdige opsporing van borstkanker door DNA-analyse van tepelvocht

Utrecht, 7 april 2010 - Karijn Suijkerbuijk onderzocht een nieuwe screeningsmethode voor borstkanker door het analyseren van methylering in tepelvocht. Methylering is een DNA-afwijking in cellen van bijvoorbeeld de borst die een belangrijke rol speelt bij het ontstaan van kanker. Het onderzoeksteam heeft aangetoond dat het afnemen van tepelvocht met een soort kolfapparaat mogelijk is bij ongeveer 90% van de vrouwen en dat het mogelijk is om hierin methyleringsafwijkingen te analyseren.


Bij het vergelijken van methyleringsafwijkingen in borsttumoren van vrouwen met een erfelijke afwijking in het borstkankergen BRCA1 met vrouwen zonder een erfelijke belasting, vonden de onderzoekers dat de methyleringsafwijkingen soms in andere delen van het DNA plaatsvonden, maar niet erg van elkaar verschilden. Dit geeft aan dat voor deze vrouwen analyse van deze andere delen van het DNA nodig is.

De eerste resultaten laten zien dat methylering in tepelvocht een borst met borstkanker onderscheidt van een gezonde borst. Verder onderzoek is nodig om de toegevoegde waarde van deze nieuwe methode aan de bestaande screening te bepalen.

In Codex Medicus: Kwaadaardige borstkliertumoren

 

Bron: Universiteit Utrecht

Teddy Bear Hospital op 17 april in Universitair Ziekenhuis Antwerpen


Antwerpen, 6 april 2010 - Veel kinderen vinden het ziekenhuis met dokters in witte jassen en ingewikkelde onderzoeken eng. Vaak komt dit doordat kinderen niet weten wat hen te wachten staat. In het Teddy Bear Hospital kunnen kleuters tussen 5 en 7 jaar oud spelenderwijs kennismaken met een nagebootst ziekenhuis, om zo de angst voor dokters en ziek-zijn enigszins weg te nemen.


De kleuters komen naar het ziekenhuis met hun zieke knuffels en laten deze hier behandelen door teddybeer-dokters. Deze teddybeerdokters zijn studenten geneeskunde die voor een dag een witte jas aan trekken om beren, krokodillen, giraffen en poppen weer beter maken.


De kleuters begeleiden hun knuffel tijdens het bezoek aan de dokter en hoeven zelf geen onderzoek of behandeling te ondergaan. Er wordt hen wel gevraagd om de dokters te assisteren bij het onderzoek, de behandeling of zelfs een operatie. Kortom: een ideale manier om je kleuter kennis te laten maken met het ziekenhuis.


Het Teddy Bear Hospital wordt voor de eerste keer in Vlaanderen georganiseerd in het UZA door de EMSA, European Medical Student Association een internationale organisatie van studenten Geneeskunde. Het project is heel wat landen een groot succes.


In Codex Medicus: Anamnese en onderzoek bij kinderen


Bron: Teddy Bear Hospital

Robot kan straks ook opereren in MRI-scanner

Enschede, 2 april 2010 - Het onderzoeksinstituut MIRA van de Universiteit Twente ontwikkelt technologie om robotgeassisteerde operaties in een MRI-scanner mogelijk te maken. Daarvoor heeft het instituut een subsidie van 1,9 miljoen euro toegekend gekregen. De onderzoekers ontwikkelen de techniek in eerste instantie voor de diagnose en behandeling van prostaatkanker, maar deze is daarna bruikbaar voor tal van aandoeningen. In het project werkt MIRA samen met het Universitair Medisch Centrum St Radboud, Demcon, Siemens en Xivent Medical.


Door nieuwe ontwikkelingen in de medische technologie worden medische handelingen steeds effectiever en minder invasief. Bij zogeheten minimaal invasieve chirurgie wordt een operatie uitgevoerd via een natuurlijke lichaamsopening of een kleine incisie. De chirurg maakt hierbij bijvoorbeeld gebruik van zeer kleine, robotgestuurde instrumenten. Het voordeel van dit type ingrepen is dat de behandeling minder belastend is voor de patiënt, waardoor deze sneller herstelt.

Omdat de chirurg bij minimaal invasieve ingrepen het operatiegebied niet rechtstreeks kan zien, is hij aangewezen op medische beeldvormingstechnieken. Eén van de meest bekende beeldvormingstechnieken is Magnetic Resonance Imaging (MRI). Deze methode zou bij uitstek geschikt zijn in combinatie met bepaalde minimaal invasieve ingrepen, ware het niet dat MRI's werken met extreem sterke magneten. Door het magnetische veld kun je geen magnetiseerbare materialen in de scanner gebruiken en werkt elektronische apparatuur niet.

MRI-scanner
De Universiteit Twente, heeft in samenwerking met het Universitair Medisch Centrum St Radboud, Demcon Advanced Mechatronics, Siemens en Xivent Medical, een subsidie van 1,9 miljoen euro toegekend gekregen om robotgeassisteerde ingrepen in een werkende MRI-scanner mogelijk te maken. De ontwikkeling van deze techniek vindt plaats binnen het project MIRIAM (Minimally Invasive Robotics in an MRI Environment). Binnen dit project kijken de onderzoekers naar de mogelijkheden van MRI bij het juist positioneren van naalden en andere medische instrumenten. De uitdagingen hierbij zijn de ontwikkeling van een werkend robotsysteem, de ontwikkeling van computermodellen die de interactie van een naald met het menselijk weefsel simuleren en de integratie van de soft- en hardware.

Prostaatkanker
Het project richt zich in eerste instantie op de diagnose en behandeling van prostaatkanker, de meest gediagnosticeerde kwaadaardige tumor (in Europa gaat het jaarlijks om 346.000 nieuwe gevallen). MIRA wil de techniek inzetten bij het nemen van weefselmonsters en de behandeling van prostaatkanker met behulp van brachytherapie, waarbij radioactief materiaal in de tumor wordt gebracht. In beide gevallen moet de chirurg een naald nauwkeurig naar de juiste plaats positioneren. Momenteel is hij hierbij afhankelijk van MRI-opnamen die vooraf zijn gemaakt. Als deze operaties in een MRI scanner uitgevoerd worden, kan de chirurg real life zien of hij de naald op de juiste plaats inbrengt. MIRA wil over vier tot vijf jaar een werkend prototype gereed hebben.

 

In Codex Medicus: Prostaatcarcinoom

 

In Codex Medicus: Magnetische resonantie

 

Bron: Universiteit Twente
Nefrologenverenigingen kraken KCE-rapport over nierdialyse af


Brussel, 1 april 2010 - Het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) denkt met het verplichten van neutrale begeleiders alternatieve dialysevormen op te waarderen. Maar uit cijfermateriaal van de beroepsverenigingen van nefrologen blijkt dat patiënten met eindstadium nierfalen nu al in toenemende mate worden behandeld met low care dialyse of thuisdialyse.


Alleen de titel al waarmee het KCE zijn rapport over de organisatie en financiering van de chronische nierdialyse wereldkundig maakte - Dialyse thuis of in het ziekenhuis: wie kiest? - deed de nefrologenverenigingen steigeren. De titel suggereert dat in België de verkeerde kiest en dat wordt in de aanbevelingen nog explicieter verwoord. "Dialysepatiënten en hun familie moeten tijdig, objectief en volledig door neutrale patïëntenbegeleiders worden geïnformeerd, zodat zij een doordachte beslissing kunnen nemen," geeft duidelijk aan dat de nefrologen en hun teams de patiënt doelbewust dirigeren naar bepaalde - lees duurdere en meer lucratieve - dialysevormen en die beschuldigingen zijn onterecht menen de Nederlandstalige Belgische Vereniging voor Nefrologie (NBVN) en de Groupement des Néphrologues Francophones de Belgique (GNFB).


Dat het KCE heil ziet in 'neutrale' patiëntenvoorlichting vinden de nefrologen dan ook om meerdere redenen een merkwaardig besluit. Zo werd dit onderwerp, voor wie er het bewuste KCE-rapport op naleest, helemaal niet onderzocht. Wel leert hoofdstuk 7 van het rapport de lezer dat de vertegenwoordigers van de patiëntenverenigingen vinden dat de informatie over de behandelingsmogelijkheden vrij goed is.


Verder is in het rapport ook helemaal niet duidelijk wie of wat het KCE onder 'neutrale patiëntenbegeleiders' verstaat, stellen de nefrologen vast.


In Codex Medicus: Dialyse

Bron: de Specialisten

Weinig kennis over prenatale screening bij zwangere vrouwen van Turkse en Surinaamse afkomst

Rotterdam, 31 maart 2010 - Slechts 5% van de zwangere vrouwen van Turkse afkomst heeft voldoende kennis om een weloverwogen keuze te maken om deel te nemen aan prenatale screening op Downsyndroom. Ter vergelijking: bij Surinaamse vrouwen is dit 26% en bij Nederlandse vrouwen 71%.

Hiermee is het doel van het landelijk programma om alle zwangere vrouwen in staat te stellen een geïnformeerde keuze te maken over deze screening nog lang niet behaald. Dit concludeert Mirjam Fransen naar aanleiding van haar promotie-onderzoek.

Screening
Fransen voerde haar onderzoek uit onder verloskundigen en Turkse, Surinaamse en Nederlandse zwangere vrouwen in Rotterdam. Hieruit bleek dat Turkse en Surinaamse zwangere vrouwen wel informatie ontvangen over prenatale screening op Downsyndroom van hun verloskundige of gynaecoloog en dat ze er ook in geïnteresseerd zijn. Zij weten echter veel minder over prenatale screening en Downsyndroom dan Nederlandse vrouwen.

Afbreken
Fransen: “Uit mijn onderzoek blijkt dat meer dan de helft van de Turkse vrouwen niet weet dat de combinatietest bestaat en dat hiermee de kans op een kind met Downsyndroom berekend wordt. Bovendien weten zij vaak niet dat bij een verhoogde kans op een kind met Downsyndroom een vlokkentest of vruchtwaterpunctie wordt aangeboden en dat deelname aan deze diagnostische testen eventueel kan leiden tot de keuze de zwangerschap wel of niet af te breken.”

In Codex Medicus: Prenatale diagnostiek, indicaties

In Codex Medicus: Prenatale diagnostiek, methodiek

In Codex Medicus: Downsyndroom

Bron: Erasmus MC
Gezondheidsstoffen in thee verlagen kans op beroerte

Wageningen, 30 maart 2010 - Flavonolen kunnen het risico op het krijgen van een beroerte met 20 procent verminderen. Dit concludeert Peter Hollman van de Afdeling Humane Voeding en het RIKILT, beide onderdeel van Wageningen UR, in een publicatie die vorige maand verscheen in The Journal of Nutrition.

Thee is goed voor hart en bloedvaten, dat weten we al een tijdje, maar recent onderzoek maakt duidelijk welke stoffen hiervoor verantwoordelijk kunnen zijn. Wetenschappers vermoedden al een tijdje dat dit gezondheidseffect op het conto kon worden geschreven van flavonoiden. Dit is een grote groep stoffen die veel in plantaardige producten voorkomt en o.a. een anti-oxiderende werking heeft.‘Studies naar het gezondheidseffect van flavonoid-rijke voeding lieten een consistent positief effect op hart en vaten zien’, vertelt Hollman. ‘De grote vraag is of en welke flavonoiden nu precies verantwoordelijk zijn voor die effecten.’

Fikse afname
Hollman analyseerde de relatie tussen inname van verschillende soorten flavonoiden en het krijgen van een beroerte. In zijn metanalyse betrok hij meer dan 100.000 proefpersonen uit zes gepubliceerde studies. Specifieke flavonoiden, de flavonolen, bleken een effect te hebben op het beroerterisico. ‘Bij een flavonolinname die overeenkomt met de hoeveelheid die in drie koppen thee zit, kun je de kans op een beroerte met 20 % verminderen’, vertelt Hollman. ‘Dat is een fikse afname.’

Moeten we nu allemaal massaal aan de thee om van dat beschermend effect tegen een beroerte te profiteren? Dat valt gelukkig mee, want je kunt de flavonolen ook binnen krijgen door groenten en fruit, chocola, of rode wijn te nuttigen.

In Codex Medicus: Cerebrovasculair accident

Bron: Wageningen UR
Belangrijke DNA-marker voor blaaskanker ontdekt


Nijmegen, 29 maart 2010 - Het UMC St Radboud heeft een belangrijk internationaal succes geboekt in de zoektocht naar de aanleg voor het krijgen van blaaskanker. Een analyse van meer dan 300.000 DNA-markers per individu bij bijna 2.000 blaaskankerpatiënten en bij 40.000 controles leverde een interessante ontdekking op. Een éénletter variant in een gen op chromosoom 4, TACC3 geheten, bleek duidelijk geassocieerd met het risico voor blaaskanker. Bovendien heeft de variant invloed op de prognose van blaaskanker.

De bevinding is gecontroleerd in nog eens 2000 patiënten en 6000 controles uit België, Engeland, Italië, Spanje, Duitsland, Roemenië, Hongarije, Slowakije, Zweden en Nederland. Die controle bevestigde het beeld.

De variant in het TACC3-gen (sommige mensen hebben op die plek een letter T, anderen een A) ligt dichtbij een ander gen, met de naam FGFR3. Mutaties van FGFR3 worden gevonden in het merendeel van die blaastumoren, die een gunstige prognose hebben. De onderzoekers gingen daarom na of de variant in TACC3 iets te maken zou kunnen hebben met FGFR3. Dat bleek inderdaad het geval. In weefsel van blaastumoren met een gunstige prognose bleek FGFR3 meer tot expressie te komen bij patiënten met de T-variant. Bovendien bleken deze patiënten ook veel vaker mutaties te hebben in het FGFR3-gen in hun tumor.

Verder blijkt, dat patiënten met de T-variant een grotere kans hebben dat hun tumor na een operatieve verwijdering terugkomt dan patiënten, die de A-variant in hun beide chromosomen hebben. De Nijmeegse onderzoeksleider, prof.dr. Bart Kiemeney, verklaart: ‘Dit is één van de eerste keren dat er een DNA-marker is gevonden die niet alleen het risico voor een ziekte verhoogt, maar daarnaast ook de prognose beïnvloedt. Ook is het de eerste keer, dat bij een niet-erfelijke tumorvorm een genetische variant is gevonden, die geassocieerd is met verworven mutaties in de tumoren.’

Het mechanisme achter deze vondst is nog niet opgehelderd. Toch kunnen de onderzoeksresultaten ertoe leiden, dat FGFR3 nu ook in therapeutisch opzicht in de belangstelling komt te staan, aldus Kiemeney. Blaaskanker is een van de meest voorkomende tumoren, vooral omdat de ziekte na behandeling bij meer dan de helft van de patiënten, vaak meer dan eens, terugkeert. Daarmee is het voor de gezondheidszorg de duurste vorm van kanker.

 

In Codex Medicus: Urotheeltumor


Bron: UMC St Radboud

Percentage besmette teken hoger dan voorgaande jaren

Wageningen, 26 maart 2010 - Het percentage teken dat in 2009 besmet was met de Borrelia-bacterie is hoger dan in 2007 en 2008. Zowel in het voorjaar als in het najaar bleek achttien procent besmet te zijn. Deze teken kunnen de ziekte van Lyme veroorzaken. Uit de registratie van tekenbeten blijkt dat elf procent van de tekenbeten wordt opgelopen bij het spelen. Dat blijkt uit nieuwe cijfers die Wageningse onderzoekers voorafgaand aan de Week van de Teek (29 maart tot 4 april), bekendmaken.

Vrijwilligers van het IVN vangen sinds de zomer van 2006 maandelijks teken op trajecten van 200 vierkante meter op 14 vaste locaties in het kader van het Natuurkalender-project van Wageningen University, onderdeel van Wageningen UR. Hieruit blijkt dat het aantal teken dat gevangen wordt het hoogste is van mei tot september (Figuur 1, zie pdf-bijlage). Het aantal nimfen, het ontwikkelingsstadium na de larven, is het hoogst in mei en juni, terwijl de meeste larven worden aangetroffen in de maanden juli en augustus. De piek van het aantal larven lag in 2009 hoger dan in de voorgaande jaren.In alle groeistadia kan een teek vogels en zoogdieren bijten.

Op alle onderzochte locaties zijn teken aangetroffen die zijn geïnfecteerd met de ziekmakende  Borrelia-bacterie. Net als in voorgaande jaren varieert het gemiddelde infectiepercentage van de teken sterk tussen de seizoenen. In de voorgaande jaren leek het besmettingspercentage in het voorjaar (maart - mei) duidelijk lager te liggen dan in het najaar (september - november). Deze trend zette zich in 2009 niet voort. Het besmettingspercentage was in het voorjaar van 2009 opvallend hoog met 18,4 procent en daarmee zelfs iets hoger dan in het najaar van 2009.

Spelen
Net als in voorgaande jaren worden de meeste tekenbeten opgelopen in het bos en in de tuin. Aan de lijst met mogelijke activiteiten waarbij een tekenbeet is opgelopen werd in 2009 de categorie ‘Spelen’ toegevoegd. Het blijkt dat elf procent van de teken bij het spelen is opgelopen. Spelen komt daarmee op de derde plaats achter ‘Wandelen’ (34%) en tuinieren (18%). De meeste tekenbeten werden gemeld in de maanden mei tot en met augustus wat overeenkomt met de periode waarin ook de meeste teken gevangen werden. Opvallend in 2009 was dat voor het eerst de meeste tekenbeten werden gemeld door mensen in de leeftijd tussen de 60 en 69 jaar (20,4%). Het aantal was daarmee vergelijkbaar met de categorie 50 tot 59 jaar (20,1%). In 2009 werden er ten opzichte van de voorgaande jaren ruim twee keer zo weinig tekenbeten gemeld (4%) door mensen in de leeftijdscategorie 20 tot 29 jaar. Het is onduidelijk wat de reden hiervoor is.

In Codex Medicus: Lymeziekte

Bron: Wageningen UR
Ook minister Klink vindt bewaartermijn dossiers van 15 jaar te kort


Den Haag, 26 maart - Demissionair minister van VWS Klink is het eens met de KNMG dat de huidige bewaartermijn van vijftien jaar voor medische dossiers te kort is.


Klinkt antwoordt op kamervragen van Kamerlid Van Gerven (SP): 'Ik deel de mening van ondere andere de KNMG dat de huidige bewaartermijn te kort is. Ik ben dan ook voornemens om in het voorstel voor de Wet cliëntenrechten zorg (Wcz) de bewaartermijn te verlengen.'


Over de wettelijke vernietigingsplicht die per 1 april 2010 zou gaan gelden voor dossiers ouder dan 15 jaar schrijft Klink: 'Ik zal tijdig voor 1 april as. een brief aan veldpartijen sturen, waarin ik benadruk dat uit oogpunt van goed hulpverlenerschap extra zorgvuldigheid is gewenst inzake het bewaren van de medische dossiers', 'mede in het licht van de voorgenomen verlenging van de bewaartermijn.' Klink roept zorgverleners op om 'vanuit hun deskundigheid en de plicht van een goed hulpverlener met patiënten het belang van langer bewaren te bespreken, als zij de gegevens willen laten vernietigen. '


De KNMG handhaaft haar eerdere oproep aan artsen om patiëntendossiers ouder dan vijftien jaar niet te vernietigen.


In Codex Medicus: Medisch dossier


Bron: Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Open dag Albert Schweitzer ziekenhuis levert elf gevallen van huidkanker op


Zwijndrecht, 24 maart 2010 - Tijdens de open dag van het Albert Schweitzer ziekenhuis in Zwijndrecht op zaterdag 20 maart, hebben dermatologen bij het publiek elf zeer waarschijnlijke gevallen van huidkanker geconstateerd: acht basaliomen, een spinalioom en twee melanomen.


De specialisten Ids Boersma en Koos Schuller (Albert Schweitzer ziekenhuis) en professor Arnold Oranje (Erasmus MC) - samen goed voor ruim een eeuw ervaring in huidziekten - boden bezoekers van de open dag een laagdrempelige gelegenheid om naar oneffenheden op de huid te laten kijken. Ruim 350 mensen (van de 4000 bezoekers van de open dag) maakten gebruik van dit eenmalig spreekuur, genaamd ‘Check je Vlekje'.


Consequenties
,,Aan de uitkomst van dit spreekuur kun je zien hoe belangrijk het is om een plekje op de huid dat je niet vertrouwt, of dat langzaam verandert, zo spoedig mogelijk aan een arts te laten zien", concludeert Boersma. ,,Misschien dat deze elf patiënten daarmee langer zouden hebben gewacht, als ze niet op onze open dag waren gekomen. De bijbehorende klachten zijn minimaal, maar de consequenties kunnen enorm zijn. Aan een te laat behandeld melanoom kun je uiteindelijk doodgaan."


Huisarts
De mensen bij wie een vorm van huidkanker werd vastgesteld, hebben een verwijsbrief meegekregen en het advies zich nog deze week bij hun huisarts te melden voor doorverwijzing. Boersma: ,,Het traject begint bij de huisarts. Ons spreekuur was bedoeld om het publiek te laten zien hoe wij werken en wat wij kunnen, niet om patiënten te werven. Wij hebben met de huisartsen in ons verzorgingsgebied een zeer goede samenwerking. Zij zijn trouwens in het algemeen ook erg kundig in het vroeg diagnostiseren van huidaandoeningen. Maar dan moet de patiënt natuurlijk wel komen."

Formeel gaat het in de elf genoemde gevallen nog om verdenkingen van kanker. Boersma: ,,De patholoog-anatoom moet officieel bevestigen dat het om kanker gaat. Maar ga er maar vanuit dat wij er niet vaak naast zitten."


In Codex Medicus: Huidcarcinoom


Bron: Albert Schweitzer ziekenhuis

Eerste gekruiste niertransplantaties in België


Antwerpen, 23 maart 2010 - Zes nierpatiënten en donoren, vijf in Wallonië en Brussel en 1 uit Vlaanderen, bereiden zich voor op de eerste gekruiste niertransplantaties in België. Daarbij geeft de donor van de ene nierpatiënt zijn orgaan anoniem aan een tweede patiënt. Diens donor geeft op zijn beurt een nier aan de eerste patiënt.

De kruistechniek is een absolute primeur voor België. Deze aanpak moet meer nierpatiënten de kans bieden om op korte termijn een geschikt vervangorgaan te vinden.

"De meeste patiënten vinden wel een geliefde of iemand van de familie die bereid is een nier af te staan, maar vaak lukt dat niet doordat hun bloed- en weefselgroepen verschillen of omdat er ongunstige antistoffen zijn. Nu heeft de ethische commissie een protocol goedgekeurd zodat patiënten van donor mogen ruilen", zegt Dirk Ysebaert, transplantatiechirurg van het Universitair Ziekenhuis Antwerpen (UZA).

Dankzij de donorruil gaat ook de kwaliteit van de donororganen er fors op vooruit. "Organen van gezonde, levende donoren gaan veel langer mee dan die van mensen die hersendood zijn verklaard. Patiënten die zo'n 'dode' nier kregen, zijn na 10 jaar al aan een volgende transplantatie toe. De organen van levende donoren gaan gemakkelijk 25 tot 30 jaar mee."

In Codex Medicus: Niertransplantatie

 

Bron:  Universitair Ziekenhuis Antwerpen

Onderzoek naar mogelijke besmettingsbron geelzucht via voedsel


Den Haag, 22 maart 2010 - In Nederland is bij 14 personen geelzucht (hepatitis A) vastgesteld. Zij zijn in Nederland besmet, vermoedelijk via voedsel. Afgelopen jaar vonden vergelijkbare voedselgerelateerde uitbraken plaats in Australië en Frankrijk. Nederland is daarmee mogelijk het derde land in de wereld waar een hepatitis A-uitbraak is ontstaan door voedsel.


De specifieke variant van het hepatitis A-virus van de Nederlandse patiënten is exact hetzelfde als het virus dat eerder is gevonden bij de patiënten in Australië. De Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) onderzoekt in samenwerking met de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), de Europese Unie, het RIVM en GGD's de herkomst van de besmetting.


Vorig jaar informeerde Australië de WHO over een grote uitbraak van patiënten met een hepatitis A-infectie. Epidemiologisch onderzoek toonde aan dat er waarschijnlijk een relatie was met de consumptie van halfgedroogde tomaten.


De bron van de besmetting in Nederland is nog niet duidelijk. Wel staat vast dat het virus dat bij de 14 patiënten is gevonden, identiek is aan het specifieke hepatitis A-virus van de patiënten in Australië. De VWA gebruikt de bevindingen uit Australië in haar onderzoek naar de besmettingsbron.


Een hepatitis A-virusinfectie kan leiden tot geelzucht. Het virus is zeer stabiel en kan via ontlasting van mens op mens worden overgedragen maar ook via besmet voedsel, water of besmette oppervlakken. Jaarlijks krijgen in Nederland enkele honderden mensen hepatitis A. Meestal is de infectie dan in het buitenland opgelopen.


In Codex Medicus: Hepatitis A

Bron: VWA

Dag van de Slaap neemt slaapproblemen bij ouderen onder de loep


Brussel, 19 maart 2010 - Bijna de helft van de Belgische 65-plussers klaagt over slaapproblemen. Naarmate men ouder wordt, ondergaat het slaappatroon enkele belangrijke veranderingen. Oudere mensen slapen korter en minder diep, maar frequenter. Dat ze minder slaap zouden nodig hebben, is dan ook een misvatting. Om het publiek beter te informeren, wordt de Internationale Dag van de Slaap op 21 maart gewijd aan het thema ‘Slaap en leeftijd’.

Maar liefst 44 procent van de 65-plussers klagen over hun slaap. De meeste slaapstoornissen zijn het gevolg van lichamelijke of psychiatrische aandoeningen en de medicatie die men hiervoor moet nemen. Dat is niet verwonderlijk, als men weet dat 24 procent van de 65- tot 84-jarigen lijdt aan meerdere chronische problemen zoals cardiovasculaire problemen, neurologische klachten, urologische aandoeningen, artritis, pijn en zo meer (bron: www.sleepfoundation.org).

Bovendien ondergaat onze slaap enkele belangrijke veranderingen naarmate we ouder worden. De diepe slaap wordt minder prominent, waardoor we sneller wakker worden. Ook het slaap-waakritme verandert: het verschuift wat naar voor zodat we ’s avonds eerder in slaap vallen en ‘s ochtends vroeger ontwaken. Heel wat mensen denken daardoor dat oudere mensen minder slaap nodig hebben, maar dit klopt niet. De totale slaapbehoefte per etmaal blijft gelijk (zo’n 7 tot 8 uur), maar het slaappatroon van de mensen wordt verstoord en vaak ook versnipperd. Velen doen na hun pensioen ook een dutje overdag, en naarmate ze ouder worden dat er vaak zelfs meerdere. De definitie van insomnie of slapeloosheid is dan ook niet makkelijk, omdat mensen af moeten van de comfortabele afwisseling van één periode waken gevolgd door één periode slapen per etmaal, die ze tijdens de vorige decennia van hun leven gewoon waren. De oorzaak van deze ritmeverschuiving ligt waarschijnlijk in de verminderde productie van bepaalde hormonen op latere leeftijd, zoals het groeihormoon en melatonine.

Maar hoewel er al veel bekend is over slaap bij jonge volwassenen en bij ouderen, weten wetenschappers nog weinig over de slaap op middelbare leeftijd. Dit is een periode met veel belangrijke veranderingen, zowel op lichamelijk vlak (meno- en penopauze) als op psychologisch vlak (puberende kinderen, het lege-nestsyndroom, brugpensioen etc). In deze fase kan de basis worden gelegd voor eventuele slaapstoornissen later in het leven. Daarom start het slaaplabo van de Vrije Universiteit Brussel in samenwerking met wetenschappers van de K.U.Leuven en het UZ Antwerpen een grootschalig onderzoek naar de slaap bij gezonde mensen in de leeftijdsgroep van 46 tot 65 jaar.

In Codex Medicus: Slaappatroon en slaapstoornissen

 

Bron: Vrije Universiteit Brussel

Eicelopbrengst IVF voorspelt succesvolle afloop zwangerschap


Groningen, 18 maart 2010 - De hoeveelheid gevonden eicellen bij een IVF-behandeling heeft een voorspellende waarde voor de kans op een miskraam of een chromosomaal afwijkende zwangerschap. Dat blijkt uit het promotieonderzoek van klinisch geneticus in opleiding Maaike Haadsma van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Haadsma onderzocht de afname aan eicelhoeveelheid en eicelkwaliteit naarmate vrouwen ouder worden. Zij promoveert 24 maart 2010 aan de Rijksuniversiteit Groningen.

De gemiddelde leeftijd waarop vrouwen in Nederland voor het eerst moeder worden is de afgelopen dertig jaar gestegen van ruim 24 jaar in de jaren 1970 tot ruim 29 jaar nu. Op latere leeftijd hebben vrouwen echter een kleinere kans om zwanger te worden en als ze zwanger worden krijgen ze vaker een miskraam. Bovendien is de kans op een kind met een chromosomale afwijking groter. Dit fenomeen wordt reproductieve veroudering genoemd.


Afname kwaliteit en kwantiteit
Reproductieve veroudering wordt veroorzaakt door een afname van de hoeveelheid en kwaliteit van de eicellen en leidt uiteindelijk tot de menopauze. De afname in eicelkwaliteit wordt veroorzaakt door een toename in delingsfouten, waardoor eicellen ontstaan met een chromosoom te veel of te weinig. Het is onbekend of de afname in eicelkwantiteit ook samenhangt met de afname in eicelkwaliteit. Als dit zo is, dan heeft de gemeten eicelvoorraad van een vrouw wellicht voorspellende waarde voor haar kans op een zwangerschap, miskraam of chromosomaal afwijkend kind.


Eicelopbrengst bij IVF
Klinisch geneticus in opleiding Maaike Haadsma onderzocht verschillende methodes om eicelvoorraden te meten. Zij bekeek onder andere gegevens van ruim 1800 vrouwen die zwanger waren geworden na een IVF-behandeling. Bij IVF rijpen door toediening van hormonen meerdere eicellen tegelijkertijd uit. Haadsma wilde weten of het aantal eicellen dat bij IVF-behandeling wordt verkregen (eicelopbrengst), een voorspeller is voor een succesvolle afloop van de zwangerschap. Zij ontdekte dat dit inderdaad zo bleek te zijn: bij een hoge eicelopbrengst bij IVF is de kans op een levend geboren kind zonder chromosoomafwijking groter.


In Codex Medicus: In-vitrofertilisatie


Bron: Rijksuniversiteit Groningen

Drugsgebruik door jonge Belgen stijgt explosief


Brussel, 17 maart 2010 - Het aantal jongeren dat zware drugs gebruikt is spectaculair gestegen tegenover twee jaar geleden. Bij een groot deel van de gebruikers blijft het niet bij een keer. Jongeren spiegelen zich vaak aan hun idolen. Door het onverantwoord voorbeeldgedrag van die iconen worden jongeren ook meer aangezet tot gebruik.
In maart 2009 ondervroegen onderzoekers van het Onderzoeks- en Informatiecentrum van de Verbruikersorganisaties (OIVO) 2630 jongeren tussen 12 en 17 in de Belgische scholen. De bedoeling was te peilen naar het cannabisgebruik en andere zware drugs bij jongeren en de beleidsmakers gegevens ter hand te stellen in verband met het drugsgebruik bij jongeren.


Cannabisgebruik start al zeer jong
- Meer dan 1 op de 4 jongere geeft toe al cannabis te hebben gebruikt.
- Jongeren van 12 jaar gebruiken al cannabis. De gemiddelde leeftijd is 14 jaar en 2 maanden.
- Bij de 16-jarigen is het cannabisgebruik het hoogst:14 % van hen is gebruiker.
- Tegenover een gelijjkaardig onderzoek in 2007 is de frequentie van het gebruik verdubbeld. Het bedraagt nu 10,1 keer.
- Het gebruik van cannabis gaat vaker gepaard met het drinken van alcohol.
- Jongeren zijn er zich nochtans zeer goed van bewust (74%) van het verslavende karakter van cannabis.
- Amper 9 % van de jongeren probeert met het gebruik van cannabis te stoppen.
- Bijna een vierde van de jongeren voelt zich verslaafd aan cannabis. Dat is een stijging van 7 % vergeleken met vorig jaar.
- Praten over het gebruik ervan kan cannabisgebruik bij jongeren helpen voorkomen. De rol van de ouders is heel belangrijk bij de preventie.

Gebruik van zware middelen explosief gestegen
- Tegenover 2007 is het gebruik van zware middelen (hallocinogenen, xtc en cocaîne verdubbeld.
- Het aantal jongeren die cocaïne en ketamine gebruikten is meer dan verdubbeld.
- Heel erg opvallend zijn de stijgingen van het meermaals gebruik van middelen (XTC-cocaïne-hallucinogenen) Waar het in 2007 slechts enkele keren voorkwam heeft de meerderheid in 2009 al verscheidene keren gebruikt.
- Vaak worden drugs gebanaliseerd, zeker cannabis. Het gebruik wordt gerelativeerd en de gezondheidsrisico's vergeten. En ook het gevoel dat iedereen het doet heeft een drempelverlagende werking.
- Als bekende mensen openlijk uitkomen voor hun druggebruik zet dit de jongeren aan om het gedrag van hun idolen te kopiëren.

In Codex Medicus: Drugs

Bron: Onderzoeks- en Informatiecentrum van de Verbruikersorganisaties

Twijfel over clopidogrel


Utrecht, 16 maart 2010 - Patiënten die langer dan een jaar een geneesmiddelafgevende stent in hun hartvaten hebben, krijgen naast acetylsalicylzuur soms ook clopidogrel. Het is echter de vraag of dat zin heeft.

Koreaanse onderzoekers verdeelden 2701 patiënten in twee groepen. Eén groep kreeg alleen acetylsalicylzuur, de andere kreeg er ook clopidogrel bij. Het gecombineerde eindpunt van cardiale sterfte of een hartaanval deed zich na gemiddeld 19,2 maanden in beide groepen vrijwel even vaak voor: 1,2 procent bij monotherapie versus 1,8 procent bij duotherapie, geen significant verschil.

Hartaanvallen, beroertes en dood door alle oorzaken kwamen samen meer voor in de clopidogrelgroep, maar ook dit verschil was niet significant. De onderzoekers vermoeden dat dit toeval was, maar vinden wel dat meer onderzoek nodig is.

Aanleiding voor het onderzoek is dat geneesmiddelafgevende stents volgens veel onderzoeken beter zijn dan kale metalen stents. Na een jaar veroorzaken ze echter vaker trombose, dood of hartaanvallen. Volgens één theorie komt dat doordat te vroeg wordt gestopt met de duotherapie van plaatjesremmers. De optimale duur van de duotherapie is namelijk nog niet bekend.

Dit onderzoek brengt daar weinig verandering in, vinden de Koreaanse onderzoekers. Het aantal deelnemers was te klein voor de harde conclusie dat clopidogrel een jaar na plaatsing van een geneesmiddelafgevende stent niks toevoegt. Ook de commentator stelt dat artsen en patiënten voorlopig nog in onzekerheid moeten leven over de vraag of clopidogrel na een jaar nu goed is of niet.

In Codex Medicus: Intracoronaire stentimplantatie

 

Bron: Medisch Contact

Nieuw leukemie-gen ontdekt


Gent (B), 15 maart 2010 - Dr. Pieter Van Vlierberghe van de UGent heeft een gen ontdekt dat een cruciale rol speelt bij het ontstaan van leukemie. De ontdekking biedt perspectieven voor nieuwe behandelingen.

Het Gentse onderzoeksteam onder leiding van Prof. Frank Speleman, werkzaam in de dienst Medische Genetica van het Universitair Ziekenhuis in Gent meldt de ontdekking van een nieuw gen dat betrokken is bij leukemie. Het gaat om een vorm van acute leukemie, ook wel T-cel acute lymfoblasten leukemie of T-ALL genoemd. Deze ziekte komt voor bij zowel kinderen als bij volwassenen.

De ontdekking is belangwekkend om verschillende redenen. Het gen is gelegen op het X-chromosoom, wat ten dele verklaart waarom meer mannen dan vrouwen getroffen worden door T-ALL. Daarnaast vertoont het gen een defect bij bijna de helft van alle patiënten met deze vorm van bloedkanker. Dit wijst er op dat het gen een cruciale rol speelt bij het ontstaan van deze vorm van kanker en biedt tegelijk perspectieven voor nieuwe therapieën. Ten slotte codeert dit gen voor een eiwit met een bijzondere functie in de cel, met name het epigenetisch uitschakelen van de activiteit van bepaalde andere genen. Deze bevinding zal aanleiding geven tot verder onderzoek.

De ontdekking van het gen gebeurde door postdoctoraal medewerker Pieter Van Vlierberghe. Hij zet zijn onderzoek rond dit gen momenteel verder in een postdoctoraal fellowship aan de prestigieuze Columbia University in New York, USA. Hij blijft hiervoor nauw samenwerken met de Gentse onderzoeksgroep en zal bij zijn terugkeer in Gent rond dit onderwerp verder werken.

In Codex Medicus: Acute lymfatische leukemie (ALL)

 

Bron: Universiteit Gent

World Kidney Day aanleiding voor mailing aan huisartsenpraktijken over nieuwe richtlijn blijvende nierschade

Utrecht/Bussum, 12 maart 2010 - De vijfde editie van World Kidney Day gisteren stond volledig in het teken van diabetes, één van de belangrijkste risicofactoren voor het ontstaan van blijvende nierschade. De Nierstichting grijpt World Kidney Day aan om alle huisartsen in Nederland en hun praktijkondersteuner te attenderen op de nieuwe landelijke richtlijn voor de controle en behandeling van patiënten met nierschade.

Landelijke Transmurale Afspraak Chronische Nierschade
Op welk moment moet bij mild of matig nierfunctieverlies de behandeling starten om ernstig nierfalen en andere complicaties te voorkomen? En welk laboratoriumonderzoek is nodig om het resultaat van die behandeling te meten?
De Landelijke Transmurale Afspraak Chronische Nierschade geeft huisartsen en specialisten duidelijke handvatten voor de juiste handelswijze bij patiënten bij wie nierschade of eiwitverlies in de urine is vastgesteld. Deze richtlijn is bovendien een uitgangspunt voor huisartsen, internisten en nefrologen om in regionaal verband onderling afspraken te maken over de behandeling van patiënten met beginnende nierschade.

Mailing volgende week op de mat
De richtlijn is op initiatief van de Nierstichting en in samenwerking met het Nederlands Huisartsen Genootschap tot stand is gekomen Volgende week verspreiden en het NHG en de Nierstichting een speciale mailing aan huisartsen en hun praktijkondersteuners om hen te attenderen op deze nieuwe landelijke richtlijn.

In Codex Medicus: Nierschade bij diabetes mellitus

Bron: NHG
Mannelijke kankerpatiënten vragen het vaakst om euthanasie in België


Brussel, 11 maart 2010 - Sinds de invoering van de euthanasiewet in België in 2002 neemt het aantal euthanasiegevallen almaar toe. In vergelijking met alle sterfgevallen waren de mensen die de voorbije jaren stierven na euthanasie jonger, meer van het mannelijk geslacht, kankerpatiënt en stierven ze vaker thuis. Dat blijkt uit een studie van Tinne Smets en haar collega’s van de onderzoeksgroep Zorg rond het Levenseinde van de Vrije Universiteit Brussel.

Enkele maanden geleden maakten onderzoekers van de Vrije Universiteit Brussel al bekend dat het aantal euthanasiegevallen in ons land over de jaren is toegenomen sinds de invoering van de euthanasiewet in 2002. Met euthanasie bedoelt men levensbeëindiging door een arts op expliciet verzoek van de patiënt, in overeenstemming met een aantal strenge wettelijke voorschriften. In een nieuwe studie hebben de onderzoekers nu ook onderzocht wat het profiel is van de mensen die in die periode euthanasie hebben gevraagd en gekregen. Ze onderzochten alle 1917 euthanasiegevallen gerapporteerd tussen september 2002 en eind 2007. De overgrote meerderheid hiervan (83,1%) gebeurde in Vlaanderen. Deze wanverhouding kan worden verklaard door zowel een verschil in medische praktijk, alsook een grotere terughoudendheid in Wallonië om euthanasie te rapporteren aan de Evaluatiecommissie.

De overgrote meerderheid van de betrokken patiënten was terminaal ziek (93,4%); de overige 6,6% bestond uit niet-terminale patiënten met voornamelijk neuromusculaire ziekten. Hun aandeel is in de loop van de jaren niet toegenomen, in tegenstelling tot wat tegenstanders van de euthanasiewet vreesden. Ook het aandeel ouderen is niet significant toegenomen: amper 18 procent van de bestudeerde gevallen betrof mensen ouder dan tachtig.

Van de terminaal zieke patiënten leed de meerderheid aan kanker. Volgens hun arts gaven zij meestal aan fysiek ondraaglijk te lijden, terwijl bij de kleine groep niet-terminale patiënten vaker psychologisch lijden aangehaald werd bij hun verzoek.

Uit de cijfers tekent zich duidelijk een profiel af van de mensen die de voorbije jaren euthanasie gekregen hebben. In vergelijking met alle overlijdens zijn ze meestal jonger, van het mannelijk geslacht, leden ze aan kanker en stierven ze vaker thuis. De euthanasie gebeurde meestal door toediening van barbituraten in combinatie met spierverslappers, en zelden uitsluitend met morfine.

In Codex Medicus: Euthanasie

 

Bron: Vrije Universiteit Brussel

 

12,5 miljoen euro voor vroege opsporing reumatoïde artritis

Eindhoven-Amsterdam, 10 maart 2010 - Reuma is al op te sporen in het bloed voordat de ziekte zich openbaart. Door een vroegtijdige diagnose en eerder ingrijpen verbetert het leven voor reumapatiënten aanzienlijk. Mede-auteur van de Codex Medicus prof. Bijlsma (UMC Utrecht) is nauw betrokken bij het project.


Twaalf miljoen euro wordt uitgetrokken voor onderzoek naar het veelbelovende patiëntenprofiel. Het Reumafonds legt hier nog eens een half miljoen euro bovenop. Het TRACER onderzoek is een project van het Nederlandse technologisch topinstituut Center for Translational Molecular Medicine (CTMM) en start vandaag. Onderzoek vindt plaats bij grote spelers op het gebied van reumaonderzoek op locaties in heel Nederland.


Zes universitaire afdelingen reumatologie gaan samenwerken met 17 industriële partners die onderdelen van dat patiëntenprofiel ontwikkelen. Onderzoek richt zich op moderne beeldvormende technieken, zoals PETscan, 7Tesla MRI, snellere en betrouwbaarder analyse van röntgenfoto's. Daarnaast is er een enorme ontwikkeling op het gebied van verfijnde immunologische en genetische technieken, waarmee een moleculair profiel uit het bloed van patiënten kan worden vastgesteld. De combinatie van al deze technieken kan leiden tot voorspellende modellen inzake diagnose, effect van behandeling en prognose.


"Als we in staat zijn om aan de hand van het profiel van de patiënt de response op therapie te voorspellen, dan besparen we de patiënt veel leed en de maatschappij kosten.", aldus Prof. dr. Hans Bijlsma, reumatoloog aan het UMC Utrecht en projectleider van TRACER.

Lodewijk Ridderbos, directeur van het Reumafonds: "Eén op de vijf Nederlanders heeft een vorm van reuma of artrose. Het Reumafonds besteedt 60% van haar inkomsten direct aan onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek. De opbrengsten uit de jaarlijkse collecteweek in maart zijn hiervoor van wezenlijk belang. We zijn ervan overtuigd dat het project TRACER bijdraagt aan ons motto: Help reuma de wereld uit! Daarom steunen wij TRACER met een half miljoen euro."


In Codex Medicus: Reumatoïde artritis


Bron: Reumafonds

Aantal Belgische jongeren dat amfetamines slikt verviervoudigd


Elsene, 9 maart 2010 - Meer dan 26.000 hyperactieven in België worden behandeld met amfetamines. In vier jaar tijd is het aantal jongeren dat Rilatine of Concerta voorgeschreven krijgt, meer dan verviervoudigd. Van 6.000 in 2004 tot meer dan 26.000 in 2008.
 
Wazige diagnose
"Het probleem is dat men steunt op een wazige diagnose om massaal een drug voor te schrijven die vergelijkbaar is met cocaïne en waarvan men de neveneffecten -slapeloosheid, anorexia, depressies bij stopzetting behandeling- kent", aldus Monique Debauche, psychiater van de Free Clinic in Elsene.


In Codex Medicus: Attention deficit hyperactivity disorder


Bron: Free Clinic

Roken verhoogt kans op prostaatcarcinoom


Columbia, 8 maart 2010 - Het roken van sigaretten kan het ontwikkelen van en overlijden aan prostaatkanker bij mannen verhogen. Samengestelde data van 24 studies onder 21.600 mannen hebben dit aangegeven.

De studie geeft aan dat er een verband lijkt te bestaan tussen het ontwikkelen van prostaatkanker en roken, aldus dr. Michael Huncharek van de Meta-Analysis Group in Columbia, South Carolina. In het 'American Journal of Public Health' publiceren Huncharek en zijn collega's hun meta-analyse, een researchmethode die de bevindingen van meerdere studies met elkaar verbindt.


Ze vonden "verrassend consistente aanwijzingen" dat zowel de kans dat prostaatkanker ontstaat als het eraan overlijden toeneemt bij roken.


In acht, meer gedetailleerde studies werd een 30% hogere sterftekans door prostaatkaner gevonden bij de zwaarste rokers tov niet-rokers. De kans op het ontstaan van deze tumor was 22% groter bij de zwaarste rokers tov niet-rokers.


Huncharek benadrukt dat zelfs uit de meta-analyse geen verhoogd risico op het ontstaan van of overlijden aan prostaatkanker bij individuele rokers kan worden vastgesteld. Hij roept op tot aanvullende research om zo ook de gevolgen te onderzoeken van het aantal gerookte sigaretten per dag en de duur van het rookgedrag op het ontstaan en de ontwikkeling van deze aandoening.


In Codex Medicus: Prostaatcarcinoom


Bron: American Journal of Public Health

Model voorspelt de beste behandeling voor eierstokkanker

Rotterdam, 5 maart 2010 - Artsen kunnen binnenkort beter voorspellen welke behandelstrategie de beste is bij een vergevorderde eierstoktumor. Erasmus MC's gynaecoloog Kees Gerestein heeft modellen gemaakt die voorspellen hoe groot de kans is dat een tumor tijdens een operatie volledig kan worden verwijderd.

Verantwoorde keuze
Nu is het voor artsen vaak lastig om te bepalen welke behandeling de meeste kans van slagen heeft. Artsen baseren hun keuze op hun eigen ervaring en voorkeur. Gerestein: 'De keuze hangt af van de kans op een succesvolle operatie en de kans op complicaties tijdens en na de ingreep. Voorspellingmodellen helpen artsen om objectief de meest verantwoorde keuze te maken.' Ook voorspellen de modellen het risico op complicaties tijdens de ingreep. Gerestein promoveert morgen op zijn onderzoek.

Duidelijkheid
Eierstokkanker is wereldwijd de op drie na dodelijkste vorm van kanker  onder vrouwen. In Nederland krijgen jaarlijks 1100 vrouwen  eierstokkanker en sterven er 900 mensen. Het kiezen van de beste behandeling is bij vergevorderdeeierstoktumoren lastig. De kanker heeft bij individuele patiënten een zeer wisselende presentatie en beloop.
Gerestein: 'Het geeft zowel artsen als patiënten duidelijkheid als ze weten voor welke behandeling in vergelijkbare gevallen is gekozen en  welke het meeste succes had.'

Verschillende behandelingen
Bij eierstokkanker zijn verschillende behandelingen mogelijk. In het ene  geval is het beter om eerst operatief zoveel mogelijk tumor te verwijderen en dan verder te behandelen met chemotherapie. In andere gevallen is het beter om te starten met chemo. Welke keuze het beste is, hangt onder andere af van de grote van de tumor en de conditie van een patiënte. Beeldvorming en bloedwaarden (zoals de hoeveelheid bloedplaatjes) voor de operatie spelen een belangrijke rol in het bepalen van de juiste behandelvolgorde. Door in het model onder andere dit soort gegevens in te voeren, rolt er een voorspelling uit.

Beste behandelstrategie
De voorspellingsmodellen kunnen een rol spelen bij het bepalen van de beste behandelstrategie. Als artsen alleen afgaan op hun eigen ervaring en voorkeur, kiezen ze in ongeveer de helft van de gevallen voor de behandeling die de meeste kans van slagen heeft. De voorspellingsmodellen geven in 70 tot 75 procent van de gevallen het beste resultaat. Dat percentage kan nog verder omhoog door de modellen verder uit te werken en te verbeteren.

In Codex Medicus: Carcinoom van het ovarium

Bron: Erasmus MC
Meer dan 10% jonge vrouwen besmet met HPV-virus


Nijmegen, 4 maart 2010 - Van de Nederlandse vrouwen van achttien tot dertig jaar is 11,8 procent besmet met één of meerdere van de HPV-virussen, die een verhoogd risico kunnen geven op baarmoederhalskanker later in het leven. Een besmetting met HPV 16 of HPV 18 komt voor bij respectievelijk 2,8 procent en 1,4 procent van deze leeftijdscategorie. Dit zijn de twee HPV-virussen, waartegen preventief vaccineren mogelijk is.

Deze cijfers komen uit het proefschrift van gynaecoloog in opleiding Charlotte Lenselink op basis van onderzoek dat zij verrichtte als onderzoeker bij het UMC St Radboud.

Uitgangspunt
HPV staat voor humaan papillomavirus. Dit virus kent vele varianten. De varianten HPV 16 en HPV 18 zorgen samen voor ongeveer zeventig procent van de gevallen van baarmoederhalskanker in Nederland. HPV wordt meestal, maar niet uitsluitend, overgedragen door seksueel contact. In 2008 is de vaccinatie tegen HPV 16 en 18 opgenomen in het rijksvaccinatieprogramma, waardoor jonge meisjes tegen latere besmetting met deze virusvarianten beschermd kunnen worden.

Promovenda Charlotte Lenselink verrichtte een onderzoek onder 2065 vrouwen van 18 tot en met 29 jaar. Ze deed dit voorafgaand aan de introductie in Nederland van het HPV-vaccinatieprogramma bij meisjes. ‘Zo krijgen we een beeld van de huidige verspreiding van het virus,’ zegt ze. ‘Daarmee hebben we een uitgangspunt, op basis waarvan we bijvoorbeeld later het effect van het vaccinatieprogramma kunnen beoordelen.’

 

Zelfsample
De vrouwen die deelnamen aan het onderzoek vulden een vragenlijst in en namen bij zichzelf wat slijm weg van de binnenkant van de vagina: een zelfsample. Het onderzoek was anoniem. De zelfsamples gaven informatie over de verspreiding van het virus onder deze leeftijdscategorie. Van hen is 11,8 procent besmet met één of meerdere van de HPV-virussen die een verhoogd risico geven op baarmoederhalskanker. HPV 16 kwam voor bij 2,8 procent en HPV 18 bij 1,4 procent.

Tot aan de leeftijd van 22 jaar nam de aanwezigheid van het virus aantoonbaar toe, vanaf deze leeftijd bleef het percentage constant. Hoe meer seksuele partners een vrouw heeft, hoe groter haar kans op een HPV-infectie. Uit vervolgonderzoek bleek dat de HPV-infectie bij een deel van de vrouwen vanzelf was overgegaan, maar ook, dat vervolgens een besmetting met een ander of hetzelfde HPV-type kan optreden.

 

Model
Vrouwen die momenteel tussen de achttien en dertig jaar oud zijn, vallen buiten het vaccinatieprogramma en komen ook niet in aanmerking voor een uitstrijkje, het screeningsprogramma op baarmoederhalskanker. Vooral voor deze leeftijdsgroep heeft Lenselink een model ontwikkeld, waarmee een goede inschatting te maken is van de kans dat iemand nog niet met HPV 16 of 18 besmet is. In dat geval is vaccinatie nog zinvol. Het model is gebaseerd op leeftijd, aantal en geslacht van seksuele partners, condoomgebruik en coïtusfrequentie. Op basis van de uitkomst van dit model kan een vrouw informatie krijgen over haar individuele risico en zelf bepalen of een vaccinatie nog nut kan hebben.

In Codex Medicus: HPV

 

Bron: UMC St Radboud

Erasmus MC breidt nierdonatie bij leven fors uit


Rotterdam, 3 maart 2010 - Het Erasmus MC heeft in Europa het grootste programma voor nierdonatie bij leven ontwikkeld, met momenteel ruim honderdtwintig donorniertransplantaties per jaar. Het aantal levende nierdonaties ligt inmiddels op 942 sinds 1981. Het chronisch tekort aan organen van overleden donoren heeft het Erasmus MC ertoe gezet te zoeken naar alternatieven in de vorm van levende nierdonaties.

Verbetering donatietechniek
Het Erasmus MC heeft de intentie om vanaf 2013 per jaar 230 niertransplantaties te verrichten. Verdere verbetering van de donatietechniek past in de strategie om het ongemak voor de donor zoveel mogelijk te beperken, het aantal complicaties terug te dringen en de kosten voor de gezondheidszorg te beperken. De infrastructuur die is ontwikkeld heeft geleid tot de ontwikkeling van een multidisciplinair team, dat garant staat voor een hoge kwaliteit chirurgie en patiëntenzorg.


Reduceren sterfte
Nierdonatie bij leven is op dit moment de meest effectieve manier om het tekort aan donornieren op te lossen. Hierdoor kan de sterfte van patiënten die lijden aan nierfalen worden gereduceerd en de wachtlijst voor transplantaties worden beperkt. Bovendien is het mogelijk te transplanteren voordat dialyse is vereist. Daarmee worden andere ingrepen die nodig zijn voor dialyse voorkomen, inclusief de daaraan gerelateerde kosten en ziekte. In de laatste jaren neemt het aantal nieren dat niet afkomstig is van directe familieleden van nierpatiënten toe. Steeds meer vrienden gaan over tot donatie bij leven en zelfs anonieme donatie neemt toe. Het is duidelijk dat het ethisch draagvlak voor nierdonatie bij leven verandert. Hoe verder de donor van de ontvanger afstaat, des te kleiner en minder duidelijk is het voordeel voor de donor in de dagelijkse omgang. Tegen deze achtergrond is het essentieel dat de chirurgische technieken geperfectioneerd worden en dat de veiligheid van de donor zo goed mogelijk wordt gewaarborgd.


In Codex Medicus: Niertransplantatie (Transplantatiegeneeskunde)

In Codex Medicus: Orgaandonatie (Gezondheidsrecht)


Bron: ErasmusMC

Lichamelijke inspanning als medicijn voor type 2 suikerziekte

Maastricht, 2 maart 2010 - Door twaalf weken lang een lichamelijk inspanningsprogramma te volgen, kunnen mensen met type 2 diabetes mellitus (niet-aangeboren suikerziekte) het aantal actieve mitochondriën (energiecentrales) in de spier normaliseren. Hierdoor verbetert ook de suikeropname in de spier en normaliseert de capaciteit waarmee de spier kan wisselen tussen suiker- en vetverbranding. Dat blijkt uit onderzoek door drs. Ruth Meex binnen de onderzoeksgroep van dr. Matthijs Hesselink, dr. Patrick Schrauwen en collega’s van het Nutrition and Toxicology Research Institute Maastricht (NUTRIM) van de Universiteit Maastricht.

Patiënten met type 2 suikerziekte nemen minder suikers op in de spier en hebben minder actieve ‘energiecentrales’ (mitochondriën) in de spieren. Hierdoor kunnen ze minder goed wisselen tussen suiker- en vetverbranding als het aanbod van suikers en vetten aan de spier verandert, zoals na een maaltijd. Het gevolg: een stijgende bloedsuikerspiegel. Suiker die onder invloed van insuline door de spier wordt opgenomen kan door mitochondriën worden gebruikt als energiebron of kan worden opgeslagen in de spier.

De verbetering van de suikeropname onder invloed van het trainingsprogramma, wordt vrijwel volledig verklaard door toename van het gebruik van suikers als energiebron, terwijl de opslag van suikers in de spier niet noemenswaardig verbetert. Voor complete normalisatie van de insulinegevoeligheid is het zodoende zaak verder te onderzoeken hoe de opslag van suikers onder invloed van insuline wél kan worden verbeterd.

Onderzoeker Matthijs Hesselink: “Het is bovendien interessant dat het trainingsprogramma niet alleen de gevoeligheid van de spier voor insuline verbetert, maar dat ook de lever en het vetweefsel insulinegevoeliger worden door training. Opmerkelijk genoeg treedt deze gezondheidswinst op zonder relevant verlies van lichaamsgewicht en vertaalt het zich nog niet in verbetering van de klassieke klinische parameters zoals nuchtere bloedsuikerspiegels. Dat impliceert dat de positieve gezondheidseffecten van lichamelijke inspanning deels onopgemerkt blijven wanneer slechts klassieke klinische parameters worden gebruikt ter evaluatie.” 

In Codex Medicus: Diabetes mellitus

Bron: Universiteit Maastricht
Toch geen virus bij chronische vermoeidheid


Nijmegen, 1 maart 2010 - Onderzoekers van het UMC St Radboud, waaronder experimenteel viroloog dr. Frank van Kuppeveld en mede-auteur van de Codex Medicus internist prof.dr. Jos van der Meer, hebben in het bloed van Nederlandse patiënten met het chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) geen XMRV-virussen aangetroffen. Daarmee weerleggen zij Amerikaans onderzoek, dat in oktober 2009 in Science gepubliceerd is. Hierin werd een verband tussen dit virus en het chronisch vermoeidheidssyndroom geclaimd. Het Nijmeegse onderzoek verscheen vorige week in het British Medical Journal.

Retrovirus
Al vele jaren zijn medisch onderzoekers op zoek naar de biologische oorzaak van het chronisch vermoeidheidssyndroom. Patiënten met CVS werden op allerlei verdachte virussen getest, maar altijd zonder resultaat. Afgelopen oktober leek er weer een doorbraak te zijn: Amerikaanse onderzoekers meenden een verband te kunnen leggen tussen een bepaald retrovirus, XMRV genaamd, en het chronisch vermoeidheidssyndroom. Het onderzoek werd gepubliceerd in het beroemde wetenschappelijke tijdschrift Science en alleen al daarom werd het als erg geloofwaardig beschouwd.

Twijfels
Toch twijfelden internationale CVS-deskundigen, waaronder prof.dr. Jos van der Meer van het UMC St Radboud in Nijmegen, aan de waarde van het onderzoek. Van der Meer besloot om het Science-onderzoek te herhalen, met bloed van een duidelijk gedefinieerde groep patiënten en van een speciaal op deze patiënten gematchte controlegroep. Het onderzoek, een samenwerkingsverband tussen diverse afdelingen van het UMC St Radboud, is uitgevoerd op een wijze die vergelijkbaar is met het Amerikaanse onderzoek. De gebruikte onderzoekstechniek is zeer gevoelig, dat wil zeggen uitermate geschikt om het gezochte XMRV-virus, indien aanwezig, aan te tonen. Maar noch in het bloed van de 32 patiënten, noch in dat van de 43 controles werd het retrovirus aangetroffen. Het is dan ook erg onwaarschijnlijk dat dit virus iets met CVS te maken heeft, aldus de onderzoekers. “Voor mensen met het chronisch vermoeidheidssyndroom is het natuurlijk ontzettend vervelend dat we opnieuw moeten vaststellen dat er geen virus in het spel is,’ zegt Van der Meer. ‘Ik had hun graag meer zekerheid over de oorzaak van CVS gegeven.’


Hoe het komt dat de Amerikanen het virus wel vonden en de Nijmegenaren niet, is nog onduidelijk. Van Kuppeveld houdt er rekening mee dat de bloedmonsters die de Amerikanen gebruikt hebben, afkomstig waren van een speciale patiëntengroep die niet representatief is voor het overgrote deel van de CVS-patiënten. Ook Britse onderzoekers konden tot twee maal toe geen XMRV-virus vinden in het bloed van patiënten met CVS.

In Codex Medicus: Myalgische encefalomyelitis

Bron: UMC St Radboud

Risico’s op galwegschade na levertransplantatie verder in kaart gebracht

Groningen, 26 februari 2010 - Sinds 1979 zijn er in Nederland meer dan 1000 levertransplantaties verricht. De resultaten van de transplantaties worden steeds beter. De kans dat de donorlever faalt, of dat er andere complicaties optreden, blijft echter aanzienlijk. Promovendus Harm Hoekstra ging op zoek naar de risicofactoren voor beschadiging en vernauwingen van de galwegen na levertransplantatie.

Uit zijn onderzoek blijkt dat de oorzaken van galwegschade na levertransplantatie in drie categorieën kunnen worden ingedeeld: onvoldoende doorbloeding van de lever, negatieve invloed van galzouten en een natuurlijke afweerreactie van het lichaam tegen de donorlever. Hoekstra beschrijft ook risicofactoren voor vernauwingen van de galwegen. Dit zijn onder meer leverdonatie na hartdood van de donor, leeftijd van de donor, primaire scleroserende cholangitis bij de ontvanger en het optreden van infectie met het cytomegalovirus na transplantatie. Een verstoorde regulatie van galzouttransporters in de lever speelt een belangrijke rol bij het ontstaan van galwegschade, zo ontdekte Hoekstra. Dit inzicht kan helpen een beter medicijn te vinden om beschadiging en vernauwingen van de galwegen na levertransplantatie tegen te gaan.

In Codex Medicus: Levertransplantatie

Bron: Rijksuniversiteit Groningen
Alcoholvergiftigingen bij meisjes explosief gestegen


Amsterdam,  25 februari 2010 - In de periode 2004-2008 zijn jaarlijks gemiddeld 1.800 jongeren in de leeftijd van 10 tot en met 24 jaar behandeld op een Spoedeisende Hulpafdeling (SEH) van een ziekenhuis in verband met een alcoholvergiftiging. Bijna 40 procent van de slachtoffers is na behandeling op de SEH-afdeling in het ziekenhuis opgenomen.


Eén op de tien slachtoffers is jonger dan 15 jaar. Ruim de helft is tussen de 15 en 20 jaar. In bijna een kwart van de vergiftigingen is sprake geweest van een combinatie van alcohol en drugs.


De sterkste stijging van alle jeugdige slachtoffers van een alcoholvergiftiging is in de periode 2003-2008 te zien in de leeftijdscategorie 15-19 jaar, namelijk maar liefst een stijging van 280 procent!


Explosieve stijging bij meisjes onder de 20 jaar
De meest in het oog springende trend onder jeugdige slachtoffers van een alcoholvergiftiging is de verdeling tussen jongens en meisjes. Waar in 2004 nog 2 op de 3 slachtoffers een jongen was, is dat in 2008 gelijk getrokken en is de helft van de slachtoffers inmiddels een meisje.


Het aantal meisjes van 13 of 14 jaar met een alcoholvergiftiging lijkt in de periode 2003-2008 fors te zijn gestegen. De toename bij meisjes in de leeftijd van 15-19 jaar is echter explosief te noemen. Bij meisjes in deze leeftijdsgroep is het aantal SEH-behandelingen in verband met een alcoholvergiftiging namelijk ruim vervijfvoudigd tot rond de 600 in een jaar.


In Codex Medicus: Alcoholintoxicatie

Bron: Consument en Veiligheid

Universiteit Gent (B) werkt aan gezondere frietjes


Gent, 24 februari 2010 - Onderzoekers van de vakgroep Voedselveiligheid en Voedselkwaliteit van de UGent hebben innovatieve technieken ontwikkeld om het acrylamidegehalte in frietjes te verminderen. Acrylamide is een vermoedelijk kankerverwekkende stof die in meerdere voedingsmiddelen voorkomt.


In 2002 werd acrylamide, een vermoedelijk kankerverwekkende stof, aangetoond in verschillende levensmiddelen, waaronder friet. De afgelopen jaren werden verschillende technieken ontwikkeld om de vorming van deze stof tijdens het frituren drastisch te verminderen. Een toetsing aan de industriële praktijk ontbrak echter. Doctoraatsstudente Raquel Medeiros Vinci, promotor professor Bruno De Meulenaer en Frédéric Mestdagh van de onderzoeksgroep Levensmiddelenchemie en Humane Voeding testten twee strategieën uit om het acrylamidegehalte in frieten te verminderen tijdens de industriële productie.


Kwaliteitscontrole
Een eerste strategie bestaat in een kwaliteitscontrole van de aardappel bij aankomst in de fabriek. De wetenschappers onderzochten het verband tussen het suikergehalte van de aardappelknol, de vorming van acrylamide en de kleur van het afgebakken product. Uit de studie blijkt dat het mogelijk is om ladingen aardappelen die gevoelig zijn voor acrylamidevorming te identificeren voordat ze het productieproces ingaan. Zo kan de aardappelverwerkende industrie deze ladingen gebruiken voor andere doeleinden dan de productie van friet. Een andere mogelijkheid is de procesparameters aan te passen zodat het risico voor acrylamidevorming drastisch daalt.


Betere verwerkingsprocessen
Bij de tweede strategie onderwierp de onderzoekster de aardappelen aan diverse voorbehandelingen tijdens het industriële productieproces van diepvriesfrietjes. Doel was de acrylamidevorming tijdens het bakken verder te verlagen. Bij het voorbehandelen werd gebruik gemaakt van diverse voedingszuren, -zouten en het enzym asparaginase. Deze componenten bleken efficiënt te zijn tijdens laboratoriumexperimenten maar zorgden in de industriële praktijk niet voor een extra daling in acrylamidegehalte.
Voor de productie van gekoelde, niet-voorgebakken verse frietjes werd wel succes geboekt. Na voorbehandeling met het enzym asparaginase werd na het frituren geen acrylamide aangetroffen in het eindproduct, en dit zonder impact op de smaak en de houdbaarheid van de frietjes.


Aangezien acrylamide gevormd wordt tijdens het finaal afbakken en gelinkt is met de kleur van de frietjes, blijft het belangrijk dat de consument of cateraar de bakinstructies op de verpakking volgt. Een te lange baktijd en/of te hoge baktemperatuur zorgt namelijk voor donker gekleurde frieten die een hoger acrylamidegehalte hebben. Goudgele frieten zijn dus gezonder dan donkerder gekleurde.


Aardappeleters
In 2008 werden er in the EU ongeveer 62 miljoen ton aardappelen geproduceerd waarvan meer dan 20% wordt verwerkt tot bijvoorbeeld frietjes. België behoort tot de top 5 van de aardappelproducerende landen in de EU. Belgen eten per jaar gemiddeld per persoon ongeveer 87 kg aardappelen. Goede kwalitatieve aardappelen en betere procestechnieken zijn dus niet alleen van belang voor de smaak, maar ook omwille van gezondheidsredenen.


In Codex Medicus: Voedselveiligheid

Bron: www.ugent.be

Radiotherapie bij borstkanker kan vaak goedkoper en beter


Groningen, 23 februari 2010 - Een nieuwe vorm van gecombineerde radiotherapie biedt belangrijke voordelen voor patiënten met borstkanker. Gezond weefsel en risico-organen, zoals het hart en de longen, krijgen een lagere dosis straling te verduren. Dat ontdekte UMCG-onderzoeker Hans Paul van der Laan. Ook blijkt de nieuwe behandeling goedkoper dan de standaardtherapie. Sinds de ontdekking is de gecombineerde bestraling al in veel Nederlandse ziekenhuizen ingevoerd. Op 3 maart promoveert Van der Laan op het onderzoek aan de Rijksuniversiteit Groningen.


De radiotherapie die de meeste borstkankerpatiënten tot voor kort volgden, bestond uit een programma van 25 dagen waarin de hele borst werd bestraald en acht dagen waarin een deel van de borst, het operatiegebied, nog een extra dosis straling kreeg. Van der Laan ontdekte dat het gunstig is deze afzonderlijke bestralingen te vervangen door één geïntegreerde bestraling. Gedurende 28 dagen worden de hele borst en het operatiegebied tegelijk met verschillende doseringen bestraald (SIB - simultaneous integrated boost).


Minder sessies nodig

De promovendus toonde aan dat het gezonde weefsel en de organen met SIB minder belast worden. Ook liet hij zien dat er met SIB minder sessies nodig zijn om hetzelfde resultaat te krijgen. Hierdoor zijn patiënten een week eerder klaar met de therapie, en worden de kosten gereduceerd. De door Van der Laan beschreven gecombineerde therapie wordt wereldwijd bij steeds meer patiënten toegepast. In Nederland wordt ongeveer de helft van de Nederlandse patiënten volgens deze methode bestraald.


Dure behandeling niet altijd beter

Van der Laan onderzocht ook welke patiënten met borstkanker baat hebben bij een bestraling die alleen door kostbare computerapparatuur berekend kan worden (intensiteitsgemoduleerde radiotherapie, IMRT). Dit blijken twee patiëntengroepen te zijn: patiënten bij wie het operatiegebied relatief groot is, en patiënten bij wie het hart dicht in de buurt van het bestralingsgebied ligt. In andere gevallen is deze duurdere behandeling niet noodzakelijk beter dan de standaard driedimensionale radiotherapie, zo stelt Van der Laan vast. Ziekenhuizen kunnen met een CT-scan bepalen welke bestralingstechniek het meest geschikt is.


Risico's beperken

Om de risico's voor de patiënt zoveel mogelijk te beperken, moet er volgens Van der Laan kritisch gekeken worden naar de samenstelling van de stralingsbundels. Zeker wanneer het bestralingsgebied groot is, bijvoorbeeld wanneer ook de lymfeklieren bestraald moeten worden, is dit van groot belang. Een combinatie van gewone röntgenstralen en elektronen kan in dat geval uitkomst bieden, zo blijkt uit onderzoek van Van der Laan. Tot slot pleit de onderzoeker voor goed overleg tussen alle betrokken partijen: chirurgen, pathologen en radiotherapeuten. Wanneer deze goed op elkaar zijn ingespeeld, is een betere afstemming van chirurgie en radiotherapie mogelijk.


In Codex Medicus: Borstkliertumoren

Bron: UMCG

Belgische Hoge Gezondheidsraad maakt de balans op van de Belgische situatie inzake virussen die via voedingsmiddelen en water overdraagbaar zijn


Brussel, 22 februari 2010 - Voedselinfecties vormen tegenwoordig een belangrijk aandachtsveld in tal van gebieden rond de wereld op het vlak van volksgezondheid. Virussen, als mogelijke oorzaak van deze infecties, genieten al jaren een bijzondere aandacht vanuit wetenschappelijke kringen, zowel wat hun risico's betreft maar ook in verband met hun mogelijke overdrachtswegen.


Sommige virussen kunnen immers rechtstreeks (via voedsel of water) in het spijsverteringskanaal terechtkomen en gastro-enteritis veroorzaken maar kunnen ook belangrijke volksgezondheidsproblemen teweegbrengen (risico's van gastro-enteritis- of hepatitis-epidemiën). Dit geldt vooral voor bepaalde voedingsmiddelen (zoals groenten en vers fruit, handmatig verwerkt voedsel zoals bereide maaltijden, schelpdieren zoals oesters en mosselen) en daarmee moet de voedingsindustrie rekening houden (m.n. de beroepsmensen die 'kant-en-klare' producten behandelen).

Op epidemiologisch vlak zijn de norovirussen de belangrijkste groep wat de prevalentie betreft. Hoewel deze virale pathogeen enkel milde aandoeningen veroorzaakt, blijft het een potentiële bron van wijdere voedselverbonden epidemiën. Men mag ook andere virussen die levensmiddelen besmetten niet uit het oog verliezen. Die zouden bovendien kunnen bijdragen tot de overdracht van ernstige ziekten, zoals hepatitis A.

Daarom verdient de studie van dergelijke virussen de grootste aandacht van de overheid, maar ook van de consumenten en van de professionele sector, meer bepaald voor de hoogrisicodragende voedingsmiddelen.


Deze publicatie van de HGR geeft een overzicht van de situatie voor België en formuleert aanbevelingen voor het onderzoek ter zake. Het bevat de belangrijkste elementen uit een wetenschappelijk rapport gepubliceerd in bijlage. De behandelde onderwerpen betreffen onder andere: de belangrijkste kenmerken van voedselverbonden virussen, de problemen waarmee de overheid geconfronteerd kan worden en het optimaal beheer van epidemische episodes (outbreaks).


In Codex Medicus: Gastro-enteritis acuta

In Codex Medicus: Infectieuze gastro-enteritis

Beter vaccin tegen meningokokken mogelijk

Utrecht, 19 februari 2010 - Floris Fransen ontdekte dat bij ongeveer 10% van de patiënten met een meningokokkenziekte de ziekteverwekker gemuteerd is; daardoor verloopt de ziekte milder. Deze ontdekking biedt kansen voor een verbeterd vaccin, zonder dat dit meer bijwerkingen geeft.

De meningokok is een bacterie die voorkomt in de keel- en neusholte van ruwweg anderhalf miljoen Nederlanders zonder dat deze mensen daar last van hebben. Af en toe verspreid de bacterie zich echter naar de bloedbaan en/of hersenvliezen, waardoor bloedvergiftiging en hersenvliesonsteking kunnen ontstaan. Wereldwijd zijn er jaarlijks ongeveer 1.2 miljoen gevallen van meningokokkenziekte. Van deze patiënten overlijdt ongeveer 10% en nog eens 20% houdt er blijvende schade aan over.

De heftige ontstekingsreactie bij deze ziektes wordt voornamelijk veroorzaakt door een belangrijke bouwsteen van de meningokok, lipopolysaccharide. Als immuuncellen in aanraking komen met lipopolysaccharide gaan ze allerlei stoffen uitscheiden die een ontsteking veroorzaken. Uit Fransens onderzoek blijkt dat ongeveer 10% van de patiënten geïnfecteerd is met een meningokok met een veranderde lipopolysaccharide-structuur. Het gevolg van deze verandering is dat de immuuncellen de mutant minder goed kunnen herkennen, waardoor de ontstekingsreactie minder heftig is en de ziekte milder verloopt. Mogelijk brengt de bacterie deze verandering aan om het immuunsysteem te slim af te zijn.

Fransen ontdekte ook dat de aanwezigheid van lipopolysaccharide in een vaccin tegen meningokokken essentieel is voor een goede werkzaamheid van het vaccin. Lipopolysaccharide heeft dus ook goede eigenschappen. Bovendien kan de structuur van lipopolysaccharide worden aangepast of het molecuul kan vervangen worden door andere stoffen die een mindere ernstige ontsteking veroorzaken, maar de immuuncellen nog wel genoeg activeren voor een goede reactie na vaccinatie.

In Codex Medicus: Meningokokkeninfecties

Bron: UMC Utrecht
Imatinib kan chronische myeloïde leukemie wel degelijk genezen

Brussel, 18 februari 2010 - Het geneesmiddel Imatinib kan wel degelijk chronische myeloïde leukemie genezen. Dat bewees prof. dr. Tom Lenaerts (Vrije Universiteit Brussel/ ULB) in samenwerking met enkele vooraanstaande onderzoekers uit het buitenland aan de hand van een computermodel. Het onderzoek ontkracht een belangrijke kritiek van sceptici. De resultaten worden gestaafd door klinische resultaten bij patiënten.


Chronische myeloïde leukemie of CML is een menselijke bloedkanker die ontstaat in de hematopoëtische stamcellen (verantwoordelijk voor de productie van bloedcellen) en het hematopoëtisch systeem ontregelt door een ongecontroleerde groei van myeloïde cellen te veroorzaken. Deze wildgroei wordt veroorzaakt door een genetisch defect: een translocatie tussen twee chromosomen, die leidt tot het typische Philadelphiachromosoom. Door deze fusie ontstaat het zogenoemde BCR-ABL-eiwit, dat als een enzym werkt en verantwoordelijk is voor de ontregelde ontwikkeling van de witte bloedcellen.


Aangezien CML ontstaat in de hematopoëtische stamcellen in het beenmerg, werd beenmergtransplantatie tot voor een paar jaar beschouwd als de meest effectieve behandeling voor CML. Maar deze procedure is niet zonder gevaar, en vergt bovendien een hele zoektocht naar de juiste donor. Daarom zochten wetenschappers naar een alternatief in de vorm van therapeutische moleculen die de ongebreidelde groei van BCR-ABL-bevattende cellen kunnen tegengaan. Een dergelijk geneesmiddel, imatinib/gleevec/STI-571 werd recent in de klinische praktijk ingevoerd, maar zou volgens critici niet in staat zijn om CML te genezen omdat het geen effect heeft op de leukemische stamcellen, die als primaire oorzaak van de ziekte worden beschouwd.


Samen met onderzoekers uit de Mayo clinic in de Verenigde staten, het Max-Planck instituut voor Evolutionaire Biologie in Duitsland en de Universiteit van Minho in Portugal, heeft dr. Tom Lenaerts nu echter aangetoond dat deze theorie niet klopt als men rekening houdt met het feit dat de dynamiek van stamcellen en vroege vooroudercellen onderhevig is aan stochastische effecten. Ze ontwikkelden een computermodel van hematopoëse en CML, waarbij er rekening gehouden wordt met deze stochasticiteit, en ontdekten dat bij de overgrote meerderheid van de virtuele patiënten (84 procent) met CML de leukemische stamcellen nodig om de ziekte te genereren niet meer aanwezig waren. Meer nog: de leukemische stamcellen differentiëren vroeg in het proces, waardoor de progenitorcellen de motor achter de ziekte worden.


In Codex Medicus: Chronische myeloïde leukemie

Bron: Vrije Universiteit Brussel

Hartritmestoornissen kunnen worden weggebrand


Nijmegen, 17 februari - Boezemfibrilleren (BF) is de meest voorkomende ritmestoornis van het hart. Vaak is sprake van een snelle en onregelmatige hartactie. Mensen met BF kunnen klachten hebben van hartkloppingen, abnormale vermoeidheid, vermindering van het uithoudingsvermogen, pijn op de borst en flauwvallen. BF kan in aanvallen aanwezig zijn of continu. Van zeer groot belang bij de behandeling is onderscheid te maken tussen BF waarbij de functie van het hart verder normaal is, en BF bij een niet gezond hart, bijvoorbeeld in geval van lekkage van een hartklep.
 

Willem Beukema en Tjong Hauw Sie tonen aan dat BF met een bepaalde vorm van elektrische energie behandeld kan worden (wegbranden). Dit geldt voor patiënten met een verder gezond hart en voor hen bij wie het BF onderdeel uitmaakt van een onderliggende hartziekte. Veelal worden patiënten met aanvallen van BF en een verder gezond hart behandeld door de cardioloog, terwijl BF met onderliggende hartproblematiek vaak het best door de hartchirurg behandeld kan worden. Van groot belang is een goede samenwerking tussen cardioloog en hartchirurg.


In Codex Medicus: Boezemfibrilleren

Paracetamol beter bij lage rugpijn


Amsterdam, 16 februari 2010 - Mensen met lage rugpijn kunnen beter paracetamol slikken dan ontstekingsremmers zoals ibuprofen. De pijnstillers hebben een vergelijkbare werkzaamheid, maar paracetamol heeft minder bijwerkingen. Toch gebruiken verreweg de meeste mensen met lage rugpijn ontstekingsremmers. Dit blijkt uit een studie over lage rugpijn waarop Pepijn Roelofs morgen promoveert aan VUmc.


Ontstekingsremmende medicijnen zijn de meest voorgeschreven medicatie bij lage rugpijn, 80%. Of deze ook beter werken dan paracetamol was tot nu toe nauwelijks onderzocht. Daarom deed Roelofs een systematische literatuurstudie, onder 65 onderzoeken met meer dan 11.000 patiënten, naar het nut van ontstekingsremmende pijnstillers. Daaruit bleek dat deze medicijnen bij mensen met lage rugpijn beter werken dan een placebo, maar niet beter dan paracetamol. Omdat paracetamol minder bijwerkingen heeft, geniet dit medicijn de voorkeur.


In zijn studie naar lage rugpijn richtte Roelofs zich op een beroepsgroep die veel last heeft van dit probleem: thuiszorgmedewerkers. Jaarlijks heeft bijna tweederde van hen rugpijn. Naast pijnstillers is het gebruik van ruggordels een mogelijkheid om lage rugpijn terug te dringen.


In Roelofs' onderzoek naar ruggordels deden 360 thuiszorgmedewerkers met lage rugpijn mee. De helft kreeg - naast standaard zorg - een ruggordel. Het bleek dat werknemers met een ruggordel jaarlijks gemiddeld 53 dagen minder rugpijn hadden dan werknemers uit de controlegroep. Bovendien bespaarden ruggordelgebruikers per jaar gemiddeld 235 euro op direct aan rugpijn gerelateerde kosten, zoals bezoek aan therapeut of aanschaf van medicijnen. De meeste thuiszorgmedewerkers ondervonden geen hinder van de gordel bij het uitvoeren van hun werkzaamheden. In 2008 werkten ruim 140.000 mensen in de thuiszorg.


In Codex Medicus: Lumbalgie

Vlaamse meisjes worden op school ingeënt tegen baarmoederhalskanker


Antwerpen, 15 februari 2010 - De Vlaamse overheid laat vanaf september twaalfjarige meisjes op school inenten tegen baarmoederhalskanker. Tot nu toe krijgt maar een kwart van hen het vaccin, via de huisarts. Dat is afgelopen weekend op het Vaccinatiesymposium in Antwerpen bekendgemaakt.


Omslachtig systeem
De Vlaamse overheid betaalt nu al gedeeltelijk de inenting terug van alle meisjes tussen 12 en 18 jaar tegen het humaan papillomavirus. Dit virus kan baarmoederhalskanker veroorzaken. Het systeem is omslachtig en verloopt via de huisarts. Uit cijfers van de Vlaamse administratie blijkt dat zo slechts een kwart van de 12-jarigen ingeënt worden.
 
September van start
"Een vaccinatie via de scholen kan tot 90 procent van die leeftijdsgroep bereiken", zegt professor vaccinologie Pierre Van Damme van de Antwerpse universiteit. Vlaams minister van Welzijn Jo Vandeurzen laat nu een aanbestedingsdossier opstellen, om in september van start te gaan.


In Codex Medicus: Humaan papillomavirus

Zorg rondom vaatoperaties moet beter

Rotterdam, 12 februari 2010 - De richtlijnen voor zorg rond vaatoperaties worden niet goed gevolgd, met onnodige complicaties en zelfs sterfte tot gevolg. Daarom pleit promovenda Sanne Hoeks voor betere naleving van deze richtlijnen en voor goed gecoördineerde behandelprogramma's.


Etalagebenen
Perifeer arterieel vaatlijden (‘etalagebenen’, of PAD) komt veel voor. Door slechte doorbloeding hebben patiënten problemen met lopen. Als deze patiënten geopereerd worden, lopen ze een groot risico op complicaties, bijvoorbeeld hartinfarcten, hoewel de operatie niet in de buurt van het hart plaatsvindt.

Onderbehandeling
Sanne Hoeks, wetenschappelijk onderzoeker op de afdelingen Anesthesiologie en Heelkunde van het Erasmus MC, evalueerde voor haar promotieonderzoek het gebruik van de richtlijnen. Ze concludeert dat de richtlijnen in de praktijk onvoldoende worden nageleefd. Zowel rondom de operatie als lang daarna is sprake van onderbehandeling. Patiënten krijgen te weinig medicatie voor hun hart- en vaataandoeningen. Hoeks toont aan dat het gebruik van deze medicatie volgens de richtlijnen zorgt voor een 30% betere overleving en betere uitkomsten voor de patiënt.

Gecoördineerd
Hoeks: "Voordat een patiënt wordt geopereerd, komt hij of zij op bezoek in het ziekenhuis. Dat is een uitgelezen moment om te starten met de medicatie en met voorlichting over de levensstijl. Een goed gecoördineerd multidisciplinair programma, dat zich richt op klinische risicofactoren, kan zowel de overleving als de kwaliteit van leven van patiënten met PAD verbeteren."

In Codex Medicus: Perioperatief beleid bij ouderen

Beschermingseiwit niet betrokken bij ontstaan ziekte van Parkinson


Groningen, 11 februari 2010 - De bloed-hersenbarrière is een beschermende laag rond de hersenen. In deze barrière pompt het eiwit P-glycoproteine (P-gp) schadelijke stoffen de hersenen uit, naar het bloed. Sommige wetenschappers vermoedden dat de ziekte van Parkinson ontstaat doordat P-gp minder goed gaat werken. Promovenda Anna Bartels toont echter aan dat een verminderde functie van P-gp geen rol speelt in het ontstaan van de ziekte.


Verminderde P-gp functie kan wel een rol spelen bij de voortgang van de ziekte van Parkinson en bij andere vormen van beschadiging van de hersenen, zoals Alzheimer. Hier moet nog meer onderzoek naar gedaan worden.


Bartels bracht de activiteit van P-gp in kaart door het eiwit radioactief te labelen en met behulp van PET-scans in beeld te brengen. Met PET scans en gelabeld PK11195 probeerde ze ook het effect van ontstekingsremmers (COX-2 inhibitors) op het ontstaan van de ziekte van Parkinson te onderzoeken. Ze vond aanwijzingen dat ontstekingsremmers het ontstaan van de ziekte tegengaan, maar de onderzoeksmethodes zijn nog niet betrouwbaar genoeg. Die zullen eerst nog verder verbeterd moeten worden.


In Codex Medicus: Ziekte van Parkinson

Pacemaker in bil tegen urine-incontinentie

Dordrecht, 10 februari 2010 - Mensen die al lang kampen met ernstige urine-incontinentie kunnen baat hebben bij het implanteren van een neurostimulator. De behandelmethode is nieuw in het Albert Schweitzer ziekenhuis. Het apparaatje is een pacemaker die in de bil wordt geplaatst en via een dun naaldje stroomstootjes afgeeft naar het staartbeen, nabij de zenuwen die de blaas controleren. De 'slechte' zenuwprikkels die incontinentie veroorzaken, worden als het ware overstemd door de stroomstootjes. De blaas gaat zich 'normaler' gedragen.

Het apparaatje ter grootte van een 2-euromunt kan incontinentie drastisch doen afnemen bij patiënten die geen baat hebben bij andere behandelwijzen, zoals fysiotherapie en medicijnen. Uroloog Rein Potjer van het Albert Schweitzer ziekenhuis heeft in de laatste maanden van 2009 de eerste vier exemplaren geplaatst. Het resultaat bij de vier (vrouwelijke) patiënten is tevredenstemmend, laat Potjer weten.

Selectie
Voor het jaar 2010 heeft het Albert Schweitzer ziekenhuis goedkeuring van zorgverzekeraars om tien neurostimulators (productnaam: InterStim) te plaatsen. Potjer: ,,Het middel is relatief duur, 15.000 tot 20.000 euro per patiënt. Verzekeraars zijn daarom nog terughoudend. Van onze kant moeten wij daarom streng zijn bij de selectie van patiënten. We richten ons op de groep mensen die al lang last heeft van incontinentie, die dit ervaart als een grote (sociale) handicap en die al het andere al geprobeerd heeft. Daarnaast testen we eerst met een externe proef-neurostimulator of de patiënt er baat bij heeft. Alleen als bij deze proef de frequentie van het urineverlies of de hoeveelheid met minstens de helft daalt, komt iemand in aanmerking voor de implantatie.”

Patiëntvriendelijk
Er is geen minimum- of maximumgrens aan de leeftijd van de patiënt en ook het geslacht is niet van belang. Het grote voordeel van de methode is volgens Potjer dat zeer drastische oplossingen, zoals een stoma of zware chirurgie, kunnen worden voorkomen. De plaatsing en de werking van de neurostimulator brengen geen onherstelbare schade toe aan het lichaam. ,,Het middel is zeer patiëntvriendelijk.”

Dichtbij huis
De neurostimulator is niet nieuw, maar de ingreep werd tot voor kort alleen in enkele academische ziekenhuizen in Nederland verricht. Pas vrij recent is daar een klein aantal streekziekenhuizen bij gekomen, waaronder het Albert Schweitzer ziekenhuis. Hierdoor kunnen meer mensen dichterbij huis worden geholpen.

Opmerkelijk is volgens Potjer dat de neurostimulator ook een positief effect lijkt te hebben op een te slappe blaas (het tegenovergestelde van incontinentie) en zelfs op ongewild verlies van ontlasting. Voorlopig richt de behandeling in het Albert Schweitzer ziekenhuis zich alleen op urine-incontinentie, meer specifiek op ‘drangincontinentie’ (en niet op ‘stressincontinentie’, die optreedt bij onder meer lachen of niezen).

In Codex Medicus: Incontinentia urinae
Academisering van rampengeneeskunde moet hulpverlening optimaliseren


Brussel, 9 februari 2010 - Na de aardbeving in Haïti vorige maand kwam de noodhulp uit de rest van de wereld maar moeizaam op gang. Volgens specialisten kan dit verholpen worden indien meer hulpverleners een specifieke opleiding krijgen in medisch rampenmanagement. Samen met de universiteit van Oost-Piemonte organiseert de Vrije Universteit Brussel nu al een Europese masteropleiding in rampengeneeskunde en -management.


De voorbije weken is veel gesproken over de gebrekkige en moeizaam op gang komende noodhulp in de eerste dagen na de grote aardbeving in Haïti. Een internationale hulpactie vraagt heel wat coördinatie en communicatie, en een goede kennis van lokale mogelijkheden en beschikbare middelen, eventuele bestaande medische rampenplannen, procedures en protocollen.


Het uitbouwen van een degelijke rampengeneeskunde en meer in het bijzonder een rampenmanagement, wat een professionele opleiding van hulpverleners impliceert, is enkel mogelijk op basis van wetenschappelijk onderzoek, maar dat is per definitie erg moeilijk realiseerbaar in de oncontroleerbare omstandigheden die inherent zijn aan een rampsituaties. Het is dan ook erg belangrijk om de rampengeneeskunde en het rampenmanagement uit te bouwen als academische discipline.


Daarom organiseert de onderzoeksgroep Urgentie- en Rampengeneeskunde van de Vrije Universiteit Brussel samen met collega's van de Italiaanse universiteit van Oost-Piemonte een gezamenlijke European Master in Disaster Medicine (EMDM).


In Codex Medicus: Rampengeneeskunde

10.000 patiënten testen vaccin tegen longkanker


Leuven, 8 februari 2010 - Een vaccin dat longkankercellen vernietigt, wordt momenteel getest op tienduizend patiënten wereldwijd, onder wie honderden Belgen. In een eerste test bij 182 patiënten waren de resultaten hoopgevend. Als de gunstige resultaten bevestigd worden, betekent dit een gigantische doorbraak, zegt longspecialist en mede-auteur van de Codex Medicus Johan Vansteenkiste van de KULeuven.


In een eerste fase werden 182 patiënten met longkanker vier jaar lang gevolgd. Bij de groep die het vaccin kreeg, bleek de kanker veel minder terug te keren. "Het zou de eerste keer zijn dat een therapeutisch vaccin werkt bij vaste tumoren zoals die in de longen", aldus Vansteenkiste.
 
Het vaccin produceert een reeks immuunreacties die gericht zijn tegen het eiwit MAGE A3, waarop de kankercellen zitten. De standaardbehandeling bij longkanker is de operatieve verwijdering van de tumor, gevolgd door een chemotherapie, die moet voorkomen dat achtergebleven kankercellen opnieuw gaan woekeren. Maar na de operatie zijn heel wat patiënten dermate verzwakt, dat de chemokuur met al zijn nevenwerkingen onmogelijk wordt. "Injecties met een vaccin, zonder of met heel beperkte nevenwerkingen zou voor deze groep patiënten een oplossing kunnen bieden", zegt professor Vansteenkiste.


In Codex Medicus: Longtumoren

Hoge bloeddruk bij ouderen niet altijd slecht

Leiden, 6 februari 2010 - Een hoge bloeddruk bij 85-plussers is niet altijd nadelig. Integendeel: het omlaag brengen van de bloeddruk kan er zelfs voor zorgen dat deze ouderen eerder overlijden. Dat blijkt uit onderzoek van Thomas van Bemmel, momenteel internist bij Gelre ziekenhuizen in Apeldoorn. Hij promoveerde afgelopen donderdag aan het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) op zijn proefschrift High blood pressure at old age.

Van Bemmel volgde 571 mensen boven de 85 jaar. Van hen hadden 223 mensen een voorgeschiedenis met hoge bloeddruk. In de circa vier jaar dat zij gevolgd werden, overleden in totaal 290 deelnemers. De totale sterfte in beide groepen was echter gelijk. Opmerkelijk was dat mensen met een hoge bloeddruk in de voorgeschiedenis het prima deden zolang de bloeddruk aan de hoge kant bleef. Werd de hoge bloeddruk met geneesmiddelen omlaag gebracht, dan steeg het risico op sterfte.

Bloedcirculatie
Hieruit kan worden geconcludeerd dat mensen die altijd al een hoge bloeddruk hadden, maar daar nooit voor zijn behandeld, niet automatisch zouden moeten worden behandeld. Van Bemmel: “Iemand kan bijvoorbeeld met twintig jaar een bloeddruk van 120 hebben, met zestig van 160, met tachtig van 180 en met 85 van 160. Eigenlijk is 160 nog steeds te hoog, maar als je bij hen de bloeddruk bewust nog verder omlaag probeert te krijgen, dan komt de bloedcirculatie wellicht in gevaar en daarmee het functioneren van het hele lichaam.”

Daarentegen moeten mensen die altijd een normale bloeddruk hadden en bij onderzoek op 85-jarige leeftijd ineens op 160 zitten, wél worden behandeld, vermoeden Van Bemmel en zijn onderzoeksteam.

Denkvermogen
De medische voorgeschiedenis van mensen zou dus bekend moeten zijn, maar dat is vaak niet het geval. Daarom is het zaak een methode te ontwikkelen waarmee je onderscheid kunt maken tussen de mensen die al in een dalende lijn zitten en mensen die in een stijgende lijn zitten, om de behandeling daarop aan te passen. “Daarbij moeten we ook onderzoeken tot welk niveau je de bloeddruk dan het beste omlaag kunt brengen”, aldus Van Bemmel. Hij bekijkt nu de mogelijkheden om een dergelijk onderzoek op te zetten in Gelre ziekenhuizen.

Eén ding is voor Van Bemmel in elk geval duidelijk: “De algemene richtlijn voor bloeddruk – the lower the better – is met deze studie op losse schroeven komen te staan voor de oudere doelgroep. Zeker omdat we ook aantoonden dat  bij de 85-plussers met een hoge bloeddruk de nieren beter functioneren en het geheugen en denkvermogen op een hoger niveau zitten.”

In Codex Medicus: Hypertensie bij ouderen
Transplantatie varkenslongen bij mensen snel mogelijk

Melbourne, 5 februari 2010 - Varkenslongen kunnen snel getransplanteerd worden bij mensen na een medische doorbraak van Australische wetenschappers. Zo willen de artsen het tekort aan menselijke donoren overbruggen.

Niet compatibel
Volgens de wetenschappers zouden de eerste varkenslongen binnen de vijf jaar succesvol bij mensen getransplanteerd moeten worden. Ze veranderden een deel van het DNA van het varken dat verantwoordelijk is voor het niet compatibel zijn met menselijk bloed. Professor Tony D'Apice fokt sinds 1989 dieren die bedoeld zijn voor transplantaties. Zijn team voegde menselijk DNA bij de dieren toe om bloedklonters en verstoting bij mensen te voorkomen.

Uren later
Bij eerdere experimenten zonder genetisch gemodificeerde longen stierven de organen binnen de 10 minuten af. De onderzoekers lieten menselijk bloed via een machine door de varkenslongen stromen. "Vijf à zes uur later bleek dat deze longen nog even goed werkten als bij de start. Het bloed ging in de longen zonder zuurstof en kwamen er uit met, en dat is precies de functie van longen en bewijst dat deze longen goed werken. Een duidelijk vooruitgang dus", aldus Professor Glenn Westall over deze wereldprimeur.

In Codex Medicus: Longtransplantatie
Medicatie effectief bij tropische infectieziekte Buruli ulcer


Groningen, 4 februari 2010 - Een behandeling met medicatie leidt tot genezing van de tropische infectieziekte Buruli ulcer. Deze ziekte, die gepaard gaat met ernstige infecties aan huid, weke delen en bot, kon tot voor kort slechts met ingrijpende chirurgie bestreden worden. Dit blijkt uit onderzoek uitgevoerd onder leiding van Tjip van der Werf, als hoogleraar verbonden aan het Universitair Medisch Centrum Groningen.
  
Buruli ulcer is een (sub)tropische ziekte die wordt veroorzaakt door de bacterie Mycobacterium ulcerans. Bij deze ziekte, die vooral kinderen treft, ontstaat een bobbel onder de huid die overgaat in een steeds groter wordende zweer. Zo'n zweer kan bijvoorbeeld een gehele arm of been omvatten. De ziekte komt vooral voor in het westelijk deel van Afrika, met name in landen als Ghana, Ivoorkust, Benin, Kameroen en Togo.

De patiënten zijn veelal afkomstig uit arme plattelandsgebieden en komen vaak pas in een ver gevorderd stadium van de ziekte naar het ziekenhuis. De voornaamste redenen hiervoor zijn de gebrekkige financiële mogelijkheden, angst voor chirurgie en een sociaal stigma. Mede door deze vertraging kan Buruli ulcer leiden tot grote schade met littekens gepaard met dwangstand in gewrichten en daardoor in zo'n 50% van de gevallen blijvende beperkingen in het dagelijks leven. Kinderen worden vaak vroegtijdige schoolverlaters en volwassenen kunnen vaak hun werk niet meer doen.


De onderzoekers gingen na of met medicatie alleen, zonder ingrijpende chirurgie, het ziekteproces kon genezen. Twee groepen van in totaal 151 patiënten werden na loting verdeeld in twee groepen die zij gedurende 8 weken met medicijnen behandelden. Hoewel daarvoor soms lange reizen door de bush moesten worden afgelegd om patiënten die uit zicht waren geraakt terug te vinden, lukte het toch goed om bijna alle patiënten te vervolgen.

Uit de studie blijkt dat na een jaar meer dan negentig procent van de deelnemers genezen waren; niemand van hen had een terugval. De onderzoekers hopen dat een behandeling zonder chirurgie minder patiënten zal afschrikken, zodat de patiënten (meestal kinderen) zich eerder bij een ziekenhuis gaan melden voor een behandeling.


In Codex Medicus: Buruli-ulcus

Risicojongeren aangemeld bij verwijsindex


Den Haag, 3 februari 2010 - De Eerste Kamer is gisteren akkoord gegaan met het wetsvoorstel verwijsindex risicojongeren. Dit betekent dat alle gemeenten in Nederland zich moeten aansluiten bij de verwijsindex.

De verwijsindex risicojongeren (VIR) is een landelijk digitaal systeem dat risicomeldingen van hulpverleners over jongeren bij elkaar brengt. Het gaat om jongeren tot 23 bij wie zich problemen voordoen waardoor hun persoonlijke ontwikkeling daadwerkelijk wordt bedreigd. Hulpverleners uit de jeugdketen die jongeren helpen, melden de jongere aan in de verwijsindex als zij een risico hebben gesignaleerd.


Als meerdere professionals zich zorgen blijken te maken over dezelfde jongere, dan zorgt de verwijsindex dat zij een melding krijgen. Daardoor weten zij van elkaar dat zij met dezelfde jongere bezig zijn. Met de verwijsindex wordt snel duidelijk dat een jongere in de problemen zit, zodat er direct actie kan worden ondernomen.


Alle gemeenten moeten nog dit jaar met de verwijsindex gaan werken, nu ook de Eerste Kamer met het wetvoorstel van minister Rouvoet heeft ingestemd. Momenteel zijn zo'n 300 van de ruim 440 gemeenten in Nederland al aangesloten bij de verwijsindex risicojongeren


In Codex Medicus: Verwijsindex risicojongeren (VIR)

Polycysteuze lever goed te behandelen met maag-darmhormoon


Nijmegen, 2 februari 2010 - Polycysteuze levers bevatten zeer veel cysten, holten gevuld met vocht, die worden gevormd door een afwijking in het erfelijk materiaal. De lever wordt erg groot, maar blijft wel goed functioneren. Wanneer de lever erg groot wordt, ontstaan er klachten zoals een toegenomen buikomvang, kortademigheid en buikpijn. In enkele zeer ernstige gevallen is zelfs een levertransplantatie nodig.

Behandelingen zijn erop gericht om de grootte van de lever te verkleinen. Tot voor kort waren er alleen chirurgische behandelingen voor een polycysteuze lever mogelijk.

Niet iedere patiënt komt in aanmerking voor een van deze behandelingen, aldus promovenda Loes van Keimpema. Tevens is er een risico op complicaties en nemen de klachten bij een deel van de patiënten slechts tijdelijk af.


Nadat twee patiënten succesvol waren behandeld met een synthetisch maag-darmhormoon, startte Van Keimpema een studie, die het effect van dit maag-darmhormoon (lanreotide) verder onderzocht. Het bleek dat deze patiënten, die zes maanden zijn behandeld met lanreotide, een verkleining van hun lever hadden, terwijl dit niet het geval was in de groep patiënten, die met placebo (een niet-werkend medicijn) was behandeld. Dit is een erg belangrijke bevinding, omdat dit resultaat laat zien dat het mogelijk is met medicijnen het natuurlijk beloop van de lever te stoppen.


In Codex Medicus: Cysten van de lever

CT-scan spoort hart- en vaatziekten op

Utrecht, 1 februari 2010 - Een CT-scan bij zware rokers zonder hart- en vaatproblemen draagt bij aan de voorspelling van hart- en vaatziekten. Dat stelt radioloog in opleiding Peter Jacobs van het UMC Utrecht. Hij promoveert op 2 februari. Informatie over aderverkalking op een CT-scan wordt nu vaak niet gebruikt.

Jacobs onderzocht bijna negenhonderd mannen die een CT-scan van de borst kregen omdat ze meedoen aan het Nelson-onderzoek naar de vroege opsporing van longkanker. De deelnemers zijn mannen ouder dan vijftig die minstens vijftien jaar lang een pakje sigaretten per dag gerookt hebben, maar geen hart- en vaatziekten hebben. Op de CT-scan spoorde hij verkalking van kransslagaderen op. De twee jaar erna hield Jacobs in de gaten of de deelnemers hart- en vaatziekten kregen. In totaal kregen in die periode 120 deelnemers bijvoorbeeld een hartinfarct.

Een belangrijke vraag is of de CT-scan voorspellende waarde toevoegt aan de bekende, eenvoudig te meten risicofactoren voor hart- en vaatziekten zoals hoge bloeddruk, overgewicht en cholesterolgehalte. Via de CT-scan kent Jacobs een kwart van de 900 deelnemers een hoger of lager risico toe dan op basis van de bestaande risicofactoren verwacht zou worden. Het betekent dat de CT-scan inderdaad een toegevoegde waarde heeft bij het voorspellen van hart- en vaatziekten, in elk geval in deze groep van zware rokers.

Daarnaast concludeert Jacobs dat mensen met een hoog risico op hart- en vaatziekten niet in alle gevallen optimaal behandeld worden. 390 mannen van de 900 lopen een hoog risico, 74 daarvan (19 procent) worden niet optimaal behandeld met cholesterol- of bloeddrukverlagende medicijnen. Het wil zeggen dat de CT-scan voor één op de twaalf deelnemers de behandeling kan veranderen.

Jacobs onderzocht ook of het nut heeft te letten op vaatwandverkalkingen bij CT-scans in de gewone ziekenhuiszorg. Ook in de gewone zorg dragen de verkalkingen bij aan de voorspelling van hart- en vaatziekten. Maar het betekent niet dat de CT-scan (een driedimensionale röntgenfoto) standaard ingezet zal worden om hart- en vaatziekten op te sporen, relativeert Jacobs. Daarvoor is de toegevoegde waarde te klein. "Maar het is voor het eerst dat we definities hebben opgesteld voor kalkscores die op een CT zichtbaar zijn. Die zijn relevant voor de klinische praktijk. Radiologen komen vaak verkalking tegen, maar het is niet duidelijk wat de betekenis ervan is. Vanwege het ontbreken van een goede classificatie wordt informatie over aderverkalking lang niet altijd in het patiëntendossier opgenomen. Dankzij de resultaten van dit onderzoek kunnen radiologen via de hoeveelheid aderverkalking het risico op hart- en vaatziekten inschatten."

Peter Jacobs promoveert op 2 februari aan het UMC Utrecht. Prof. dr. Willem Mali en prof. dr. Yolanda van der Graaf van het UMC Utrecht begeleidden zijn onderzoek.

In Codex Medicus: Hart- en vaatziekten
Hoger risico op andere kanker voor erfelijk belaste oogkankerpatiënten

Amsterdam 29 januari 2010 - Vooral jonge kinderen in de leeftijd van 0 tot 4 jaar krijgen de kwaadaardige oogtumor retinoblastoom. Een oogkanker die in het netvlies ontstaat. Hoewel de ziekte goed te behandelen is blijkt uit recent onderzoek dat de medische gevolgen op latere leeftijd aanzienlijk zijn. Met name de patiëntjes die de erfelijke variant van retinoblastoom hebben, lopen een behoorlijk groot risico om op latere leeftijd andere vormen van kanker te krijgen. Onderzoekster Tamara Marees promoveert met haar onderzoek op vrijdag 29 januari 2010 aan VU medisch centrum in Amsterdam.


Het risico op het krijgen van een andere vorm van kanker bij erfelijke belastte retinoblastoom patiënten is ruim 20 keer hoger dan dat in de Nederlandse bevolking. Voor erfelijk belastte retinoblastoompatiënten die behandelt zijn met bestraling is het risico op een andere vorm van kanker drie keer hoger dan voor diegenen die op andere wijze zijn behandeld. Verder zijn er aanwijzingen in het DNA gevonden die zorgen voor zowel een verhoogd als een verlaagd risico op een andere vorm van kanker. Dit zijn enkele van de uitkomsten uit het promotieonderzoek van Tamara Marees.


Veertig procent van de patiënten met retinoblastoom hebben de erfelijke variant. Het is met name deze categorie patiënten die een groot risico loopt om op latere leeftijd andere tumoren te ontwikkelen. Het blijkt dat 40 jaar na de retinoblastoom diagnose 28% van de patiënten een andere vorm van kanker heeft gekregen. Bij kinderen en jong-volwassenen zijn dit met name weke-delentumoren en botkanker. Volwassenen op middelbare leeftijd krijgen met name borst-, blaas- en longkanker.

De oorzaak van deze grotere kans is tweeledig. Enerzijds is dit het gevolg van een fout in het DNA van de patiënten, waardoor aanvankelijk ook de oogtumor zich kon ontwikkelen. Anderzijds komt het door de behandeling, met name de bestraling verhoogt de bestaande kans op kanker op latere leeftijd.


Marees maakte voor haar onderzoek gebruik van gegevens uit 's werelds meest complete database. Hierin staan de gegevens van retinoomblastoompatiënten die het langst zijn gevolgd en waarover dus veel bekend is over de medische historie. Hierdoor kon een groot aantal mensen die ooit retinoblastoom hebben gehad worden benaderd met een vragenlijst. In deze vragenlijst werd onder meer gevraagd naar de medische geschiedenis, waaronder medicatiegebruik en het hebben van aandoeningen waaronder kanker.


Retinoblastoompatiënten blijven in VUmc langdurig onder controle van een multidisciplinair team. Hierin werken verschillende specialismen samen: de oogarts, de (kinder)oncoloog, patholoog, klinisch geneticus, radioloog en psycholoog. Doel is om een korte lijn te creëren tussen arts en patiënt, zodat de patiënt direct bij een specialist terecht kan indien nodig.

In Codex Medicus: Retinoblastoom

Deklaag stimuleert vorming nieuw bot tandheelkundige implantaten

Nijmegen, 28 januari 2010 - Het succes van orthopedische en tandheelkundige implantaten hangt grotendeels af van de inheling van het implantaat in het botweefsel. De vorming van nieuw bot op een implantaatoppervlak is te stimuleren door een zogenaamde biofunctionele deklaag op het implantaat aan te brengen. Een dergelijke deklaag kan zorgen voor een goede hechting tussen bestaand botweefsel en het lichaamsvreemde element. Lise de Jonge ontwikkelde geavanceerde deklagen die de organische en niet-organische componenten van bot nabootsen. Ze deed ook onderzoek naar de werkzaamheid ervan. Op 29 januari promoveert zij aan de Radbouduniversiteit in Nijmegen op dit onderzoek.


Ze bracht deze deklagen aan op de implantaatoppervlakken met behulp van een "electrospray" techniek, die tot nu toe alleen gebruikt werd voor het vervaardigen van onder andere zonnecellen. Diverse studies toonden vervolgens aan dat deze deklagen de botmineralisatie stimuleerden. Dit is van fundamenteel belang voor goede verankering van het implantaat in het lichaam. Bovendien was de hechtsterkte van deze deklagen aan het onderliggende implantaat voldoende om de krachten, die optreden tijdens het plaatsen van het implantaat, te weerstaan. De conclusie is dat deze biofunctionele deklagen zeer veelbelovend zijn om het succes van botimplantaten te verbeteren.

In Codex Medicus: Tandheelkundige implantaten

Immuunsysteem te sturen met suikers


Amsterdam, 27 januari - Door de 'suikerlaag' van ziekteverwekkers en tumorcellen te manipuleren is het mogelijk om het immuunsysteem sterker te maken, waardoor bijvoorbeeld tumorcellen aangevallen worden.


Dit blijkt uit onderzoek van immunologe Marieke Bax. Zij promoveert op 27 januari aan VU medisch centrum.


Bax ontdekte dat suikerstructuren waarmee ziekteverwekkers en tumorcellen behangen zijn, een belangrijke rol spelen in de herkenning door het immuunsysteem. Bepaalde suikerstructuren kunnen de afweerreactie van het immuunsysteem versterken, wat nodig is bij het aanvallen van tumorcellen en het opruimen van ziekteverwekkers die infecties veroorzaken.


Ook het omgekeerde blijkt mogelijk: in geval van een auto-immuunziekte zoals reuma kan toevoeging van specifieke suikers ervoor zorgen dat een immuunreactie afgezwakt wordt, waardoor het eigen weefsel niet meer wordt afgebroken door het immuunsysteem. Dit alles biedt mogelijkheden om vaccins tegen tumoren en auto-immuunziekten te ontwikkelen.


Het onderzoek laat zien dat door middel van het toedienen van specifieke suikerstructuren immuunreacties gestuurd kunnen worden. Door gebruik te maken van deze specifieke suikerstructuren om het immuunsysteem te manipuleren kan een belangrijke bijdrage geleverd worden aan de ontwikkeling van vaccinatiestrategieën tegen tumoren en auto-immuunziekten.

In Codex Medicus: Auto-immuunziekten

Nederlanders slecht geïnformeerd over (de gevolgen van een) beroerte


Den Haag, 26 januari 2010 - Bijna alle Nederlanders van 45 jaar en ouder hebben wel eens gehoord van de term beroerte. De term CVA is daarentegen veel minder bekend, de helft heeft hier wel eens van gehoord. Ongeveer de helft van de ondervraagden kent iemand in zijn directe omgeving die een beroerte heeft gehad.


80 tot 90% van de mensen herkent vooral kortetermijnklachten, zoals moeilijk spreken of verlamming van arm of been. Langetermijngevolgen zoals emotionele vervlakking, depressieve stemmingen en planningsproblemen zijn minder bekend. Slechts een kwart van de ondervraagden weet dat dit ook gevolgen van een beroerte kunnen zijn.


Daarnaast weten de mensen redelijk weinig van de herstelmogelijkheden na een beroerte.  Ruim vier op de tien denken, onterecht, dat in de eerste drie maanden na een beroerte het meeste herstel plaatsvindt. In het totale eerste jaar na de beroerte vindt het meeste herstel plaats. Eenderde denkt dat je na een beroerte volledig herstelt, en niet (mogelijk) voor de rest van je leven klachten kan houden. En een kwart ziet geen heil in het revalideren jaren na een beroerte, terwijl dit wel zinvol kan zijn. Ook denkt een kwart van de ondervraagden dat revalidatie alleen zinvol is voor lichamelijke problemen, terwijl er juist ook de gevolgen op gedragsmatig of emotioneel gebied mogelijk nog behandeld kunnen worden.


In Codex Medicus: Cerebrovasculair accident

Gentherapie ontwikkeld en onderzocht om heupprothese-loslating te voorkomen

Leiden, 25 januari 2010 - Jaarlijks worden wereldwijd ongeveer 1 miljoen totale heupprothesen geplaatst, meestal bij patiënten met reumatoïde artritis (5%) of artrose (95%). Een belangrijke complicatie bij totale heupprothesen is mechanische loslating van de prothese, wat kan leiden tot pijn en problemen met lopen en een groter risico op luxaties en pathologische fracturen. Binnen 10 jaar na plaatsing van de totale heupprothese heeft 7-13% van de patiënten een revisie nodig, omdat er loslating van de prothese is opgetreden. Het aantal revisie operaties van een heupprothese gaat waarschijnlijk de komende jaren flink toenemen, omdat we geneigd zijn protheses op steeds jongere leeftijd te plaatsen en omdat de patiënten steeds ouder worden. Revisiechirurgie van de heup geeft veel complicaties bij oudere patiënten en is geassocieerd met minder verbetering in sociale uitkomst, vergeleken met primaire totale heup artroplastiek bij patiënten van alle leeftijden. Veel studies hebben zich geconcentreerd op de relatief goede technische resultaten van revisie heupartroplastiek bij patiënten van alle leeftijden. De impact op de kwaliteit van het leven van de patiënt, vooral bij oudere patiënten, wordt echter onderbelicht.

Het proefschrift van mw. J.J. de Poorter is opgezet om een alternatieve behandeling voor heupprothese-loslating te ontwikkelen en te analyseren. De onderzoekers gebruikten een gene-directed enzyme prodrug therapie (GDEPT) om interface weefsel te doden en te verwijderen, waarna ze botcement rond de prothese spoten onder doorlichting en CT-geleid.

In Codex Medicus: Gewrichtsprothese
Preventieve antibiotica voorkomen geen infectie bij taaislijmziekte

Utrecht, 22 januari 2010 - Behandeling met preventieve antibiotica bij kinderen met taaislijmziekte voorkomt geen infecties met Pseudomonas-bacteriën. Dat concludeert Gerdien Tramper-Stranders in haar proefschrift. De Pseudomonas-bacterie veroorzaakt chronische longinfecties. Tramper-Stranders onderzocht 65 kinderen met taaislijmziekte zonder Pseudomonas-infectie. De helft kreeg gedurende 3 jaar regelmatig preventieve antibiotica, de andere helft een placebo. Na afloop van deze periode bleek dat de preventieve antibiotica een infectie niet kon voorkomen.

Doordat chronische longinfecties met de Pseudomonas-bacterie erg ongunstig voor patiënten met taaislijmziekte zijn, is het van belang om meer over de eigenschappen van deze Pseudomonas-bacterie te weten te komen. Het promotieonderzoek van Gerdien Tramper-Stranders wees uit dat de Pseudomonas-bacteriën die bij veel taaislijmziektepatiënten werden gevonden opvallende gelijkenis hadden (een zogenaamde kloon); dit was niet het geval bij bacteriën van kinderen met Pseudomonas-infecties zonder taaislijmziekte.

Een eerste Pseudomonas-infectie bij patiënten met taaislijmziekte wordt intensief met antibiotica behandeld maar dit is niet altijd succesvol. Uit het onderzoek van Tramper-Stranders bleek het helaas onmogelijk om aan de hand van bacteriële eigenschappen te bepalen welke Pseudomonas-bacteriën succesvol behandeld konden worden. Het voorkomen van infectie zou daarom nog beter zijn. Dit werd onderzocht bij 65 kinderen met taaislijmziekte zonder Pseudomonas-infectie. De helft kreeg gedurende 3 jaar regelmatig preventieve antibiotica, de andere helft een placebo. Wat bleek: de preventieve antibiotica konden een infectie niet voorkomen.

Wanneer een chronische Pseudomonas-infectie optreedt, wordt vaak behandeld met het antibioticum azithromycine. Dit antibioticum doodt de Pseudomonas-bacterie niet, maar remt de uitscheiding van kwalijke stoffen door de bacterie. Dit onderzoek wees uit dat langdurige behandeling met azithromycine de longfunctie tijdelijk verbetert. Echter, een andere veroorzaker van longinfecties bij taaislijmziektepatiënten, de Staphylococ-bacterie, werd snel resistent voor het antibioticum. Een mogelijk vervelend gevolg voor gezinsleden van patiënten, omdat deze Staphylococ-bacteriën van patiënten naar overige gezinsleden worden overgedragen en soms veroorzaker kunnen zijn van huid- of wondinfecties. Gelukkig bleek de overdracht van deze resistente bacteriën niet voor te komen. Een groter risico tot deze ongewenste resistentie bleek het gebruik van antibiotica door het gezinslid zelf.

In Codex Medicus: Cystische fibrose
Oorzaak perinatale sterfte beter vast te stellen


Groningen, 21 januari 2010 - Een nieuw in het Universitair Medisch Centrum Groningen ontwikkeld classificatiesysteem stelt artsen in staat bij 80 procent van de doodgeboren kinderen de doodsoorzaak vast te stellen. Gynaecoloog in opleiding Fleurisca Korteweg ontwikkelde en testte dit systeem, en stelde tevens vast welke onderzoeken nodig zijn om de doodsoorzaak te vinden. Dit heeft geleid tot een klinische richtlijn die landelijk zal worden ingevoerd. Met deze resultaten kan een aantal doodgeboortes in de toekomst waarschijnlijk worden voorkomen. Korteweg promoveert op 27 januari 2010 aan de Rijksuniversiteit Groningen.


Het overlijden van een kind voor of kort na de geboorte is voor zowel ouders als hulpverleners een dramatische gebeurtenis. In ontwikkelde landen eindigt 1 op de 200 zwangerschappen in een doodgeboorte, in Nederland zijn dit jaarlijks 1200-1400 kinderen. Dit is vijf keer meer dan het aantal wiegendoden en twee keer het aantal dodelijke verkeersslachtoffers. Om doodgeboortes te kunnen voorkomen, is meer inzicht nodig in de oorzaken daarvan. Tot nu toe ontbrak er in Nederland, maar ook wereldwijd, één standaardsysteem om de doodsoorzaak vast te stellen maar ook was onduidelijk welke onderzoeken verricht moeten worden om die doodsoorzaak te kunnen vaststellen. Mede hierdoor werd bij tweederde van de doodgeboren baby's geen doodsoorzaak gevonden.

Tulip classificatie

Promovenda Fleurisca Korteweg ontwikkelde samen met haar collega's een nieuw classificatiesysteem: de Tulip-classificatie. Dit systeem kan onderscheid maken tussen de risicofactoren - bijvoorbeeld roken van de moeder, overgewicht van de moeder, laag geboortegewicht van de baby - en de werkelijke doodsoorzaak, zoals bijvoorbeeld placentaproblemen. Korteweg schreef ook een duidelijke richtlijn over hoe dit classificatiesysteem gebruikt moet worden. Ze introduceerde dit systeem bij 50 Nederlandse ziekenhuizen, waarna ze 1025 doodgeboortes onderzocht. In 65 procent van de gevallen bleek het slecht functioneren van de placenta de doodsoorzaak te zijn.

Betere voorlichting

Korteweg en haar collega's hebben op basis van hun onderzoek een diagnostisch protocol bij doodgeboorte opgesteld, dat landelijk zal worden ingevoerd.


In Codex Medicus: Perinatale sterfte

Regionale traumazorg vermindert sterfte


Utrecht, 20 januari 2010 - In de regio Utrecht hebben patiënten sinds de invoering van regionale traumazorg zestien procent minder kans om te overlijden als ze na een ongeluk het ziekenhuis binnengebracht worden. Dat blijkt uit onderzoek van het UMC Utrecht.


Onderzoekers van het UMC Utrecht analyseerden bijna zeventigduizend traumagevallen in twee perioden. Ze vergeleken de kans op overlijden van traumapatiënten in de regio Utrecht vóór de invoering van regionale traumazorg, tussen 1996 en 1998, met de overlijdenskans na invoering van het nieuwe systeem, tussen 2003 en 2005.


Na landelijke invoering van de regionale traumazorg blijkt een Utrechtse traumapatiënt minder kans te hebben om te overlijden in het ziekenhuis. In de periode 1996-1998 overleden 870 patiënten (2,6 procent van het totaal), in de periode 2003-2005 waren dat 810 patiënten (2,3 procent). Gecorrigeerd voor ernst van de verwondingen betekent het een sterftevermindering van 16 procent. Het betekent waarschijnlijk dat in heel Nederland traumaslachtoffers minder vaak overlijden in het ziekenhuis, maar de onderzoekers van het UMC Utrecht hebben alleen traumapatiënten in de regio Utrecht geanalyseerd.


Nederland heeft elf regionale traumacentra. Deze zijn vaak ondergebracht in een universitair medisch centrum. Het UMC Utrecht huisvest het traumacentrum voor de regio Utrecht. Traumacentra hebben speciale voorzieningen zoals high level intensive care. Daarnaast zijn ze 24 uur per dag, 7 dagen per week bemand en zijn specialisten op het gebied van traumachirurgie en bijvoorbeeld neurochirurgie aanwezig. Binnen een regio worden traumapatiënten verdeeld over gewone ziekenhuizen of het traumacentrum. Vóór de invoering van het regionale systeem bestonden geen afspraken over de verdeling van patiënten.


De meeste traumapatiënten zijn het slachtoffer van verkeersongelukken of van ongevallen in en om het huis.


In Codex Medicus: Traumacentrum

Belangrijke doorbraak voor mensen met ME/CVS


Den Haag, 19 januari 2010 - Staatssecretaris Jet Bussemaker erkent het Chronisch Vermoeidheid Syndroom (CVS, ook bekend als ME) als chronische ziekte. Als de Tweede Kamer haar voorstel overneemt komen alle ME/CVS-patiënten in Nederland eindelijk in aanmerking voor tegemoetkomingen in het kader van de WMO en de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg).


De ME/CVS-Stichting Nederland heeft jarenlang gepleit voor de plaatsing van ME/CVS op de VWS-lijst (de zogenoemde Lijst Borst) voor chronische aandoeningen. Op dit moment worden mensen met ME/CVS nog steeds uitgesloten van het recht op ondersteunende voorzieningen.


Staatssecretaris  Bussemaker vroeg een onafhankelijke Taskforce onder leiding van oud-staatssecretaris Robin Linschoten om te onderzoeken welke aandoeningen in aanmerking zouden moeten komen voor tegemoetkomingen. De Taskforce Linschoten  concludeerde in haar eindrapport dat onder meer mensen met ME/CVS onterecht buiten de Wtcg vallen, en adviseerde de staatssecretaris om het Chronisch Vermoeidheidsyndroom in de afbakening mee te nemen. De staatssecretaris heeft dit advies overgenomen en de voorzitter van de Tweede Kamer hierover geïnformeerd. Binnenkort wordt het voorstel behandeld in het parlement.


In Codex Medicus: Myalgische encefalomyelitis

Artrose komt niet door slijtage


Roeselare, 18 januari 2010 - Wanneer mensen aan artrose denken, denken ze vaak aan oude mensen met versleten botten. Maar artrose is een ziekte die men op elke leeftijd kan krijgen.


Artrose is een chronische aandoening van het gewrichtskraakbeen tussen de botten en wervels. Dat kraakbeen moet de gewrichten beschermen bij het bewegen, zodat ze niet op elkaar gaan schuren, maar soepel bewegen. Gezond kraakbeen is daarom erg glad. Bij artrose wordt het ruw en onregelmatig, en op sommige plaatsen kan het zelfs helemaal verdwijnen. Daardoor voelen patiënten stijfheid en pijn bij het bewegen. Kleine stukjes losgeslagen kraakbeen kunnen ook irritaties en ontstekingen in het gewricht veroorzaken.


Er bestaan twee vormen van artrose:

-  primaire artrose: er is geen aanwijsbare oorzaak voor de artrose, en ze kan op elke leeftijd optreden. Deze vorm kan ook erfelijk zijn. In dat geval ontstaat de artrose meestal voor het veertigste levensjaar.
-  secundaire artrose: kan ook op elke leeftijd voorkomen, maar heeft wel een duidelijke oorzaak. Vaak komt de beschadiging van het gewrichtskraakbeen door een breuk, operatie, erfelijke afwijking of een ontsteking van het gewricht. Secundaire artrose kan ook ontstaan door abnormale belasting van het gewricht.


Artrose kan voorkomen in één gewricht (mono-articulaire artrose) of in meerdere gewrichten (poly-artrose).


Misverstanden over artrose
Dat artrose geen ouderdomsziekte is, en dat het niet zomaar wat slijtage is, is intussen wel duidelijk. Maar er bestaan nog enkele andere misverstanden over artrose:


- Artrose is niet te behandelen
Artrose is niet te genezen, maar een behandeling is zeker wel zinvol. Pijn en ontstekingen kunnen worden behandeld met medicijnen. Met oefentherapie kan de stijfheid bestreden worden. Bovendien houd je zo de spieren sterk en soepel. Gewrichten kunnen in sommige gevallen operatief vervangen worden door kunstgewrichten.
- Artrose is hetzelfde als reuma
Ook dit is niet waar. Chronische ontstekingsreuma (reumatoïde artritis) is ook een aandoening van de gewrichten, maar is een gewrichtsontsteking in plaats van kraakbeenachteruitgang. Het gaat wel vaak samen met artrose.

- Gewrichten slijten door beweging
Nee, juist het tegendeel: bewegen is noodzakelijk om gewrichten soepel te houden.


In Codex Medicus: Artrose

Obesitas is bovenal een gedragsprobleem

Maastricht, 16 januari 2010 - De algemene opinie is dat obesitas vooral een biomedisch en maatschappelijk probleem is. Dat is een vergissing; obesitas is bovenal een gedragsprobleem en gedragsproblemen moeten binnen de GGZ behandeld worden, zo stellen onderzoekers van de Universiteit Maastricht in een artikel in het blad GZ-Psychologie. Cognitieve gedragstherapie gericht op het reduceren van impulsief gedrag biedt interessante mogelijkheden. Zo toont recent onderzoek van de Universiteit Maastricht aan dat behandeling door diëtisten aangevuld met cognitieve therapie door gedragstherapeuten, terugval na dieet helpt te voorkomen. Wie anders leert denken over eten, loopt veel minder risico om terug te vallen.

Ongeveer de helft van de Nederlanders is te dik. Overgewicht (BMI tussen 25 en 30) komt bij 40% voor en ongeveer 11% is obees (BMI boven 30). Obesitas wordt momenteel hoofdzakelijk behandeld door (para)medici, zoals diëtisten en artsen, en het wordt voornamelijk bestudeerd door biologen, medici en epidemiologen. Psychologen hebben zich lange tijd weinig of niets aangetrokken van het probleem.

Recent onderzoek laat zien dat obesitas een gedragsprobleem is waarbij de gebrekkige regulatie van eetgedrag centraal staat. Obesen zijn impulsief en uiterst gevoelig voor onmiddellijke beloningen en relatief ongevoelig voor uitgestelde negatieve gevolgen. Onderzoek naar voedingsvoorkeuren en eetgedrag laat zien dat obese mensen een hoge belonende waarde toekennen aan vet en hoogcalorisch voedsel. Tegelijkertijd is er sprake van verminderde zelfcontrole of zelfregulatie; het is moeilijk voor obese mensen om zichzelf in de hand te houden. Cognitieve gedragstherapeuten zouden de aangewezen hulpverleners zijn om obese mensen te leren hun disfunctionele gedrags- en denkpatronen te veranderen. ‘Cue exposure’ met responspreventie is een effectieve methode om aangeleerde excessieve eetlust te verminderen en inhibitietraining zou de impulsiviteit kunnen verminderen.

Ongeveer de helft van de obesen is in meer of mindere mate depressief, ze lijden onder hun lichaamsgewicht en schamen zich voor hun lichaam. Deze stemmingsproblemen verergeren op hun beurt het overeten weer. Cognitieve herstructurering die de schaamte over het eigen lichaam, de gebrekkige zelfwaardering en ook het stemmingsprobleem aanpakt blijkt vooral bij mild depressieve obesen zeer succesvol te zijn.

Obesitas staat niet in de diagnostische bijbel Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM) en wordt dus niet erkend als een psychologisch probleem. Er is op dit moment geen Diagnose-Behandel-Combinatie (DBC) om obesitas mee te behandelen binnen de GGZ. Dat betekent dat cognitieve gedragstherapeutische behandeling niet door de zorgverzekering betaald wordt en dat moet veranderen. Een mogelijkheid die de auteurs zien is het voorlopig in het DBC-systeem op te nemen onder de diagnose ‘eetstoornis NAO’ (Niet Anderszins Omschreven).

In Codex Medicus: Obesitas
UMCG start Centrum voor Neuromodulatie

Groningen, 15 januari 2010 - Het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) bundelt zijn expertise en activiteiten op het gebied van neuromodulatie in één centrum.

Patiënten kunnen voortaan terecht op een multidisciplinair spreekuur neuromodulatie, waarbij specialisten van verschillende afdelingen zijn betrokken. De patiënt krijgt zo tijdens één bezoek een advies over alle behandelmogelijkheden. Bij het centrum zijn specialisten van onder meer de afdelingen neurochirurgie, neurologie, anesthesiologie, revalidatie, cardiologie, urologie en KNO betrokken.

Expertisecentrum
De neuromodulatietechniek is in Nederland in enkele centra beschikbaar. De afdeling neurochirurgie van het UMCG vormt al vele jaren een van de expertisecentra op het gebied van neuromodulatie. Het centrum voor neuromodulatie verwacht ongeveer veertig nieuwe patiënten per jaar te kunnen behandelen.

In Codex Medicus: Neuromodulatie
Controverse over relatie tussen euthanasie en palliatieve zorg


Brussel, 14 januari 2009 - Kan euthanasie deel uitmaken van goede palliatieve zorg, of zijn euthanasievragen net het gevolg van gebrek hieraan? Over deze vraag bestaat nog steeds heel wat controverse, vooral in het buitenland. Het debat over de relatie tussen euthanasie en palliatieve zorg wordt vaak vertroebeld door emotionele argumenten en persoonlijke meningen, maar in een recente studie verzamelden onderzoekers van de onderzoeksgroep Zorg rond het Levenseinde van de Vrije Universiteit Brussel voor het eerst objectief cijfermateriaal. De studie deed heel wat stof opwaaien in het toonaangevende tijdschrift British Medical Journal


Heel wat mensen uit de palliatieve zorgsector in Europa en daarbuiten geloven dat euthanasieverzoeken voortkomen uit een gebrekkige toegang tot palliatieve zorg, en dat het aanbieden van een goede palliatieve zorg een antwoord kan bieden op elk euthanasieverzoek. Dit wordt echter tegengesproken door de studie van prof. dr. Lieve Van den Block en prof. dr. Luc Deliens van de Vrije Universiteit Brussel, die werd uitgevoerd in samenwerking met de Belgische Huisartsenpeilpraktijken en gecoördineerd door het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid. De Belgische Huisartsenpeilpraktijken vormen een netwerk van Vlaamse, Waalse en Brusselse huisartsen, representatief voor alle Belgische huisartsen. Zij registreerden in 2005 en 2006 alle overlijdens in hun praktijk en rapporteerden zowel medische beslissingen aan het levenseinde als de geleverde zorg in de laatste levensmaanden. De onderzoekers bestudeerden alle niet-plotse overlijdens, in totaal waren dat er 1690.


De onderzoekers stelden vast dat mensen die euthanasie krijgen even vaak gebruik maken van gespecialiseerde multidisciplinaire palliatieve zorgequipes dan andere overlijdens. Er bleek ook een duidelijk verband tussen euthanasie en spirituele zorg, een belangrijke component van palliatieve zorg: uit de cijfers blijkt immers dat het aantal mensen dat aan hun levenseinde spirituele of existentiële zorg kregen beduidend hoger ligt in de groep die stierf door euthanasie dan bij de andere overlijdens. Volgens de onderzoekers wijst dit erop dat artsen gesprekken over euthanasie en de dood als een soort van existentiële zorgverlening zien, en dat euthanasie hierdoor vaak impliciet hand in hand gaat met spirituele zorg in België.


Het onderzoek lokte al snel enkele heftige reacties uit van collega's uit Amerika en Engeland. Volgens hen hebben artsen de morele plicht om het leven centraal te stellen en mogen geen dodelijke drugs gebruiken, ook al vraagt de patiënt daar expliciet om. Volgens de critici is euthanasie geen palliatieve zorg, omdat het geen liefde, zorg, geduld, klinische vaardigheden of menselijkheid zou omvatten. In een bijhorend editoriaal in het British Medical Journal staat eveneens dat het verkeerd zou zijn ervan uit te gaan dat deze gegevens wijzen op het incorporeren van euthanasie in de palliatieve zorg.


In Codex Medicus: Euthanasie en Palliatieve zorg

Moedersterfte in Nederland toegenomen


Amsterdam, 13 januari 2010 - De moedersterfte in Nederland is toegenomen. In de periode 1993 tot 2005 stierven gemiddeld 12,1 moeders per 100.000 levend geboren kinderen, een significante toename ten opzichte van een sterftecijfer van 9,7 in de periode 1983 tot 1992. Per jaar komt dat neer op 24 vrouwen. Dit blijkt uit onderzoek van Joke Schutte, gynaecoloog bij de Isala klinieken in Zwolle, die op 29 januari promoveert bij VU medisch centrum.
 

De toename in moedersterfte in de onderzochte periode komt vooral doordat er meer vrouwen na de geboorte van hun kind overlijden aan een ziekte die zij al hadden voordat ze zwanger werden. Dit zijn met name hart-en vaatziekten. Tegenwoordig worden meer vrouwen met een ernstige ziekte wel zwanger, terwijl zij in het verleden vaker een negatief zwangerschapsadvies zouden krijgen.


Sterfte tijdens of na de zwangerschap in Nederland komt vooral door zwangerschapsvergiftiging. Vanaf 2003 daalt dit aantal echter. Zwangerschapsvergiftiging wordt tegenwoordig eerder ontdekt en de vrouwen worden beter behandeld. Risicogroepen voor moedersterfte zijn oudere vrouwen, allochtone vrouwen en vrouwen die al meerdere kinderen gebaard hebben. Van de allochtone vrouwen hebben vrouwen uit sub-Sahara Afrika, Azië, de Nederlands Antillen en Suriname een verhoogd risico. Dit wordt mogelijk veroorzaakt door de (on)bekendheid met het Nederlandse zorgsysteem, de kennis van de taal en de omvang van sociale netwerken.


 "Moedersterfte in Nederland komt op zich weinig voor. Maar dit onderzoek laat zien dat er wel degelijk ruimte is voor verbetering", aldus Joke Schutte.


In Codex Medicus: Moedersterfte

Antidepressiva tijdens zwangerschap verhogen kans op aangeboren afwijkingen

Groningen, 12 januari 2009 - Het gebruik van antidepressiva is in Nederland de afgelopen jaren enorm toegenomen. Ook zwangere vrouwen maken toenemend gebruik van deze medicijnen: tussen 1995 en 2004 is het gebruik meer dan verdubbeld. Recent onderzoek laat zien dat het gebruik van deze antidepressiva tijdens de zwangerschap negatieve gevolgen kan hebben voor het kind. Onder meer de kans op aangeboren afwijkingen neemt toe. Het promotieonderzoek van Marian Bakker van het Universitair Medisch Centrum Groningen naar de veiligheid van medicijngebruik tijdens zwangerschap bevestigt het bestaande beeld en vergroot het inzicht in de problematiek.

Bakker laat zien dat er meer atriumseptumdefecten (een hartafwijking) voorkomen bij baby’s, als de moeder het antidepressivum paroxetine gebruikt in het begin van de zwangerschap. Hiermee bevestigt Bakker resultaten uit eerdere studies. Ook vond Bakker een verband tussen het gebruik van fluoxetine (een ander antidepressivum) tijdens het begin van de zwangerschap en een vernauwing van de kringspier tussen maag en dunne darm bij het kind. Dit verband werd niet eerder aangetoond. Nader onderzoek moet de relatie tussen het gebruik van dit medicijn en de vernauwing van de kringspier verder ophelderen.

In Codex Medicus: Antidepressiva
Gonokok sneller dan huisarts


Utrecht, 11 januari 2010 - Huisartsen schrijven bij de geslachtsziekte gonorroe te vaak een antibioticum voor waartegen de veroorzakende bacterie inmiddels resistent is. Zij volgen daarbij niet de aanbevelingen uit de NHG-standaard.


Gonokokken, de bacteriën die gonorroe veroorzaken, zijn in toenemende mate resistent tegen het antibioticum ciprofloxacine. In 2008 was van de aangetroffen gonokokken, bij homoseksuele mannen 50% en bij heteroseksuelen 25% resistent, zo blijkt uit de surveillance van het RIVM. Vanwege die toenemende resistentie adviseert het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) in de standaard Het soa-consult uit 2004 een ander antibioticum voor te schrijven als eerste keuze en ciprofloxacine als tweede keuze. Desondanks schrijven huisartsen dit laatste nog steeds veel vaker voor.


Resistentie
In 2005, 2006, 2007 stelden de huisartsen van het Landelijk InformatieNetwerk Huisartsenzorg (LINH) 71, 67 en 82 keer de diagnose gonorroe. Bij 90% schreven ze zelf een geneesmiddel voor. Dit was vaker ciprofloxacine dan cefalosporine, het antibioticum dat de voorkeur krijgt in de NHG-standaard vanwege de toenemende resistentie tegen ciprofloxacine. Cefalosporine wordt wel wat vaker voorgeschreven dan voorheen, maar in 2007 was dat nog steeds slechts in eenderde van de gevallen.


Dynamische richtlijnen
De onderzoekers pleiten voor actuele dynamische richtlijnen en voor een systematischer gebruik van een up-to-date elektronisch voorschrijfsysteem. "Anders verandert de gonokok sneller in zijn resistentiepatroon dan de huisarts in zijn voorschrijfgedrag." Overigens zijn ook al signalen gemeld over verminderde gevoeligheid van gonokokken voor cefalosporine.


In Codex Medicus: Gonorroe

Doorbraak in preventie van wondinfectie na operatie

Rotterdam, 8 januari 2010 - Onderzoekers van de afdeling Medische Microbiologie en Infectieziekten van het Erasmus MC hebben aangetoond dat het risico op een ziekenhuisinfectie met Staphylococcus aureus met 60% verlaagd kan worden. Dit resultaat wordt bereikt door patiënten bij opname te controleren op neusdragerschap met deze bacterie en ze direct te behandelen voor hun dragerschap als de bacterie is gevonden.

Een op de drie mensen draagt van nature Staphylococcus aureus bij zich in de neus en op de huid. Bij verwondingen kan S.aureus binnendringen en ernstige infecties veroorzaken. Verreweg de meeste S. aureus infecties worden veroorzaakt door de bacterie die mensen zelf al bij zich droegen voordat zij ziek werden. Dragers van S.aureus hebben dus een verhoogd risico op infecties met deze bacteriesoort.

Dit geldt ook voor ziekenhuisinfecties met S.aureus. De bacterie veroorzaakt 10-15 % van alle ziekenhuisinfecties. Dat zijn ongeveer 15 à 20 duizend infecties per jaar in Nederlandse ziekenhuizen. Dit betreft voornamelijk wondinfecties na operatie en bloedbaaninfecties bij intraveneuze katheters. Het tijdelijk weghalen van deze bacterie op een tijdstip dat er een verhoogde kans is op S.aureus infecties, vooral tijdens een ziekenhuisopname, beschermt deze patiënten tegen 'zelf-infectie' met S.aureus. In totaal werden 917 S.aureus neusdragers opgespoord en in het onderzoek betrokken. Zij werden behandeld met een antibioticazalf in de neus en gewassen met een desinfecterende zeep, of zij kregen een placebo voor beide middelen. Het bleek dat in de groep die met de werkzame middelen was behandeld het risico op ziekenhuisinfecties met S. aureus met 60% afnam. Het preventieve effect was het sterkst bij postoperatieve wondinfecties met S. aureus. Met name de ernstigste vormen van S.aureus wondinfecties werden voorkomen met deze methode. Bij die vormen werd een reductie van 80% gehaald.

Universele screening en eliminatie van S.aureus dragerschap bij opname van patiënten in het ziekenhuis, vooral als zij risicovolle ingrepen moeten ondergaan, zal duizenden ziekenhuisinfecties met deze bacteriesoort kunnen voorkomen.

In Codex Medicus: Meticillineresistente staphylococcus-aureus-infectie
Veel grotere overlevingskans bij hartstilstand door AED


Den Haag, 7 januari 2010 - Als hulpverleners een AED gebruiken, overleeft bijna de helft van de slachtoffers een hartstilstand  Dat is de belangrijkste conclusie uit een onderzoek naar het effect van openbare AED's in Noord-Holland. De Nederlandse Hartstichting heeft dit bekend gemaakt.


15 jaar geleden overleefden in de regio Noord-Holland ongeveer 1 op de 10 mensen een hartstilstand buiten het ziekenhuis. Nu is dat 1 op de 5. Jaarlijks krijgen 15.000 tot 16.000 mensen in Nederland een hartstilstand buiten het ziekenhuis.


Op iedere straathoek
Onderzoeksleider dr. R.W. Koster, cardioloog van het AMC, doet al jarenlang onderzoek naar de vraag hoe meer mensen een hartstilstand kunnen overleven.

Koster: "De resultaten uit het onderzoek pleiten voor meer AED's in het openbaar, met name in woonwijken. De meeste hartstilstanden vinden namelijk in en om het woonhuis plaats. Bij wijze van spreken zou op elke hoek van de straat een AED moeten hangen. Een goede infrastructuur voor de hulpverlening is daarbij onmisbaar. De meldkamer moet een beroep kunnen doen op getrainde mensen in de buurt die de AED kunnen bedienen."


Grotere overlevingskans
Snelle en doeltreffende hulp na een hartstilstand is van levensbelang. Reanimatie (hartmassage en mond-op-mondbeademing) en defibrillatie binnen de eerste 6 minuten zijn cruciaal. Ambulances hebben een aanrijtijd van gemiddeld 10 minuten. Dan is het voor de meeste slachtoffers te laat. Maken omstanders gebruik van een AED, dan kan de overlevingskans van het slachtoffer oplopen tot 50%.


Meer informatie over het overleven van een hartstilstand buiten het ziekenhuis op 6 MINUTEN.


In Codex Medicus: AED

Belgische gezondheidsraad waarschuwt voor gevaren energiedranken


Brussel, 6 januari 2010 - De Belgische Hoge Gezondheidsraad (HGR) roept op tot waakzaamheid i.v.m. de consumptie van energiedranken bij de jeugd. Deze dranken zijn populair bij de jeugd, maar het gebruik ervan kan gezondheidsrisico's inhouden.


Meer bepaald stelt men vast dat deze dranken:

• bijdragen tot een verhoogde cafeïne-inname, die symptomen van te hoge blootstelling kan uitlokken en tot verslaving kan leiden;
• de consumenten blootstellen aan risico's met fatale afloop in geval van intensieve sportbeoefening;
in combinatie met alcohol, tot een verkeerd besef over de toestand van dronkenschap leiden doordat zij de symptomen van alcoholvergiftiging verminderen.


In de publicatie brengt de HGR verslag uit over de risico's die met de consumptie van een grote hoeveelheid of het regelmatig gebruik van zogenaamde energiedranken zijn verbonden en brengt ze ter kennis van de bevolking, in het bijzonder voor de jongeren die heel kwetsbaar zijn voor de marketingstrategieën van de betrokken bedrijven.


Bij gebrek aan een uniforme aanpak tegenover dit soort dranken op Europees niveau, bevestigt de Hoge Gezondheidsheid zijn bedenkingen over die producten en beveelt met name aan: 
hun consumptie, in frequentie en hoeveelheid, te beperken (door niet meer dan een totale dagelijkse cafeïne-inname van 400 mg en zelfs 300 mg te consumeren);
ze niet in combinatie met alcohol te gebruiken of in geval van beoefening van een intensieve fysieke activiteit;
hun consumptie bij zwangere vrouwen, borstvoedende moeders, kinderen (onder 16) en mensen gevoelig aan cafeïne af te raden.

Ten slotte moedigt de Raad de gezondheidsautoriteiten aan om de nodige informatie en waarschuwingen omtrent deze dranken onder de doelgroepen te verspreiden. De aanbevelingen van de HGR zijn verder uitgewerkt in een volledig verslag.

In Codex Medicus: Stoornissen gerelateerd aan gebruik van middelen (drugs) en Coffeïne

Vertraagde taalontwikkeling bij kinderen die teveel tv kijken


Londen, 5 januari 2010 - Bijna een kwart van de jongens en een op de zeven meisjes ontwikkelen een taalachterstand omdat in huis de tv steeds vaker aan staat. Hierdoor krijgen kinderen steeds minder mee van de gesprekken van volwassenen. Engels onderzoek toont aan dat 22% van de jongens en 13% van de meisjes moeite hebben met spreken en elkaar begrijpen. Drie procent van de kinderen ontwikkelen serieuze problemen volgens regeringsadviseur Jean Gross.


Het onderzoek laat zien dat in Engeland bij meer dan een kwart van de gezinnen de tv  'vaak' of 'altijd' aan staat. Tien procent van de kinderen tot 2 jaar heeft een tv op zijn kamer. Bij vijf- tot zeven-jarigen is dat een derde.


Mrs Gross is bezorgd dat zelfs als kinderen niet actief tv kijken, het achtergrondgeluid het voor hen toch moeilijk maakt hun ouders of oudere broertjes en zusjes te begrijpen. Ze vreest dat de spraakproblemen van sommige kinderen te wijten zijn aan minder blootstelling aan taal in hun eerste levensjaren. "Onze hersenen zijn slecht in staat van machines te leren. Baby's reageren op gezichten en herkennen het gezicht van hun ouders", zegt ze.


Mrs Gross: "Ons vermogen om te communiceren is fundamenteel en is ondersteunend voor alles dat erna volgt.  Spraak- en taalontwikkeling is een van de belangrijkste vaardigheden van een kind. Het is essentieel dat alle kinderen die daarmee problemen hebben zo vroeg als mogelijk professionele hulp inschakelen."


Mrs Gross is verbonden aan het Department for children, schools and families van de Engelse overheid.


In Codex Medicus: Vertraagde spraak- en taalontwikkeling en Ontwikkeling

Erasmus MC behandelt spataderen met stoom


Rotterdam, 4 januari 2010 - Het Erasmus MC gebruikt een nieuwe methode om spataderen te behandelen. Met stoom worden de vaten dichtgeschroeid.


Er zijn verschillende typen spataderen, variërend van kleine blauwrode "spinnetjes" op de benen tot grote spataderen in de kuit of het bovenbeen.

De grote spatader in het bovenbeen, die met duplex (echo) onderzoek wordt gevonden kan op verschillende manieren behandeld worden. Vroeger werden deze spataderen door de chirurg met een stripoperatie verwijderd. Sinds enkele jaren worden deze spataderen ook vaak met laserbehandeling dichtgebrand. Dit heeft als groot voordeel dat de patiënt geen narcose of ruggenprik hoeft te krijgen, de laserbehandeling kan namelijk met plaatselijke verdovingen. De allernieuwste behandeling voor deze grote spatader in het bovenbeen is het dichtmaken ervan door hete stoom. Net als bij de laser wordt de spatader (het bloedvat) van binnen verhit, maar dan met hete stoom. Het resultaat van het van binnen uit verhitten van een spatader is dat deze hierdoor dicht gaat zitten en daarmee de spatader verholpen is. Het voordeel van de behandeling met stoom is, dat deze behandeling waarschijnlijk minder pijnlijk is en dat er minder blauwe plekken ontstaan dan met de laserbehandeling. Een ander voordeel is dat er geen lichaamsvreemde stoffen in het lichaam komen, alleen een paar milliliter verdampt water.

De afdeling Dermatologie van het Erasmus MC past de methode sinds enkele maanden toe. Een vergelijkende gerandomiseerde studie moet uitwijzen of de behandeling inderdaad beter werkt dan de gangbare lasertherapie. In Frankrijk wordt de stoombehandeling al enkele jaren met succes toegepast.


In Codex Medicus: Varices

Balanstraining voorkomt herhaalde enkelverstuikingen

Amsterdam, 31 december 2009 - Een eenvoudig oefenprogramma, gebaseerd op een serie balansoefeningen, kan het risico op een recidiverende enkelverstuiking met 35% reduceren. Dit blijkt uit het promotieonderzoek van Maarten Hupperets (VU medisch centrum).

Enkelverstuikingen zijn de meest voorkomende sportblessures in een variëteit aan sporten. Naar schatting vinden in de Verenigde Staten dagelijks 23.000 enkelverstuikingen plaats. Met een geschat aantal van 234.000 verstuikingen per jaar kunnen de kosten in Nederland oplopen tot meer dan 84.000.000. Met name in het eerste jaar na een enkelverstuiking bestaat er een verhoogd risico op een herhaling van dit letsel. De helft van deze letsels leidt tot chronische pijn, langdurige klachten en medische zorg.

Het EMGO Instituut heeft voor onderzoek naar Gezondheid en Zorg de effectiviteit van een individueel uitvoerbaar proprioceptief oefenprogramma uitgevoerd in aansluiting op usual care gevalueerd. Een groep van 522 sporters (274 mannen en 248 vrouwen) tussen de 12 en 70 jaar oud werden random verdeeld over twee groepen. Beide groepen ondergingen usual care. Volgend op usual care ontving de interventiegroep (256 sporters) een acht weken durend proprioceptief oefenprogramma.

Het programma bestond uit drie trainingssessies per week van maximaal dertig minuten per keer. Sporters werden aanbevolen de oefeningen uit te voeren als onderdeel van de warming up voor hun normale sportactiviteit. De oefeningen werden steeds moeilijker en zwaarder naarmate de acht weken vorderden. Alle sporters werden prospectief gedurende een jaar gevolgd. Gedurende deze periode rapporteerden 145 sporters een recidiverende enkelverstuiking: 56 (22%) in de interventiegroep en 89 (33%) in de controlegroep.

Het interventieprogramma is in staat het risico op een recidiverende enkelverstuiking met 35% te reduceren ten opzichte van de controlegroep. Deze risicoreductie is grotendeels toe te wijzen aan sporters die niet-medisch behandeld waren voor het inclusieletsel. Voor elke negen sporters die het oefenprogramma uitvoerden werd een recidiverende enkelverstuiking voorkomen.

Deze trial heeft de effectiviteit van een acht weken durend proprioceptief oefenprogramma als aanvulling op usual care aangetoond, aldus de auteurs. Verder heeft het laten zien dat het programma specifiek werkzaam is bij niet-medisch behandelde sporters.

In Codex Medicus: Distorsie
Structuurfouten in collageenbundels veroorzaken aneurysma

Leiden, 30 december 2009 - Aneurysma’s ontstaan door problemen met het steunweefsel van de vaatwand. Niet de hoeveelheid, maar de structuur van de collageenbundels, is anders dan in een gezonde vaatwand. Onderzoekers van het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) en de faculteit Wiskunde en Natuurwetenschappen van de Universiteit Leiden publiceerden deze week  hun bevindingen.

Aneurysma’s zijn uitstulpende, zwakke plekken in slagaders. Ze zijn levensgevaarlijk, omdat ze kunnen scheuren en dan een ernstige bloeding veroorzaken. Al langer werd vermoed dat aneurysma’s ontstaan door veranderingen in het steuneiwit collageen van de bloedvaten. Een duidelijke afwijking kon echter nooit worden aangetoond. Leidse onderzoekers onderzochten het collageen van aneurysma’s van de buikslagader en van aneurysma’s van mensen met de ziekte van Marfan, een erfelijke afwijking van het bindweefsel. Zij ontdekten dat het probleem niet zit in de hoeveelheid of kwaliteit van de collageenmoleculen. In tegendeel, de aneurysma’s blijken juist meer collageen te bevatten. Maar de opbouw van dat collageenweefsel is wel anders. Het collageen ligt daar niet meer als een flexibel net om de vaatwand, maar vormt een strak korset waardoor de vaatwand niet meer in staat is de krachten van de bloeddruk goed op te vangen en terug te geven.

Netwerkgedrag
In dit multidisciplinaire onderzoek maakten de onderzoekers ook gebruik van een tastmicroscoop om mechanische eigenschappen van het weefsel op nano- en microniveau te bestuderen. Dit onderzoek toonde, een tweede defect aan. Terwijl in gezond weefsel alle collageenvezels met elkaar verbonden zijn en een netwerk vormen, is dit bij de aneurysma’s niet het geval. Gevolg is dat individuele vezels niet meer in staat zijn om uitgeoefende krachten te spreiden over naast liggende vezels. “Netwerkgedrag is een bekend fenomeen binnen de materiaal en constructiekunde”, vertelt LUMC-onderzoeker dr. Jan Lindeman. “Dat dit ook een rol speelt in weefsels als de vaatwand is verrassend.”

Hoe het komt dat het collageen anders wordt neergelegd, is nog niet helemaal duidelijk. “Waarschijnlijk speelt bij het buikaneurysma een ontstekingsreactie een rol. Dit zorgt voor overmatige afbraak van collageen. Het nieuw neergelegde collageen is van mindere kwaliteit en lijkt heel erg op dat in littekenweefsel.” Een structureel defect in de collageenopbouw is waarschijnlijk het probleem bij Marfanpatiënten.

Naar schatting hebben ruim 70.000 mannen en ruim 17.000 vrouwen een aneurysma van de buikslagader, waarnaar in dit onderzoek is gekeken.

In Codex Medicus: Aneurysma aortae
Onderzoeker bepleit screening door opticien op glaucoom

Groningen, 29 december 2009 - Glaucoom is een veel voorkomende oogziekte die leidt tot gezichtsvelduitval en die uiteindelijk blindheid kan veroorzaken. Beginnende gezichtsvelduitval blijft vaak onopgemerkt; veel patiënten ontdekken de ziekte pas nadat er al uitgebreide schade is opgetreden. Bij bezoek aan een oogarts, optometrist of opticien worden veel mensen gecontroleerd op beginnend glaucoom. Systematische preventieve screening zou een betere aanpak ter vermindering van het probleem zijn, maar is nog erg duur.

Remco Stoutenbeek vergeleek verschillende methodes om op glaucoom te screenen, onderzocht manieren om de screening nauwkeuriger te maken, en bracht de mogelijkheden van systematische screening in kaart. Hij concludeert dat de bestaande methodes niet nauwkeurig genoeg zijn om op grote schaal toe te passen. Uit een van de studies blijkt dat het overgrote deel van de 40+-bevolking regelmatig een opticien bezoekt, en dat opticiens bereid zijn om aan een screeningsprogramma mee te werken. Daarom lijkt bevolkingsonderzoek via het bestaande netwerk van opticiens een goede mogelijkheid.

In Codex Medicus: Glaucoom
Nieuwe operatie verhelpt hypertensie

Londen, 28 december 2009 - Een nieuwe medische ingreep kan genezing brengen bij mensen die kampen met hoge bloeddruk. Bovendien kan de operatie de kans op hartaanvallen of beroertes bij dergelijke patiënten met de helft verminderen.


Miljoenen Europeanen leiden aan hypertensie. Aanpassingen in de levensstijl zoals gewichtsvermindering, stoppen met roken en minder zout nuttigen, kunnen de bloeddruk verlagen. Voor sommigen blijft - ondanks deze maatregelen - de bloeddruk toch hoog en is medicatie noodzakelijk. Bij deze patiënten zendt het zenuwstelsel signalen van de hersenen naar de nieren om grote hoeveelheden zout in het bloed te laten, waardoor de hoeveelheid bloed toeneemt en zo ook de bloeddruk.

Bij de nieuwe operatie wordt een draadje in een bloedvat bij de nieren ingebracht. Dat brandt dan door de zenuwen die signalen doorgeven waardoor de bloeddruk wordt verhoogd. Op die manier worden de hersensignalen 'verstoord' en stijgt de bloeddruk niet meer. Volgens de eerste klinische proeven zijn de effecten daarvan bijzonder snel meetbaar.

 

Als eerste werd de operatie in Engeland uitgevoerd op een 68-jarige man die leed aan diabetes en trombose en die al een beroerte had gehad. Zijn bloeddruk begon al twee weken na de behandeling te dalen en de man kon het ziekenhuis al daags na de operatie verlaten.

Simpele procedure
Volgens de chirurg die de ingreep uitvoerde zal een patiënt in de toekomst 's ochtends het ziekenhuis binnenkomen en dezelfde avond al weer thuis zijn. Het gaat namelijk om een betrekkelijk simpele procedure die echter een zeer grote verbetering brengt in de levenskwaliteit van de patiënt. Deze aanpak is zo doeltreffend in het verlagen van de bloeddruk dat het risico op een dodelijke beroerte met vijftig procent daalt.

In Codex Medicus: Hypertensie

Informatie ministerie van VWS over Q-koorts


Den Haag, 24 december 2009 - De afgelopen tijd is in de media veel aandacht geschonken aan Q-koorts. Het ministerie van VWS heeft de koepelorganisaties van zorgverleners een brief gestuurd waarin u informatie vindt over Q-koorts. Tevens wordt door middel van deze brief informatie gegeven over de activiteiten die de ministeries van VWS en LNV ondernemen om de Q-koorts te bestrijden.

Als bijlage bij de brief is een "vragen- en antwoordenlijst" meegestuurd. Onderstaande links verwijzen u naar de brief en de "vragen- en antwoordenlijst".


Brief zorgverleners


Bijlage vragen en antwoorden


In Codex Medicus: Q-koorts

Nieuwe ontwikkeling in bestrijding taaislijmziekte


Groningen, 23 december 2009 - Onderzoekers van de Rijksuniversiteit Groningen hebben de structuur opgehelderd van een enzym dat communicatie tussen bacteriën verstoort. Daarmee leggen ze de basis voor een nieuwe bestrijdingsmethode voor bacteriële infecties, waarmee bijvoorbeeld taaislijmziekte gepaard gaat.


Hoewel bacteriën eenvoudige ééncellige organismen zijn, zijn ze toch in staat met elkaar te communiceren. Bacteriën praten met elkaar door het uitwisselen van kleine hormoon-achtige signaalmoleculen. Met dit proces van 'quorum sensing' worden de activiteiten van een grote groep bacteriën gesynchroniseerd. Zo kunnen bacteriën zich snel aanpassen aan veranderingen in hun omgeving zoals het opraken van voedingsstoffen of de komst van rivaliserende micro-organismen.


Virulentie
Ook de productie van factoren die de virulentie van een bacterie bepalen staat onder controle van deze signaalmoleculen. Dit stelt bacteriën in staat om in een vroeg stadium van infectie onzichtbaar te blijven voor het immuunsysteem. Op het moment dat de groep geïnformeerde bacteriën - het quorum - voldoende groot is, wordt de aanval op de geïnfecteerde gastheer ingezet door het inschakelen van de productie van toxines en andere virulentiefactoren.


Het quorum quenching acylase waarvan het Groningse onderzoeksteam de structuur heeft bepaald, is in staat de genoemde signaalmoleculen af te breken. Zo wordt de communicatie tussen pathogene bacteriën verstoord. Het enzym blijkt de virulentie van de longbacterie Pseudomonas aeruginosa, de belangrijkste ziekteverwekker voor cystic fibrosis (taaislijmziekte), te onderdrukken.


Stoorzender
De opgehelderde structuur van de bacteriële stoorzender geeft inzicht in de precieze werking van het acylase en kan de start zijn voor de ontwikkeling van een nieuwe antibacteriële therapie.


In Codex Medicus: Cystische fibrose

Diagnose vasculaire dementie vergt nieuwe criteria


Amsterdam, 22 december 2009 - Vasculaire dementie is na de ziekte van Alzheimer de meest voorkomende vorm van dementie. Toch is er over vasculaire dementie weinig bekend. Naar aanleiding van haar promotieonderzoek pleit Salka Staekenborg voor het formuleren van nieuwe criteria voor diagnose van deze ziekte.


Al heel lang is bekend dat vasculaire dementie gerelateerd is aan beschadiging van de bloedvaten in de hersenen, maar daarnaast spelen ook neurologische afwijkingen een rol. Staekenborg onderzocht de schade aan de bloedvaten in de hersenen rechtstreeks door middel van MRI. Verder onderzocht zij de relatie tussen schade en bloedvaten en neurologische symptomen als geheugenverlies en gedragsverandering. Uit het onderzoek blijkt dat het overgrote deel van de patiënten vooral schade heeft aan kleine bloedvaten. Lang is gedacht dat vooral de schade aan de grote bloedvaten het belangrijkste probleem was. Het beoordelen van de schade van bloedvaten in de hersenen door middel van MRI levert een veel directere diagnose op dan het meten van neurologische symptomen.


Delen uit het onderzoek van Staekenborg zijn eerder gepubliceerd in het internationale wetenschappelijke tijdschrift 'Stroke'. Staekenborg voerde haar onderzoek uit bij het Alzheimercentrum VUmc.


In Codex Medicus: Vasculaire dementie

Meer huisartsen moeten methadon verstrekken

Antwerpen, 21 december - Heroïneverslaafden zouden beter af zijn als meer huisartsen methadon zouden voorschrijven. Dat blijkt uit een onderzoek van de Universiteit Antwerpen.
 
Junkie wordt patiënt
In opdracht van het Stedelijk Overleg Drugs Antwerpen (SODA) voerde de Universiteit Antwerpen een onderzoek uit naar methadonverstrekking. In de studie werd de vraag gesteld of meer Antwerpse huisartsen bereid zijn om methadon te verstrekken aan heroïneverslaafden. Momenteel gebeurt de methadonverstrekking namelijk vooral door drughulpcentra.
 
Het ontbreekt die centra vaak aan tijd om in de diepte te werken. Bovendien blijft de verslaafde hangen in het drugsmilieu door telkens terug te keren naar een hulpcentrum voor een dosis methadon. Terwijl artsen dit evengoed kunnen opvolgen zodra de toestand van de drugsgebruiker is gestabiliseerd. Dit bevordert ook zijn of haar zelfbeeld. Hij of zij is niet langer een junkie, maar een patiënt.
 
Reputatie
Precieze cijfers zijn niet voorhanden, maar waarschijnlijk verstrekt slechts een kleine minderheid van de Vlaamse huisartsen methadon. Veel huisartsen vrezen voor hun reputatie en voor overlast. Junkies die te veel amok maken, worden namelijk geweigerd in de hulpcentra. Met als gevolg dat de huisartsen herrieschoppers over de vloer krijgen.

In Codex Medicus: Methadon
Rode blaasjes door koudeallergie


Antwerpen, 18 december 2009 - Sommige Nederlanders en Belgen zijn ronduit allergisch voor de kou. "Tijdens de winter moeten ze dikke jassen, sjaals, handschoenen, mutsen en oorverwarmers dragen, want door blootstelling aan koude krijgen ze rode en jeukende bultjes op de huid", zeggen specialisten. "In extreme gevallen kan dit fataal aflopen."

"Een koudeallergie is een aandoening waarbij blootstelling aan vrieskou rode en jeukende uitslag veroorzaakt op de huid. Je kunt het vergelijken met aanraking met brandnetels", zegt professor immunologie en allergologie Didier Ebo van het UZA. In het Antwerps ziekenhuis worden jaarlijks 5 tot 10 patiënten behandeld, bijna 1% van de bevolking lijdt eraan. De professor benadrukt dat koudeallergie eigenlijk geen wetenschappelijke term is, "want de symptomen worden strikt genomen niet veroorzaakt door een allergeen. Daarom spreken we liever van koudenetelroos kf koude-urticaria."

Een koudeaanval kan ook uitgelokt worden door simpele handelingen, zoals een blikje uit de ijskast halen of met blote voeten op een koude vloer lopen. Niet alleen koude, maar ook temperatuurschommelingen - zoals uit een warm bad stappen - kan een reactie veroorzaken. Want door de koude worden cellen in de huid geactiveerd die zogenaamde hystamines afgeven. Die hystamines zorgen ervoor dat zwelling en jeuk optreden."

Als muggenbeten
Bij de meeste patiënten verdwijnen de rode blaasjes - vergelijkbaar met grote muggenbeten - meestal na een halfuur tot een paar uur, soms kan het langer duren. "In extreme gevallen, bijvoorbeeld als men in een koud zwembad duikt, kan de uitslag over het hele lichaam voorkomen en kunnen mensen het bewustzijn verliezen of in shock gaan."


De oorzaak van koude-urticaria is tot nog toe onduidelijk. Professor Ebo: "Heel vaak komt dat even mysterieus als dat het verdwijnt." Erfelijkheid speelt geen rol en het is evenmin besmettelijk. "Een arts kan een simpele test uitvoeren door een ijsblokje een paar minuten tegen de huid te houden, om te zien of dit een reactie uitlokt. Voor de behandeling worden meestal antihistaminica (geneesmiddelen die allergische reacties tegengaan, red.) voorgeschreven. Andere patiënten moeten individueel behandeld worden. We raden de patiënten uiteraard ook aan om koude zoveel mogelijk te mijden, of anders thermische kledij aan te trekken."

In Codex Medicus: Urticaria

Belgisch register orgaandonatie droobreekt grens van 100.000


Brussel, 17 december 2009 - Tot en met gisteren hebben welgeteld 100.011 Belgen zich in hun gemeente laten registreren als orgaandonor. Daarmee is de grens van 100.000 ja-stemmers doorbroken. Net zoals in andere Europese landen, heerst er ook in België een nijpend tekort aan gezonde organen. Om het aantal mogelijke donoren te verhogen, startte de FOD Volksgezondheid in 2005 een campagne om orgaandonatie beter bekend te maken bij het grote publiek. Deze campagne kreeg de naam Beldonor.be en loopt in samenwerking met de patiëntenverenigingen en de transplantatiecentra.


Beldonor.be werd een succes. Want na 5 jaar is het aantal ja-stemmers gestegen van 33.000 in 2005 tot meer dan 100.000 vandaag. Het aantal neen-stemmers daalde lichtjes: van 193.000 in 2005 tot 188.000 vandaag.


Wachtlijst
Vandaag wachten in totaal 1.229 ongeneeslijk zieke patiënten op een nieuw orgaan dat hun leven kan redden. De wachtlijst ziet er zo uit:

Nieren: 852
Lever: 183
Longen: 93
Hart: 58
Pancreas: 43


De procedures voor het wegnemen en transplanteren van organen zijn bijzonder streng. De coördinatie ervan gebeurt door Eurotransplant. Deze Europese organisatie centraliseert de gegevens van alle transplantatiecentra van Duitsland, België, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Slovenië en Kroatië.

Omdat orgaandonatie volstrekt anoniem is, coördineert Eurotransplant eveneens de selectie van het geschikte donororgaan en de geschikte ontvanger.


Registratie
Volgens de wet van 1986 is iedereen automatisch orgaandonor. Maar in de praktijk vragen de artsen nog steeds aan de rechtstreekse familie van de overledene of zijn/haar organen mogen weggenomen worden. Om deze bijzonder moeilijke beslissing te vermijden, kan elke burger vanaf 18 jaar bij de gemeente zijn wilsbeschikking voor of tegen orgaandonatie officieel laten registreren. Deze wilsbeschikking drukt het persoonlijke engagement uit van alle burgers om te strijden tegen het tekort aan organen.


In Codex Medicus: Orgaandonatie

Eiwit voorspelt en beïnvloedt groei borsttumor


Nijmegen, 16 december 2009 - Het eiwit DC-SCRIPT voorspelt het verloop van hormoongevoelige borstkanker. Dat blijkt uit onderzoek van het UMC St Radboud. Daarnaast vergroot het eiwit de tumorremmende werking van vitamines.


De onderzoekers constateerden dat het eiwit DC-SCRIPT een belangrijke hoofdschakelaar is in borstkanker. Het eiwit, dat in 2006 door dezelfde onderzoeksgroep werd ontdekt, blijkt een goede voorspeller voor het verloop van borstkanker. In cellen zonder dit eiwit is de kans op borstkanker en kans op terugkeer duidelijk groter dan in cellen waarin dit eiwit wél wordt aangemaakt.


Hormonen
Een deel van de borstkankerpatiënten is gevoelig voor hormonen, zoals oestrogeen en progesteron. Deze hormonen stimuleren het ontstaan, de ontwikkeling en de uitzaaiing van borsttumoren. Medicijnen die de aanmaak van deze hormonen remmen zijn onderdeel van de behandeling. 'We zien dat DC-SCRIPT de werking van deze hormonen in de celkern remt. Dat verklaart waarom patiënten met DC-SCRIPT een betere prognose hebben dan patiënten zónder', aldus onderzoeker prof.dr. G.J. Adema.


Vitamines
Bovendien verhoogt DC-SCRIPT tegelijkertijd de gevoeligheid voor een aantal vitamines. Vitamines, die volgens een toenemend aantal studies de celgroei juist remmen en kankercellen aanzetten tot 'zelfmoord'.


In Codex Medicus: Borstkliertumoren

Farmacotherapeutische richtlijn ‘Endocarditisprofylaxe’ herzien


Utrecht, 15 december 2009 - De farmacotherapeutische richtlijn ‘Endocarditisprofylaxe' van het NHG is onlangs herzien. Volgens de beschikbare gegevens lijkt het risico op endocarditis ten gevolge van ingrepen (zoals mondhygiënische behandelingen waarbij het tandvlees wordt gemanipuleerd en incisie van huidabcessen) zeer klein.


Daarnaast verkleint preventieve toediening van antibiotica het risico op endocarditis niet of nauwelijks.


Om deze redenen luidt het nieuwe advies om endocarditisprofylaxe te beperken tot:
- patiënten die endocarditis hebben doorgemaakt;
- patiënten met een kunstklep en
- patiënten met bepaalde congenitale hartafwijkingen.


Hier vindt u de nieuwe richtlijn.


In Codex Medicus: Endocarditis, profylaxe

Succesvolle therapie tegen ongewild ontlastingsverlies

Amsterdam, 11 december 2009 - In VU medisch centrum onderzoekt maag-darm-leverarts in opleiding Maria Meurs-Szojda een nieuwe therapie tegen ontlastingsincontinentie. De resultaten van deze therapie (SECCA), die werkt middels radiofrequente energie, zijn veelbelovend.

Ontlastingsincontinentie is een vervelend probleem. Het geeft niet alleen lichamelijke, maar vaak ook psychische klachten. In Nederland hebben naar schatting ongeveer 200.000 volwassenen er last van.

Ontlastingsincontinentie kan onder andere veroorzaakt worden door verslapping of beschadiging van de kringspier, bijvoorbeeld na een zware bevalling. Helaas zijn de behandelingsmogelijkheden van ontlastingsincontinentie tot nu toe dikwijls teleurstellend. De nieuwe therapie, SECCA genaamd, is afkomstig uit Amerika en werkt als volgt: via een apparaatje wordt er temperatuurgecontroleerde radiofrequente energie toegediend in de kringspier. De kringspier wordt daarvan sterker en de endeldarm gevoeliger. Door verhoogde gevoeligheid voelt de patiënt eerder aandrang. De sterkere kringspier zorgt ervoor dat de patiënt de ontlasting beter op kan houden en zo tijd heeft een toilet te zoeken.

Maag-darm-leverarts in opleiding Maria Meurs-Szojda paste deze therapie toe in een pilotstudie bij 11 vrouwen, die al jarenlang last hadden van ongewild ontlastingsverlies. Na drie maanden was al bij meer dan de helft van de patiënten vermindering van de klachten te merken. In een vervolgstudie met een groter aantal patiënten zijn de tussentijdse resultaten ook veelbelovend. Tot op heden is VU medisch centrum het enige ziekenhuis in Nederland waar deze SECCA-behandeling, in studieverband, wordt gegeven. Maar als de vervolgstudie over enkele jaren met goed resultaat is afgerond, hoopt Meurs-Szojda dat het - in samenwerking met de zorgverzekeraars - een reguliere behandeling wordt.

In Codex Medicus: Anale incontinentie
Nieuw licht op ontstaan huidkanker


Leiden, 10 december 2009 - Huidkanker wordt veroorzaakt door ultraviolet licht uit de zon dat mutaties veroorzaakt in het DNA van huidcellen. Tot nu toe werd gedacht dat die mutaties de grootste boosdoeners waren bij het ontstaan van huidkanker. Onderzoek van het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) laat nu zien dat de werkelijkheid ingewikkelder is. Het gerenommeerde Amerikaanse vakblad PNAS publiceert vandaag online de resultaten van het onderzoek onder leiding van dr. Niels de Wind. Jaarlijks ontwikkelen 30.000 Nederlanders huidkanker.


Ultraviolet licht beschadigt het DNA. Die schade kan op zichzelf niet zo veel kwaad. Maar wanneer, voorafgaand aan de celdeling, het DNA verdubbelt gaat het mis. De enzymen die de DNA-verdubbeling uitvoeren weten geen raad met het beschadigde DNA. Om het DNA toch te kunnen verdubbelen schakelt de cel reserve-enzymen in. Die zogenaamde translesie polymerases introduceren echter soms mutaties op de plaats van de schade. Daar kunnen kwaadaardige mutaties bij zijn die tot ongeremde celgroei leiden, en dus kanker veroorzaken. Eén van de translesie polymerases, Rev1, werkt heel slordig en veroorzaakt dus veel mutaties.


Voorkomen van ontstekingsreactie essentieel
Toch is die slordige werkwijze - ondanks de vele mutaties - uiteindelijk gunstig, ontdekten de auteurs. Want Rev1 doet zijn werk zo snel dat de DNA-verdubbeling geen vertraging oploopt. De Wind: "En dat blijkt veel belangrijker dan we dachten. Wanneer Rev1 afwezig is, stokt namelijk de DNA-verdubbeling en dan geven de vertraagde cellen alarmsignalen af. Dat lokt een hevige reactie uit: ontsteking en overmatige celdeling. Ook huidcellen waarin kwaadaardige mutaties zijn ontstaan vermenigvuldigen zich extra snel na een dergelijk alarm. Het eindresultaat is dat er sneller kanker ontstaat. Het is voor de cel dus belangrijk om de ontstekingsreactie te voorkómen door te zorgen dat de DNA-verdubbeling op tempo blijft. Dat is in dit geval zelfs belangrijker dan het aantal mutaties te beperken."


In Codex Medicus: Huidcarcinoom

Reumatoïde artritis snel en intensief behandelen


Leuven, 9 december 2009 - Het is beter reumatoïde artritis (RA) in een vroeg stadium intensief te behandelen. RA is een chronische gewrichtsaandoening waarmee 0,8 procent van de volwassenen kampt. Een snelle behandeling kan onherstelbare schade aan het gewricht voorkomen.


Langer onder controle
Vroeger kreeg een patiënt in de beginfase van de ziekte eerst medicijnen en als dat niet hielp, werden er nog andere geneesmiddelen gegeven en werden de dosissen opgevoerd.  Sinds een jaar of tien staat het echter vast dat het veel beter is om onmiddellijk een intensieve behandeling te starten met een combinatie van verschillende middelen om de ziekte op korte termijn tot rust te brengen. Dat verhoogt de kans aanzienlijk dat de aandoening op langere termijn onder controle kan worden gehouden. Onderzoek aan het UZ Leuven heeft dit uitgewezen.


Werk behouden
De aandoening snel onder controle brengen, is ook vaak belangrijk voor patiënten om zo bijvoorbeeld hun baan te kunnen houden. Momenteel wordt deze aanpak nog niet veel toegepast omdat artsen en patiënten weinig enthousiast zijn om onmiddellijk met een agressieve behandeling te starten.


Verder onderzoek
De reumatologen in Leuven zijn daarom een nieuw onderzoek bij patiënten gestart. Bedoeling is om een standaardbehandeling te ontwikkelen en oplossingen uit te werken voor problemen die zich in de praktijk voordoen bij bijvoorbeeld zwangere vrouwen. In twaalf praktijken verspreid over Vlaanderen worden momenteel 88 patiënten twee jaar gevolgd. Dat aantal moet opgevoerd worden tot vierhonderd, aldus de onderzoekers.


In Codex Medicus: Reumatoïde artritis

Aspirine helpt niet om een embryo bij ivf beter in te laten nestelen


Amsterdam, 8 december 2009 - Lang is gedacht dat aspirine de doorbloeding van de baarmoederwand zou bevorderen waardoor innesteling van een embryo bij ivf (in-vitrofertilisatie of reageerbuisbevruchting) succesvoller zou verlopen. Uit promotieonderzoek van gynaecoloog in opleiding Marieke Lambers blijkt aspirine echter geen invloed te hebben op de doorstroming van de baarmoedervaten of op de innestelingskans. Lambers promoveerde afgelopen vrijdag aan VU medisch centrum.

Het succespercentage van ivf is de afgelopen 40 jaar flink gestegen. Het is inmiddels mogelijk om bij het merendeel van de patiënten embryo's te laten ontstaan. Maar het percentage doorgaande zwangerschappen na ivf ligt nog altijd een stuk lager dan bij spontane zwangerschappen ondanks verbetering van de ivf-techniek. Het proces van embryo innesteling is een belangrijke factor waarop wel vooruitgang geboekt kan worden.

Marieke Lambers onderzocht de embryo innesteling. De hoogte van het zwangerschapshormoon blijkt een goede afspiegeling te zijn van de kwaliteit van de innesteling. De kans op innesteling is vooral afhankelijk van de eigenschappen van het embryo zo blijkt. Het doorzetten van een zwangerschap hangt af van zowel de kwaliteit van het embryo als de kwaliteit van de baarmoeder. Aspirine, zo wordt al tien jaar gedacht, zou de doorbloeding en dus de kwaliteit van het baarmoederslijmvlies verbeteren, maar dit is onjuist. Aspirine heeft hierop geen effect. Ook embryoplaatsing onder geleide van een echoscopie of bedrust na embryoplaatsing beïnvloeden de kans op innesteling niet.

 

Ivf of in-vitrofertilisatie ook wel reageerbuisbevruchting genoemd, is een voortplantingstechniek waarbij een of meer eicellen buiten het lichaam worden bevrucht met zaadcellen, waarna de ontstane embryo's in de baarmoeder geplaatst worden. De eerste baby die op deze wijze geboren werd is de Britse Louise Brown. Inmiddels zijn naar schatting wereldwijd drie miljoen kinderen dankzij ivf geboren.

In Codex Medicus: Ivf

Wetenschappers kunnen longkanker voorspellen


Leuven, 7 december 2009 - Dankzij de resultaten van een Vlaams-Nederlands onderzoek wordt het binnenkort mogelijk om longkanker veel vroeger op te sporen. Doktoren kunnen op basis van driedimensionale beelden 'voorspellen' of er zich kanker ontwikkelt.

'Laat naar je longen kijken.' Het wordt misschien een jaarlijkse campagne, net als de borstkankerscreening voor vrouwen boven de 50. Een groep van vooral Belgische en Nederlandse artsen doet volop onderzoek om longkanker in een vroeg stadium op te sporen. Bedoeling is om met de screening het aantal sterfgevallen te laten dalen. De ziekte is bij mannen de op een na en bij vrouwen de op twee na meest voorkomende vorm van kanker.


'Longkanker is een heel agressieve vorm van kanker', zegt radioloog Johny Verschakelen van het UZ Gasthuisberg in Leuven, een van de wetenschappers die het onderzoek voert. 'We ontdekken de ziekte vaak pas als mensen met symptomen bij de dokter langsgaan. Maar hoe vroeger je erbij bent, hoe beter.'


Goede of kwade vlekjes?
Met CT-scans is het nu al mogelijk om vlekjes in de longen op te sporen, maar de overgrote meerderheid van die vlekjes zijn goedaardig. 'Het gebeurt vaak dat we mensen nodeloos ongerust maken door ze met onschadelijke oude littekentjes door te sturen naar een gespecialiseerde longarts. De resultaten van ons onderzoek moeten dat voorkomen', zegt Verschakelen.


Dankzij een speciale rekenmethode kunnen de dokteren nu via de computer berekenen of een vlekje op de longen goed- of kwaadaardig is. Met driedimensionale beelden konden de onderzoekers al bij enkele van hun proefpersonen - allemaal risicopatiënten - in een vroeg stadium ontdekken dat er zich kanker aan het ontwikkelen was.

'De eerste resultaten zijn hoopgevend, maar de vraag is of we levens redden met longkankerscreening', zegt Verschakelen. 'Met borstkankerscreening is dat zeker, voor longkanker moet dat nog blijken. Het kan bijvoorbeeld dat we een patiënt in januari screenen en de kanker ontdekken, maar dat hij sterft in december. Als diezelfde patiënt niet wordt gescreend, in april naar de dokter gaat en ook in december sterft, staan we eigenlijk geen stap verder. Het lijkt dan wel alsof hij zijn ziekte drie maanden langer heeft overleefd, maar in zo'n geval heeft een screening geen zin en staan we terug bij af.'

In Codex Medicus: Longtumoren

Paptest meest effectieve bevolkingsonderzoek naar baarmoederhalskanker


Nijmegen, 4 december 2009 - Screening op baarmoederhalskanker met de Paptest is het meest effectief wanneer deze, zoals in Nederland, wordt uitgevoerd in een goed georganiseerde setting. Nationale richtlijnen zijn hierbij een belangrijk onderdeel. Dat blijkt uit onderzoek van Bert Siebers.

Hij onderzocht de effectiviteit van een aantal bestaande richtlijnen en deed aanbevelingen voor aanpassing hiervan. Daarnaast vergeleek hij de diagnostische nauwkeurigheid van een nieuwe preparatietechniek (dunnelaag-cytologie met de ThinPrep-methode) met die van de conventionele PAP-test. De ThinPrep-methode blijkt niet sensitiever noch specifieker in de opsporing van afwijkingen in de baarmoederhals en kanker, maar leidt wel tot minder uitstrijken van onvoldoende kwaliteit. Ook zijn er andere voordelen.


Het onderzoek toont aan dat in het sterk veranderende veld van baarmoederhalskanker-screening nauwkeurige monitoring en evaluatie van nieuwe en bestaande richtlijnen essentieel is. Ook dient de effectiviteit van nieuwe technieken eerst uitgebreid te worden onderzocht voordat deze worden geïntroduceerd in het bevolkingsonderzoek.

In Codex Medicus: Uitstrijkpreparaat volgens Papanicolaou

Onprettig blaasonderzoek niet altijd nodig

Utrecht, 3 december 2009 - Onprettig blaasonderzoek is niet in alle gevallen noodzakelijk. Dat blijkt uit onderzoek van Marijn Houwert.

Volgens de huidige richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Obstetrie en Gynaecologie en de Nederlandse Vereniging voor Urologie dient voor elke incontinentieoperatie urodynamisch onderzoek te worden verricht. Bij een urodynamisch onderzoek wordt de werking van de blaas en de urinebuis onderzocht door een dun slangetje (katheter) in te brengen. Dit wordt door veel vrouwen als belastend ervaren. In zijn promotieonderzoek ontwikkelde Houwert daarom een model waardoor het urodynamisch onderzoek bij dertig procent van de vrouwen veilig kan worden overgeslagen.

Ook onderzocht Houwert of er verschil bestaat tussen verwachtingen van vrouwen en behandelaars van een incontinentieoperatie. Het blijkt dat behandelaars voor twee onderwerpen meer aandacht zouden kunnen hebben: de tijdsduur tot werkhervatting na de operatie en pijn bij het vrijen.

In Codex Medicus: Stressincontinentie
Bescherming van de hersenen aangetast bij MS


Amsterdam, 2 december 2009 - Bij mensen met de ziekte multiple sclerose (MS) zijn de transporteiwitten in de bloed-hersenbarrière verstoord. De transporteiwitten vervoeren schadelijke stoffen uit de hersenen naar de bloedbaan. Dit blijkt uit onderzoek van Gijs Kooij, die morgen 3 december promoveert aan VU medisch centrum.


De bloed-hersenbarrière wordt gevormd door endotheelcellen die de binnenkant van de bloedvaten in de hersenen bekleden. Deze endotheelcellen bevatten verschillende transporteiwitten, die de binnenkomst van voedingsstoffen voor de hersenen en het uitscheiden van potentiële schadelijke stoffen reguleren. Uit het onderzoek van Kooij blijkt dat het transporteiwit P-glycoproteïne verminderd tot expressie wordt gebracht in hersenendotheelcellen van MS-patiënten. Daarnaast heeft hij in een diermodel voor MS aangetoond dat ook de functie van dit eiwit verminderd is. Het herstellen van de transportfunctie van de bloed-hersenbarrière is een mogelijke nieuwe manier om de ziekteverschijnselen van MS te verminderen


Verder heeft Kooij nieuwe fysiologische functies beschreven van transporteiwitten. Ze kunnen namelijk ontstekingsmoleculen transporteren, waardoor ze bijdragen aan het ziekteproces tijdens MS. De resultaten van Gijs Kooij bieden verschillende nieuwe mogelijkheden om nieuwe therapieën te ontwikkelen die de ziekteverschijnselen van MS verminderen.


In Codex Medicus: Multipele sclerose

Eerste nieuwe implantaat tegen meest voorkomende hartritmestoornis


Brussel, 1 december 2009 - Voor het eerst is in België een nieuw implantaat aangebracht bij een patiënt met voorkamerfibrillatie, de meest voorkomende hartritmestoornis bij volwassenen. Dat heeft professor Pedro Brugada bekend gemaakt. Met succes implanteerden de artsen Jean-Baptiste Chierchia en Benjanim Scott van het UZ Brussel een zogenoemd Watchman-implantaat bij een patiënt met atriale (voorkamer)fibrillatie (AF) die bloedverdunners nam om een herseninfarct te voorkomen, aldus Brugada.


Door die medicijnen had de patiënt al verschillende hevige bloedingen gehad, maar dankzij het Watchman-implantaat moet de patiënt in kwestie niet langer bloedverdunners slikken en is het risico op een herseninfarct weg.


AF of voorkamerfibrillatie is een hartritmestoornis waarbij de voorkamers van het hart minder efficiënt bloed pompen. Herseninfarcten die gelinkt zijn aan AF, ontstaan door bloedklonters, die gevormd worden door dat ontoereikende pompen van de voorkamer.


Het nieuwe implantaat sluit het linkerhartoor, waar meer dan negentig procent van de bloedklonters ontstaat, af. Bloedklonters kunnen dankzij de Watchman geen herseninfarcten meer veroorzaken en krachtige bloedverdunners zijn niet langer nodig.


AF is de meest voorkomende ritmestoornis bij volwassenen. In België lijden volgens het UZ Brussel 100.000 tot 300.000 mensen aan de aandoening. Van alle herseninfarcten is een vijfde te wijten aan AF.


Zie Codex Medicus: Boezemfibrilleren

Onderzoekers ontrafelen deel van 'battle of the sexes'


Rotterdam, 30 november 2009 - Onderzoekers van het Erasmus MC hebben een gen ontdekt dat zorgt voor het tellen en uitschakelen van X-chromosomen.


Vrouwelijke lichaamscellen bevatten twee X-chromosomen, het ene geërfd van moeder en het andere van vader. Mannen bezitten in iedere cel slechts één X, altijd van moeder, met daarnaast een klein Y-chromosoom. Op het X-chromosoom bevinden zich ruim duizend genen, op het Y-chromosoom zitten minder dan honderd genen. Om de hoeveelheid actieve X-genen bij vrouw en man vrijwel gelijk te trekken, wordt in vrouwelijke lichaamscellen altijd één van beide X-chromosomen uitgeschakeld. Dat gebeurt al vroeg tijdens de embryonale ontwikkeling. Vanaf dat moment zijn meisjes verder opgebouwd als een mozaïek van cellen waarin óf de X van moeder óf die van vader actief is.


Door veel onderzoekers werd verondersteld dat de twee X-chromosomen in vrouwelijke cellen onderling uitvechten welke van de twee wordt uitgeschakeld. Daarbij zou sprake zijn van een ingewikkeld moleculair samenspel. Maar het blijkt veel simpeler: een gen dat ligt op het X-chromosoom zorgt voor de aanmaak van een bepaald eiwit. Dat zogenoemde Rnf12-eiwit kan de X-chromosomen uitschakelen, zo ontdekte het Rotterdamse onderzoeksteam, onder leiding van Joost Gribnau van de afdeling Voortplanting en Ontwikkeling.


Alleen in vrouwelijke embryonale cellen met twee actieve X-chromosomen wordt een concentratie RNF12 bereikt die hoog genoeg is om een X-chromosoom uit te schakelen. Het is grotendeels een kwestie van kans welke van de twee X-chromosomen als eerste de handdoek in de ring gooit: in de ene helft van de cellen is dat de X van moeder, in de andere helft de X van vader. Het nieuwe verrassende resultaat, met de ontdekking van Rnf12 als een belangrijk gen in de 'battle of the sexes', is een grote stap vooruit bij het beantwoorden van veel vragen over het tellen en uitschakelen van X-chromosomen.


In Codex Medicus: X-chromosoom-inactivatie

Kleine snede beter bij plaatsen nieuwe heup


Utrecht, 26 november 2009 - In zijn proefschrift onderzocht Jon Goosen acht dilemma's met betrekking tot het plaatsen van ongecementeerde totale heupprotheses. Hij concludeert onder meer dat een heupprothese met een zacht oppervlak doorgaans een slecht klinisch en radiologisch resultaat geeft na gemiddeld 10 jaar. Ook blijkt dat een prothese die zowel mét als zonder cement geplaatst kan worden, zonder cement een slecht resultaat geeft.


Bovendien laat Goosen zien dat patiënten baat hebben bij een kleine snede om de prothese te plaatsen. De mini-incisie om een heupprothese te plaatsen is ongeveer 8 cm, terwijl de klassieke incisie 18 cm is. Goosen vergeleek deze twee benaderingen dubbelblind gerandomiseerd. Het blijkt dat patiënten na zes weken en na één jaar betere klinische resultaten hebben als ze met een mini-incisie zijn geopereerd.


In Codex Medicus: Gewrichtsprothese

Sterke cannabis steeds groter gevaar


Leuven, 25 november 2009 - Cannabis heet een onschuldige drug te zijn, een 'pretsigaret' die een gelukzalige roes oproept. Steeds meer wetenschappers wijzen echter op het gevaar van cannabis. Vooral op psychotische patiënten blijkt de 'soft' drug een bijzonder slechte uitwerking te hebben. Nu jongeren hun eerste joint steeds vroeger rollen, en wat ze er in rollen steeds sterker wordt, trekken experts aan de alarmbel.


Verborgen leed
Uit steeds meer studies blijkt dat het gebruik van cannabis op jonge leeftijd het risico op psychotische aandoeningen versterkt. Tegelijk wil professor Dirk De Wachter van het Psychiatrisch instituut Sint-Jozef van de KU Leuven waarschuwen voor een stigmatisering. "Ten eerste worden ook mensen psychotisch zonder dat ze cannabis gebruiken. En ten tweede vertoont de overgrote meerderheid van de psychotische patiënten nooit agressief of gevaarlijk gedrag. Zo goed als altijd gaat het om verborgen leed. Psychotische patiënten lijden aan de wereld, maar ze verstoppen zich thuis, achter gesloten luiken."

Met een hoog zelfmoordcijfer tot gevolg. "Het risico op zelfmoord bij jonge psychotische patiënten is tien procent", zegt De Wachter. "Het risico is bovendien groter bij mannen dan vrouwen en het komt vaker voor bij hoogopgeleiden. Vooral in de beginfase, zeg maar de eerste vijf jaar na de eerste psychotische aanval, is de kans op zelfmoord het grootst. De verliessituatie is dan immers het grootst."


In Codex Medicus: Stoornissen gerelateerd aan gebruik van middelen

Nieuwe behandeling kan symptomen van Parkinson verminderen


Groningen, 24 november 2009 - Wanneer medicijnen niet het gewenste effect hebben, wordt bij de behandeling van Parkinson ook wel gebruik gemaakt van 'diepe brein stimulatie'. Hierbij wordt een elektrode in de hersenen van de patiënt geplaatst. Met behulp van stroomstootjes kunnen de symptomen van de ziekte dan verminderd worden.


Om de elektrode op de juiste plaats te implanteren, worden symptomen van de ziekte gedurende de operatie gemeten. Voor symptomen als tremor, fingertapping en diadochokinese bestaan al objectieve meetmethodes. Voor rigiditeit (stijfheid) bestond zo'n methode nog niet. Promovenda Linda Jacobi ontwikkelde er een. Ze concludeert dat zowel de EMG-amplitude in de verlengingsfase van de spier als de interburst amplitude (de activiteit van de spier tussen de momenten dat de weerstand wordt onderbroken) kunnen worden gebruikt om de stijfheid bij Parkinsonpatiënten objectief te bepalen, en dat deze maten geschikt zijn voor neuromonitoring gedurende de operatie. De zogenoemde 'achtergrondscontractie' is een betrouwbare maat voor rigiditeit, zo blijkt. Nader onderzoek moet uitwijzen of de door Jacobi ontwikkelde Second Order Moment Filtering
(SOMF)-methode in een grotere patiëntengroep kan worden toegepast.


In Codex Medicus: Ziekte van Parkinson

Pauze alleen is niet genoeg tegen RSI


Rotterdam, 23 november 2009 - Mensen die RSI willen voorkomen, slagen daar niet in door steeds even kort te stoppen met hun pc-activiteiten. Wat wel werkt, is om iets te gaan doen wat sterk afwijkt, zoals sporten tijdens de lunchpauze.

Dit concludeert bewegingswetenschapper Janneke Richter in haar proefschrift, waarop zij is gepromoveerd aan het Erasmus MC. Computerwerk wordt beschouwd als een grote risicofactor voor het optreden van klachten aan arm, nek en/of schouder (KANS), vroeger ook bekend als RSI.


Niet voldoende
Janneke Richter, van de afdeling Neurowetenschappen van het Erasmus MC, constateerde nauwelijks verschil in spieractiviteit wanneer mensen hun pc gebruiken (muis en toetsenbord) of wanneer zij korte tijd niet aan hun pc werken maar wel aan hun bureau. Deze spieractiviteit zegt wat over het risico op het ontstaan van KANS. Richter: "Het bestuderen van computergebruik is dus niet voldoende om het ontstaan van KANS te verklaren. Het lijkt erop dat ander bureauwerk ook risicofactoren bevat voor het ontstaan van KANS."


Spontaan
Mensen blijken bij pc-werk al veel spontane pauzes te nemen, bijvoorbeeld door een kop koffie te halen of een gesprek te voeren met een collega. Ook pauzesoftware wordt gebruikt om korte onderbrekingen af te dwingen. Richter vond echter dat deze software het werk-pauzepatroon niet noemenswaardig verandert, omdat men al regelmatig spontaan kort stopt met het werken aan de computer.\


Variatie
Richter vindt het opvallend dat de normale afwisseling tussen pc- en bureauwerk niet genoeg variatie blijkt op te leveren. Richter: "Wellicht zijn dus extremere maatregelen nodig om meer variatie in de werkdag te introduceren, zoals sporten op het werk."


In Codex Medicus: KASN

Behandeling van psoriasis kan goed thuis


Utrecht, 20 november 2009 - Het behandelen van de huidziekte psoriasis met licht uit een UVB-lamp is in de thuissituatie net zo effectief en veilig als in het ziekenhuis. Bovendien is thuisbehandeling niet duurder en vinden patiënten het praktischer en prettiger. Dat concludeert Mayke Koek in haar onderzoek naar UVB-thuisbelichting voor psoriasis.

Voor het onderzoek verdeelde Koek bijna tweehonderd patiënten met de huidziekte psoriasis in twee groepen. De helft van de patiënten kreeg een UVB-lamp en behandelde zichzelf thuis, de andere helft reisde enkele keren per week naar het ziekenhuis voor de lichtbehandeling. Na de lichtbehandeling werden de effectiviteit, veiligheid, kosten en patiënttevredenheid vergeleken.

In beide groepen bleek de behandeling even goed te werken, ook waren beide behandelingen even veilig en even duur. Echter, patiënten in de thuisbehandelgroep vonden de behandeling minder belastend en waren meer tevreden met het resultaat.

Lichtbehandeling in het ziekenhuis is belastend en levert voor veel mensen problemen op. De huidige richtlijn voor de behandeling van psoriasis adviseert echter terughoudend te zijn met het voorschrijven van thuisbelichting. Koek stelt dat uit het onderzoek duidelijk blijkt dat UVB-thuisbelichting een goed en veilig alternatief is voor lichtbehandeling in het ziekenhuis, en dat daarom de huidige richtlijn aangepast dient te worden.

 

In Codex Medicus: Psoriasis

Met stamcellen uit navelstrengbloed leukemie te lijf


Nijmegen, 19 november 2009 - Het UMC St Radboud en het Nijmeegse bedrijf Glycostem Therapeutics gaan van stamcellen uit navelstrengbloed Natural Killercellen maken. Deze killercellen worden gebruikt voor de behandeling van patiënten met acute myeloïde leukemie. Stamcelonderzoek in het laboratorium wordt in dit innovatieve project direct vertaald naar een potentiële therapie voor de patiënt.
 

Acute myeloïde leukemie (AML) is een vorm van ´bloedkanker´ die vooral ontstaat bij oudere mensen. Jaarlijks krijgen in Nederland ongeveer duizend mensen AML. Met chemotherapie, soms gevolgd door een stamceltransplantatie, proberen artsen de woekerende witte bloedcellen te vernietigen en zo de leukemie te genezen. In veel gevallen lijkt dit aanvankelijk ook te lukken. Maar oudere patiënten zijn meestal geen kandidaat voor een stamceltransplantatie en bij hen is de leukemie veelal agressiever. Bij het merendeel van de zestigplussers komt de ziekte dan ook terug en leidt die binnen drie jaar tot de dood. Een betere behandeling is daarom dringend nodig.


Van stamcel tot killercel
De afgelopen jaren werd een aantal AML-patiënten in de VS behandeld met Natural Killercellen (NK-cellen). Die experimentele behandeling leverde goede resultaten op, maar het is bijzonder moeilijk om voldoende killercellen uit donorbloed te halen. Daarom volgen het Laboratorium voor Hematologie en de afdeling Hematologie van het UMC St Radboud, in nauwe samenwerking met het Nijmeegse bedrijf Glycostem Therapeutics, een hele andere route: ze gebruiken stamcellen uit de navelstreng en kweken die via een speciale procedure op tot killercellen.
De vermeerdering en uitrijping van de stamcellen vindt plaats in een gesloten systeem dat voldoet aan de uitgangspunten van GMP, van Good Manufacturing Practice; de expertise van het Laboratorium voor Hematologie en Glycostem Therapeutics. Met een cocktail van signaalstoffen wordt het beperkte aantal stamcellen eerst flink uitgebreid. Een andere cocktail van signaalstoffen ´dwingt´ al die stamcellen om zich daarna te ontwikkelen tot killercellen.


Extra klap uitdelen

Dankzij dit innovatieve productieproces zijn navelstrengstamcellen nu ook geschikt voor cellulaire immunotherapie bij volwassen. Tot dusver was dat door het beperkte aantal stamcellen in navelstrengen niet goed mogelijk. Door het gecontroleerde productieproces ontstaat ook een bijzonder zuivere celkweek met vrijwel uitsluitend NK-cellen, wat weer bijdraagt aan meer betrouwbare resultaten en een betere therapie.
Hematoloog Michel Schaap: "Op dit moment worden AML-patiënten eerst met chemotherapie behandeld om de woekerende witte bloedcellen uit te roeien. Meestal blijven er toch enkele tumorcellen achter, die zich daarna weer snel vermenigvuldigen. Na de chemotherapie moet daarom eigenlijk nog een extra klap worden uitgedeeld, zodat ook die laatste tumorcellen verdwijnen. De NK-cellen lijken de ideale kandidaten om dat voor elkaar te krijgen."


Duidelijk onderscheid
Immunoloog en projectleider Harry Dolstra: "Killercellen spelen een belangrijke rol in de afweer, omdat ze beschadigde, geïnfecteerde en afwijkende cellen opruimen. Daarvoor moeten ze natuurlijk een duidelijk onderscheid kunnen maken tussen gezonde lichaamcellen en - in dit geval - de afwijkende tumorcellen. Dat is precies waar de killercellen die we opkweken in zijn gespecialiseerd. Ze jagen heel gericht op de leukemiecellen, waardoor de kans sterk toeneemt dat die alsnog worden opgeruimd. Terwijl de killercellen de gezonde lichaamscellen van de ontvanger met rust laten."
"Werkt onze techniek", zegt Dirk Groenewegen, directeur van Glycostem Therapeutics, "dan is die in principe ook te gebruiken voor de productie van ieder ander bloedproduct uit stamcellen buiten het lichaam. Het is een kwestie van de juiste factoren op het juiste moment toevoegen. Dat biedt enorme perspectieven voor cellulaire therapieën, zoals deze killerceltherapie. Maar ook toepassingen in de regeneratieve geneeskunde liggen voor het oprapen."


In Codex Medicus: Acute myeloïde leukemie

Korte cognitieve training lang effectief bij depressie

Amsterdam/Groningen, 18 november 2009 - In een recente studie blijkt dat cognitieve therapie zeker vijf jaar bescherming biedt, nadat iemand is opgeknapt van meerdere depressieve episoden. Het onderzoek werd uitgevoerd aan het AMC en de Rijksuniversiteit Groningen door dr. C. Bockting.


Depressie is op dit moment één van de meest voorkomende psychische aandoeningen. De kans op terugval is groot en kan zelfs oplopen tot negentig procent. Daarom is een adequate behandeling ter voorkoming van terugval uitermate belangrijk.

Onderzoek dat in december gepubliceerd zal worden in het toonaangevende Journal of Clinical Psychiatry, laat zien dat cognitieve therapie een beschermend effect biedt bij het vóórkomen van terugval bij depressie. Lange termijn effecten van deze therapie waren tot nu toe echter nog niet onderzocht.

In de nieuwe studie wordt dat wel gedaan. In het onderzoek werden 172 mensen 5,5 jaar gevolgd nadat ze hersteld waren van meerdere depressies. Ze kregen at random ofwel reguliere behandeling (dwz geen behandeling of antidepressiva) toegewezen of een kortdurende cognitieve training naast de reguliere behandeling. Na 5,5 jaar blijkt dat het terugvalpercentage in de tweede groep significant lager is bij mensen die hersteld zijn van meerdere depressieve episodes, met name als men al enkele eerdere depressies heeft ondergaan.


Vervolgstudies
Psychologische training lijkt een vruchtbare methode om terugval bij depressie terug te dringen. Het is echter nog de vraag of het een vervanging kan zijn voor het veelal levenslang slikken van antidepressiva of dat deze training beter gecombineerd kan worden met antidepressiva. Inmiddels zijn landelijke vervolgstudies gestart aan de Rijksuniversiteit Groningen in samenwerking met de Universiteit van Amsterdam, Maastricht en Rotterdam. Ook zal worden onderzocht voor wie welke behandeling het beste is en of een internet (E mental health) variant van deze training ook beschermend werkt tegen terugval (zie ook: www.doorbreek-depressie.nl).

In Codex Medicus: Cognitieve therapie

Prematuren hebben steeds betere levenskansen


Antwerpen, 17 november 2009 - Vandaag vindt voor het eerst de Internationale Dag van het Vroeggeboren Kind plaats. In het UZ Antwerpen (UZA) waar een dienst intensieve neonatale zorgen is, zetten ze hun jongste patiëntjes in de kijker met een infostand en een videopresentatie over die speciale afdeling.

Ruim 8 procent van alle baby’s in Vlaanderen wordt te vroeg geboren. Dat wil zeggen voor 37 weken zwangerschap. Hun aantal is de voorbije jaren toegenomen, maar ook hun levenskansen gingen er op vooruit dankzij de evolutie van de medische technieken onder meer voor longrijping.

Dokter Guy Martens van het Studiecentrum voor perinatale epidemiologie: “De grens van de levensvatbaarheid is de jongste tien jaar verlaagd van 26 naar 24 weken zwangerschap. Toch ligt het sterfterisico bij deze groep van extreem prematuren nog steeds even hoog als tien jaar geleden. Zowat driekwart overlijdt bij of enkele dagen na de geboorte. De grootste vooruitgang is geboekt bij de vroeggeborenen die 32 weken halen.”

Ook na de geboorte is extra aandacht nodig. Deze kindjes lopen een groter risico op latere leer-, motorische of gedragsproblemen.


Oorzaken
De belangrijkste risicofactoren voor vroeggeboorte zijn tweelingzwangerschap, zwangerschap op oudere leeftijd of tienerzwangerschap en kunstmatige bevruchting.

“Toch blijft voorspellen wie te vroeg zal bevallen nog steeds een onmogelijke oefening. Eén op de twee vroeggeboortes gebeurt immers ‘onverwacht’ bij vrouwen die voor de eerste keer zwanger waren.

In Codex Medicus: Prematuren en Vroeggeboorte

Opsporing van astma bij jonge kinderen moet nodig beter

Rotterdam, 16 november 2009 - De vroegtijdige opsporing van astma bij jonge kinderen moet beter worden, vindt promovenda Ashna Mohangoo. Baby’s en peuters met astma-achtige symptomen ondervinden veel hinder van hun kwaal. Ze slapen en eten slechter dan gezonde leeftijdsgenoten en hebben vaker last van stemmingswisselingen.

Familieactiviteiten verstoord
Niet alleen de kinderen zelf lijden onder hun kwaal, ook de rest van het gezin: de ouders zijn vaak bezorgd en hebben minder tijd voor zichzelf en de andere kinderen. Familieactiviteiten worden verstoord of afgelast. Ook als de kinderen wat ouder zijn, heeft astma nadelige gevolgen voor de kwaliteit van hun leven. ‘Tot hun vierde jaar liggen ze vaker wakker door piepende ademhaling en kortademigheid’, zegt Mohangoo. Schoolgaande kinderen en adolescenten met aanvallen van piepende ademhaling zijn vaker angstig, onzeker en depressief.

Vroegtijdige opsporing

De promovenda pleit voor een vroegtijdige opsporing van astma via consultatiebureaus bij jonge kinderen. ‘Hun leven en dat van hun ouders kan dan aangenamer worden en we kunnen wellicht problemen op latere leeftijd voorkomen. 'Wel is het heel lastig voor ouders en artsen om op jonge leeftijd aan te geven welke kinderen duidelijk astma hebben. Ze kunnen bijvoorbeeld geen longfunctietesten ondergaan, die nodig zijn voor het correct stellen van de diagnose. Artsen moeten daarom grotendeels afgaan op wat ouders vertellen.

Consultatiebureau
Zonder systematische vroegtijdige opsporing bestaat de kans dat jonge kinderen met astma, niet worden gediagnosticeerd en behandeld. Daardoor kunnen de symptomen op latere leeftijd erger worden. Het onderzoek laat zien dat kinderen tot vier jaar volgens hun ouders veel vaker astma-achtige symptomen hebben dan dat deskundigen zeggen. Van ongeveer 1200 baby’s had bijvoorbeeld bijna één op de drie kinderen volgens de ouders astmasymptomen, zo gaven de ouders aan in vragenlijsten. Het consultatiebureau stelde dit bij één op de vijf vast. Bij kinderen tot 5 jaar is het verschil ook groot: volgens de ouders heeft 12 procent astma. De huisarts heeft het over 6 procent

In Codex Medicus: Asthma bronchiale
Bijwerkingen antipsychotica afhankelijk van genetische aanleg

Groningen, 13 november 2009 - Onderzoek van Asmar Al Hadithy draagt bij aan het beter begrijpen van de rol van variatie in het menselijke DNA in relatie tot bewegingsstoornissen ten gevolge van behandeling met antipsychotica. De bevindingen van zijn onderzoek zouden in de toekomt dan ook gebruikt kunnen worden om de behandeling met antipsychotica te optimaliseren en dragen mogelijk bij aan het verder ontwikkelen van ‘farmacotherapie op maat’. In dit toekomstscenario kiest een arts een geneesmiddel voor een individuele patiënt op basis van zijn vooraf vastgestelde genetisch profiel.

Eénderde van de psychiatrische patiënten die de oudere typen van antipsychotica gebruiken, kunnen ernstige bewegingsstoornissen ontwikkelen. Deze bewegingsstoornissen variëren van spontane, abrupte spierbewegingen in de mond en het gelaat tot spierstijfheid en -trillingen in de ledematen. Ons erfelijk materiaal (DNA) lijkt daarbij een belangrijke rol te spelen. Dit blijkt uit onderzoek van Al Hadithy bij twee etnische groeperingen: Antilliaanse negroïden uit Curaçao en blanke Russen uit Tomsk (Slavische Kaukasiërs). Al Hadithy toont aan dat bij deze twee etnisch verschillende groepen psychiatrische patiënten genetische variaties (polymorfismen) in bepaalde genen kunnen leiden tot een verhoogde gevoeligheid voor het ontstaan van bewegingsstoornissen. Dit is nooit eerder beschreven bij deze twee etniciteiten. Al Hadithy toont ook aan dat het ras of de etnische achtergrond een bepalende factor kan zijn in de manier waarop een genetisch polymorfisme aan het ontstaan van de bewegingsstoornissen bijdraagt. Hoewel onze genetische legpuzzel een aantal jaren geleden volledig in kaart gebracht is, is de precieze rol van vele mutaties die in het DNA voorkomen nog steeds onduidelijk.

Al Hadithy toont alvast wel aan dat er duidelijke etnische verschillen bestaan in hoe de effecten van genetische variaties tot uitdrukking komen. Zo kan een bepaalde genvariant wel relevant zijn bij een bepaalde etnische groep maar niet bij een andere. En ook dat er duidelijke genetische verschillen bestaan tussen de verschillende sub-symptomen van de bewegingsstoornissen. Zo kan een bepaalde genvariant wel relevant zijn voor bewegingsstoornissen in het mond- en gelaatgebied maar niet voor bewegingsstoornissen in de spieren van de romp en ledematen. Een belangrijk deel van eerder uitgevoerde onderzoeken blijkt hiermee geen rekening te houden. Dat zijn essentiële tekortkomingen. Het onderzoek van Al Hadithy pleit daarom voor strikte scheiding bij de bestudering van de verschillende sub-symptomen.
 
In Codex Medicus: Antipsychotica
Patiënten tevreden over kwaliteit van leven na levertransplantatie

Groningen, 12 november - Mensen die een levertransplantatie hebben ondergaan, blijken hun medicijnen tegen afstoting van het donororgaan heel trouw in te nemen, maar hebben moeite om hun medicijnen iedere dag op het juiste tijdstip in te nemen. Dat blijkt uit het promotieonderzoek van Gerda Drent.

Patiënten die in het eindstadium van een leverziekte zitten of die lijden aan erfelijke afwijkingen in de stofwisseling, kunnen in Nederland sinds 1979 een levertransplantatie ondergaan. Tot nu toe was nauwelijks bekend hoe patiënten de bijwerkingen van medicijnen tegen afstoting van de donorlever ervaren, en hoe hun kwaliteit van leven is.

De meest voorkomende bijwerking van het gebruik van medicijnen tegen afstoting bij mannen en vrouwen is toegenomen haargroei, zo blijkt uit het onderzoek. Over het algemeen hebben vrouwen meer last van bijwerkingen dan mannen. De helft van de patiënten die al vijftien jaar een donorlever hebben, ervaart beperkingen op het gebied van bewegen en dagelijkse activiteiten. Desondanks geven de patiënten gemiddeld het cijfer 7 aan de gezondheidsgerelateerde kwaliteit van hun leven. Dit is goed te noemen, en kan door aanpassingen in de medicatie bovendien verder verbeterd worden.

Een uitzondering op deze behoorlijke kwaliteit van leven na de transplantatie vormt de kleine groep patiënten met Familiaire Amyloidotische Polyneuropathie (FAP), wier eigen lever een afwijkend eiwit produceert. Hun gezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven is de eerste vier jaar na de transplantatie stabiel, maar op langere termijn verslechtert hun gezondheid op bijna alle fronten.

In Codex Medicus: Levertransplantatie
Invaliditeit bij zenuwziekte te voorspellen


Utrecht, 11 november 2009 - Jikke-Mien Niermeijer onderzocht de ziekte polyneuropathie. Die wordt gekenmerkt door verminderde kracht, gevoel en balans in de voeten, met uitbreiding naar de onderbenen en de handen. Ondanks het feit dat er individuele successen worden behaald met behandeling die het afweersysteem en de aanmaak van het afweereiwit beïnvloedt, is het nog onduidelijk wat de beste behandeling is voor deze vrij zeldzame en invaliderende aandoening van de zenuwuiteinden.
 
Bij een zeer kleine groep werd bij verdere evaluatie een verhoogd gehalte van een afweereiwit als oorzaak vastgesteld (dan spreken we van IgM MGUS polyneuropathie). Dit afweereiwit kan zich gedragen als antistof tegen de zenuwen. Niermeijer ontwikkelde een risicotabel en een calculator, bestemd voor artsen, om de kans op invaliditeit in te schatten voor individuele patiënten met IgM MGUS polyneuropathie. Op deze manier kunnen patiënten beter worden voorbereid op wat hen te wachten staat.


Jikke-Mien Niermeijer bestudeerde ook het effect van verschillende medicijnen. Een gecontroleerde studie met cyclophosphamide-prednison en placebo, en twee open studies met fludarabine en rituximab toonden verbetering van invaliditeit, spierkracht en gevoel in een gedeelte van de patiënten. Er traden geen ernstige bijwerkingen op. De behandeleffecten van deze drie middelen waren ongeveer gelijk, maar er waren het minste bijwerkingen bij rituximab.


In Codex Medicus: Polyneuropathie

Activering immuunsysteem schakelt humaan papillomavirus uit


Leiden, 10 november 2009 - Stimulatie van het immuunsysteem kan een chronische infectie met het humaan papillomavirus helpen opruimen. Dat blijkt uit onderzoek van het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC).


De twintig vrouwen die meededen aan het onderzoek leden aan een chronische, genitale besmetting met Humaan Papilloma Virus type 16 (HPV16). Als gevolg daarvan hadden zij de aandoening vulvaire intraepitheliale neoplasie (VIN) ontwikkeld, een voorstadium van kanker aan de schaamlip (vulvakanker). VIN kenmerkt zich door jeuk, pijn, zwellingen en wondjes en wordt nu meestal chirurgisch behandeld.


VIN-studie
De patiënten met VIN kregen gedurende het onderzoek vier injecties met delen van eiwitten (peptiden) van HPV16. Twaalf maanden na de laatste injectie was de aandoening bij 79 procent van de deelnemers afgenomen. Bij negen vrouwen verdwenen alle door HPV16 veroorzaakte afwijkingen volledig en bij vier van de vijf vrouwen bij wie gekeken werd of er nog virus aanwezig was werd dit niet meer aangetroffen. Prof. dr. Kees Melief, hoogleraar Immunohematologie in het LUMC: "Als mensen lange tijd geïnfecteerd zijn met HPV16 reageert hun immuunsysteem niet meer voldoende op het virus. Door het aanbieden van geselecteerde eiwitfragmenten (synthetische lange peptiden, SLP) van het virus, kan het immuunsysteem weer actief gemaakt worden."


Deze nu ontwikkelde behandeling wordt ook wel therapeutisch vaccin genoemd en wordt ingezet om een ziekte te behandelen. Het SLP-concept is ontwikkeld door prof. dr. Kees Melief en dr. Sjoerd van der Burg in het LUMC in samenwerking met het bedrijf ISA Pharmaceuticals B.V. De klinische studie werd uitgevoerd in nauwe samenwerking met prof. dr. Gemma Kenter van het LUMC. De nu gepubliceerde studie is een eerste stap op weg naar een geregistreerd geneesmiddel. Registratie is nodig om het middel breed beschikbaar te krijgen. Dit proces zal nog geruime tijd vergen.


Baarmoederhalskanker
De werkzaamheid van het therapeutische SLP-vaccin, zoals aangetoond bij bovenstaande VIN-patienten, is bij patiënten met baarmoederhalskanker niet bekend. Dit wordt momenteel onderzocht. Bij baarmoederhalskanker is in ongeveer de helft van de gevallen HPV16 het veroorzakende virus. Bij VIN is dat ongeveer 70-80 procent. Het preventieve HPV-vaccin tegen baarmoederhalskanker, waarmee meisjes begin 2009 voor het eerst zijn ingeënt, is een ander type vaccin en heeft geen therapeutische werking bij vrouwen die al besmet zijn met HPV. Het wordt ingezet ter voorkoming van baarmoederhalskanker via HPV.


In Codex Medicus: HPV

Onbegrepen lage rugpijn beter te behandelen

Rotterdam, 9 november 2009 - Mensen met chronische lage rugpijn kunnen beter herstellen wanneer in de revalidatiebehandeling meer aandacht is voor het functioneren van het lichaam. Op dit moment richt de behandeling van onbegrepen lichamelijke klachten, zoals chronische lage rugpijn of bekkenpijn, zich voornamelijk op de psychosociale aspecten. Volgens Jan-Paul van Wingerden is dit onterecht en kan het aantal gevallen of de duur van rugklachten aanzienlijk worden verminderd. Woensdag promoveert hij op zijn onderzoek bij het Erasmus MC.

Van Wingerden, bestuurder van het Rotterdamse revalidatiecentrum het Spine & Joint Centre, onderzocht 245 patiënten met ernstige chronische rugklachten die niet meer verder behandeld konden worden. De eerste resultaten uit zijn onderzoek zijn veelbelovend. Met behulp van de combinatietherapie heeft 53% van deze patiënten minder last van pijn en is zelfs 62% minder beperkt in zijn bewegingen. Dit is een hoge score in vergelijking met een verbetering van 30% die momenteel volgens de wetenschappelijke wereld als klinisch relevant kan worden gezien.

Bijna 30% van de Nederlandse bevolking van 25 jaar en ouder heeft langer dan drie maanden last van rug of nek, meer dan 3 miljoen mensen hebben chronische lage rugklachten. Uit ontevredenheid over het effect van de beperkte traditionele lichamelijke behandeling, werd in de 70-er jaren een nieuw behandelmodel geïntroduceerd. Daarin werden ook psychische en sociale factoren betrokken in het verklaren van chronische klachten, waaronder rugklachten. Hierdoor en door teleurstellende resultaten van de meer lichamelijk gerichte behandelingen, nam de aandacht voor de lichamelijke kant van rugklachten en de daarop volgende jaren sterk af.

Volgens Van Wingerden, opgeleid als fysiotherapeut, is het van belang deze fysieke aspecten weer mee te nemen in het begrijpen en behandelen van chronische rugklachten: “Nieuwe ontwikkelingen op het gebied van de kennis over de bouw en het functioneren van het lichaam kunnen juist een belangrijke bijdrage leveren aan de kwaliteit van de diagnostiek en behandeling van chronische rugklachten. Het aantal rugklachten of de duur ervan zouden we daarmee aanzienlijk omlaag kunnen brengen.”

Zo is tegenwoordig bekend dat spieren zich bij klachten anders en niet optimaal gaan gedragen. Bij gewone dagelijkse activiteiten, zoals staan, lopen, bukken of tillen, kan dan sneller overbelasting optreden. Daarom richt de combinatietherapie zich in de eerste plaats op de kwaliteit van bewegen, voordat de hoeveelheid activiteiten wordt uitgebreid. Veel patiënten met lage rugklachten staan bijvoorbeeld niet goed rechtop, maar neigen licht voorover. In deze licht afwijkende houding werken de spieren niet optimaal en wordt de samenwerking tussen benen, bekken en rug fors belemmerd. Het is daarom belangrijk de patiënt eerst bewust te maken van deze houding en dit te verbeteren en pas daarna bijvoorbeeld de loopafstand uit te breiden. Op die manier kunnen patiënten hun dagelijkse activiteiten beter uitbreiden zonder terugval in de oude klachten.

In Codex Medicus: Lumbalgie
Nieuw gen voor nachtblindheid ontdekt

Amsterdam, 6 november 2009 - Onderzoekers onder leiding van prof.dr. Maarten Kamermans, hoogleraar Zintuigfysiologie aan het AMC, hebben een gen ontdekt dat nachtblindheid veroorzaakt: TRPM-1. Bij meer dan de helft van de patiënten met een veelvoorkomende vorm van nachtblindheid is het gen gemuteerd. Dit blijkt uit een wetenschappelijk artikel. TRPM-1 lijkt een rol te spelen bij signaaloverdracht in het netvlies.

Patiënten die lijden aan nachtblindheid zien slecht in de schemering of als het donker is, maar ook bij daglicht is hun gezichtsvermogen verminderd. De aandoening ontstaat als de communicatie tussen lichtgevoelige cellen (staafjes en kegeltjes) en andere zenuwcellen in het netvlies niet goed verloopt. Het nieuwe gen – TRPM-1 – lijkt hierbij een rol te spelen. In muizen, ontdekten Kamermans en collega’s eerder, is TRPM-1 betrokken bij signaaloverdracht in het netvlies.

Het netvlies bevat verschillende typen fotoreceptoren (lichtgevoelige zenuwcellen). Kegeltjes zijn nodig om overdag goed te kunnen zien,  staafjes spelen een belangrijke rol bij de waarneming in het schemerduister. Deze fotoreceptoren zetten licht om in signalen die worden doorgegeven aan “schakelstations” (bipolaire cellen) en uiteindelijk aan de oogzenuw. Bij nachtblindheid verloopt de communicatie tussen fotoreceptoren (kegeltjes en staafjes) en bipolaire cellen niet goed. Wat daarbij op moleculair niveau precies fout gaat is niet bekend.

TRMP-1 behoort tot de familie van TRP (transient receptor potential)- eiwitten, die in het begin van de jaren ’90 voor het eerst zijn ontdekt in de fruitvlieg. TRP-eiwitten functioneren als cellulaire sensoren en kunnen tal van functies vervullen in onder meer het centrale en perifere zenuwstelsel.

Het nieuwe gen kan wellicht meer licht werpen op wat er gebeurt bij nachtblindheid, en vergemakkelijkt het stellen van een diagnose.

In Codex Medicus: Adaptatiestoornissen
Tevredenheid over immunotherapie bij wespenallergie


Groningen, 5 november 2009 - Mensen met een wespenallergie hebben een aanmerkelijk betere kwaliteit van leven als zij kiezen voor immunotherapie. Zij moeten dan weliswaar gedurende enkele jaren meerdere malen naar het ziekenhuis om een injectie te halen, maar hoeven niet meer voortdurend alert te zijn op wespen. Dit vinden ze prettiger dan altijd een auto-injector bij zich te dragen, waarmee ze de gevolgen van een eventuele wespensteek kunnen tegengaan. Dat blijkt uit onderzoek van internist-allergoloog Hanneke Oude Elberink van het Universitair Medisch Centrum Groningen.

Wie niet allergisch is, houdt doorgaans een ongevaarlijke zwelling over aan een wespensteek. Maar ongeveer één op de honderd Nederlanders is wél allergisch voor wespengif. Deze mensen kunnen met verschillende symptomen te maken krijgen: van galbulten en opgezwollen lichaamsdelen, tot misselijkheid, shockreacties en zelfs overlijden toe. Jaarlijks overlijden in Nederland vijf tot tien mensen aan de gevolgen van een wespensteek. Wie eenmaal een allergie heeft, houdt hiervan meestal zijn hele leven last, hoewel de symptomen wel in ernst kunnen afnemen.

 

Injector
Om de gevaren van een wespensteek teniet te doen, zijn er voor mensen met een wespenallergie verschillende oplossingen. Een mogelijkheid is een auto-injector bij zich te dragen. Zodra men gestoken is door een wesp, kan men zich hiermee zelf op eenvoudige wijze adrenaline toedienen. Dit gaat de ernstige gevolgen van de allergische reactie tegen. In principe moeten patiënten de injector levenslang met zich meedragen.

 

Immuun worden
Een andere mogelijkheid is een behandeling met immunotherapie te ondergaan. Hiervoor worden meermaals kleine oplopende doses gezuiverd wespengif dicht onder de huid geïnjecteerd. Aan het begin van de therapie moet de patiënt hiervoor een dag worden opgenomen in het ziekenhuis. Dan volgen een instelperiode van gemiddeld zeven weken (wekelijks een injectie) en een onderhoudsperiode van drie tot vijf jaar (elke zes weken een injectie). Daarna is de patiënt de rest van zijn leven beschermd en loopt hij evenveel risico als de gemiddelde Nederlander.

 

Kwaliteit van leven
Voor haar onderzoek vergeleek Oude Elberink de kwaliteit van leven van twee groepen patiënten. De ene groep kreeg immunotherapie en de andere een auto-injector. Patiënten werden door het toeval aan een groep toegewezen. De kwaliteit van leven van patiënten met immunotherapie nam duidelijk toe, onder patiënten met een auto-injector nam de kwaliteit van leven af. Oude Elberink: “Opmerkelijk is dat immunotherapie de kwaliteit van leven verbetert, terwijl de patiënten niet eens daadwerkelijk konden ervaren dat de therapie werkte. Immers: de meeste patiënten werden in de periode van het onderzoek niet door een wesp gestoken.”

 

Minder bang, minder alert
Anders dan veel artsen aannemen, vindt de overgrote meerderheid van de patiënten de immunotherapie niet belastend, zo blijkt verder uit het onderzoek. Sterker nog: zij zijn zeer positief over de therapie, en volgen deze zeer trouw. Ook patiënten die slechts lichte allergische reacties vertonen, hebben een duidelijke voorkeur voor immunotherapie. Oude Elberink: “Door de immunotherapie zijn de patiënten minder bang, en hoeven ze niet meer voortdurend alert te zijn op wespen, dat is het grote voordeel.”

In Codex Medicus:Hyposensibilisatie

Aderverkalking beter zichtbaar door nieuwe echo


Utrecht, 4 november 2009 - Bas van Zaane presenteert in zijn proefschrift een nieuwe methode om echografische opnamen van de aorta te maken en slagaderverkalking vast te stellen. Herseninfarcten na hartchirurgie worden vaak veroorzaakt door manipulatie van de verkalkte grote lichaamslagader (aorta) en komt in 3% tot 7% van de patiënten die hartchirurgie ondergaan voor.


De huidige echografische methoden voor het vaststellen van de ernst van de aderverkalking kunnen of alleen worden gebruikt nadat de operatie is begonnen, of kunnen niet de volledige aorta afbeelden. Indien er gebruik wordt gemaakt van slokdarmechografie, blokkeert de luchtpijp het zicht op dat deel van de aorta dat bij hartchirurgie het meest wordt gemanipuleerd. Een nieuwe methode (de A-View-methode) verhelpt dit probleem door in de luchtpijp een ballon, gevuld met water, in te brengen. Water geleidt in tegenstelling tot lucht de geluidsgolven van het slokdarmechoapparaat wel zodat de volledige aorta kan worden afgebeeld.


Van Zaane bewijst dat de nieuwe methode in alle gevallen werkt en dat deze nauwkeurig is in het vaststellen van de aanwezigheid en de ernst van de aderverkalking. Door de ernst van de aderverkalking van de aorta zo vroeg mogelijk vast te stellen, kan het chirurgische beleid worden aangepast en kunnen herseninfarcten in de toekomst mogelijk worden voorkomen.


In Codex Medicus: Atherosclerose

Steeds meer borstkanker in ontwikkelingslanden


Cambridge (VS), 3 november 2009 - Borstkanker komt steeds vaker voor in arme landen. Het sterftecijfer ligt er erg hoog door het gebrek aan preventie en aan toegang tot behandelingen. Dat melden Amerikaanse gezondheidsexperts op de vooravond van een conferentie over het onderwerp. "We dachten dat borstkanker enkel vrouwen in rijke landen aanbelangt, maar inmiddels weten we dat deze ziekte ook vrouwen in ontwikkelingslanden treft", verklaart Felicia Knaul, volksgezondheidexperte aan Harvard.


Ongezonde voeding
Dit fenomeen kan volgens haar verklaard worden door de terugval van infectieziekten, ongezonde voeding en een hogere levensverwachting in de ontwikkelingslanden. Zo'n 1,35 miljoen gevallen van borstkanker of 10,5% van alle nieuwe kankers zullen in 2009 wereldwijd ontdekt worden. Daarmee is het de tweede belangrijkste kanker na longkanker, volgens cijfers van de School van Volksgezondheid van de universiteit van Harvard.
 
Aantal zal toenemen
Het aantal borstkankers zal tot 2020 toenemen met 26% en zo'n 1,7 miljoen nieuwe vastgestelde gevallen, hoofdzakelijk in landen met lage en middelgrote inkomens, volgens dezelfde bron. Maar dit jaar al doen meer dan 55% van de 450 000 overlijdens als gevolg van deze kanker zich voor in landen waar de middelen ontbreken om op tijd tumoren op te sporen en ze doeltreffend te behandelen.  De kans om te overlijden aan borstkanker - goed te behandelen als het ontdekt wordt in een vroeg stadium - is 56% in de armste landen, 39% in landen met middelgrote inkomens en 24% in de rijke landen.
 
Internationale werkgroep
Felicia Knaul en andere experts, waaronder oncologen van de faculteit geneeskunde van Harvard en het Dana Faber Cancer Institute in Boston, hebben daarom een internationale werkgroep opgericht en een conferentie georganiseerd die plaatsvindt aan Harvard van 3 tot 5 november. Afgevaardigden van meer dan 50 landen worden er verwacht.


In Codex Medicus: Borstkliertumor

Vatbaarheid voor schimmelinfecties heeft genetische basis

Nijmegen, 2 november 2009 - Er zijn twee genetische mutaties gevonden die het risico op schimmelinfecties (candidiasis) vergroten. Ze zijn onafhankelijk van elkaar ontdekt door onderzoeksgroepen van het University College London en het UMC St Radboud in Nijmegen. Beide onderzoeken zijn gepubliceerd in The New England Journal of Medicine (29 oktober, on line), het belangrijkste wetenschappelijke tijdschrift voor medisch onderzoek.

Ongeveer driekwart van de vrouwen heeft weleens last van een vaginale schimmelinfectie. Dit kan veel verschillende oorzaken hebben. Een onderzoeksgroep van het UMC St Radboud, onder leiding van de internisten prof. dr. Mihai Netea en prof. dr. Bart-Jan Kullberg, heeft nu bij vrouwen uit één familie een genetische afwijking ontdekt die de vatbaarheid voor deze schimmelinfectie sterk vergroot. Naast vaginale infecties kan de schimmel ook leiden tot infectie van bijvoorbeeld de nagel (onychomycosis).

Het gaat hier om een verandering in het eiwit dectine-1, dat zich op cellen van het immuunsysteem bevindt. Dectine-1 herkent zogeheten beta-glucanen, moleculen aan de buitenkant van de schimmel Candida albicans. Zodra dectine-1 de beta-glucanen in het vizier krijgt, treedt een moleculair proces in werking dat leidt tot opruimen van de schimmel.

De Nijmeegse onderzoeksgroep ontdekte dat sommige mensen een mutatie hebben in het gen voor dectine-1, leidend tot een gebrekkig functioneren van dit eiwit en tot chronische schimmelinfecties van de nagels of slijmvliezen.
Dectine-1 geeft signalen door aan het eiwit CARD9, aan de binnenkant van de celmembraan. Dit eiwit zorgt voor de doorgeleiding van de alarmsignalen de cel in. Ook als CARD9 niet goed werkt of ontbreekt, veroorzaakt dat schimmelinfecties. Dit blijkt uit onderzoek van het University College London, waarvan de resultaten gelijktijdig met het Nijmeegse onderzoek gepubliceerd zijn.

“Deze uitkomsten vormen de eerste stap in het begrijpen van de genetische vatbaarheid voor algemeen voorkomende, hinderlijke schimmelinfecties,” aldus dr. Bart Ferwerda van het UMC St Radboud, de onderzoeker die de mutatie in dectine-1 ontdekte. “Het stelt ons in staat om de interactie tussen schimmels en het menselijk immuunsysteem beter te doorgronden en kan in de toekomst leiden tot behandelopties voor mensen die lijden aan Candida-infecties.”

In Codex Medicus: Candidiasis
Nieuwe stabilisatietechnieken voor de onderrug: werkzaamheid en veiligheid onderzocht

Brussel, 30 oktober 2009 - Het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) onderzocht op verzoek van het RIZIV twee nieuwe technologieën voor de dynamische stabilisering van het onderste gedeelte van de rug: de interspinale implantaten en de pedikelschroeven. Een vijftigtal Belgische ziekenhuizen passen deze chirurgische technieken reeds toe. De bedoeling is om een klassieke, zware en definitieve rugoperatie te vermijden. Er bestaat echter weinig wetenschappelijk bewijs dat de technieken veilig zijn en dat ze de toestand van de patiënt op lange termijn verbeteren. Daarom beveelt het KCE hun terugbetaling niet aan.

In België lijdt bijna 10% van de volwassenen aan een chronische rugaandoening. Deze aandoeningen hebben een verschillende oorsprong , komen voor op elke leeftijd, maar worden wel frequenter na 60 jaar. Door dit hoge cijfer heeft het KCE al 2 studies over dit probleem uitgevoerd: een over nieuwe technologieën voor de vervanging van tussenwervelschijven (KCE-rapport 39) en een tweede over preventie en klassieke behandelingen (KCE-rapport 48).

Op verzoek van het RIZIV onderzocht het KCE in een derde studie twee nieuwe chirurgische technieken voor de dynamische stabilisering van de onderrug. Ze worden beschouwd als een belangrijke vooruitgang en als een voordeel voor de patiënt, want ze zouden een ingrijpende rugoperatie vermijden of uitstellen en de rug van de patiënt zou een betere beweeglijkheid behouden. Een vijftigtal Belgische ziekenhuizen past deze technologieën reeds toe. Ze kosten ongeveer € 2500 en behalve voor specifieke onderdelen van de pedikelschroeven, is er momenteel geen terugbetaling voorzien.

Interspinale implantaten of spacers
Door slijtage en een vernauwing van het wervelkanaal komen de zenuwen en het ruggemerg in de verdrukking (wervelkanaalstenose). De aandoening veroorzaakt lage rugpijn en pijn in het been die toeneemt bij het stappen. In een eerste fase zal men conservatief behandelen : revaliderende geneeskunde, kinesitherapie, pijnstillers en injecties in het wervelkanaal. Als patiënten niet verbeteren kan een operatie voorgesteld worden.

Interspinale implantaten die worden ingebracht op de hoogte van de vernauwing, zouden een minder ingrijpend alternatief voor die operatie vormen. Wetenschappelijke studies stelden vast dat de klachten van de patiënten tijdens de eerste 2 jaar na de ingreep verminderen, maar vervolgens opnieuw toenemen. 20 tot 60% van de behandelde patiënten moet opnieuw pijnstillers nemen en 5 tot 10% ondergaat uiteindelijk toch een klassieke operatie. Zowel de ingreep als de implantaten zelf zijn niet zonder gevaar. Mogelijke complicaties van de ingreep zijn openspringen, zwellen en infecteren van de wond en delen van het implantaat kunnen loskomen en migreren.

Pedikelschroeven
Bij sommige rugpatiënten zijn wervels verschoven ten opzichte van elkaar (spondylolisthesis), wat lage rugpijn en pijn aan het been veroorzaakt. Ook hier gaat men in een eerste fase conservatief behandelen. Als deze behandeling niet helpt zal men door middel van een operatie de zenuw vrijmaken (decompressie), en soms de betrokken wervels aan elkaar vastzetten (fusie). Vooral het uitvoeren van een fusie blijft complex en controversieel.

Pedikelschroeven worden beschouwd als alternatief voor deze zware ingreep. Door middel van schroeven, koord en spacers worden de wervels gestabiliseerd terwijl er toch een zekere mobiliteit bewaard blijft. De procedure wordt voorgesteld als een lichte operatie, maar is in werkelijkheid even zwaar als een klassieke operatie omdat hier ook de spieren en ligamenten moeten worden doorgesneden.

Ofschoon de resultaten na de ingreep bemoedigend zijn (minder pijn, stappen van langere afstanden) moet toch bijna 1 op de 5 patiënten uiteindelijk het implantaat operatief laten verwijderen. De voornaamste complicaties zijn slechte plaatsing of loskomen van de schroeven en breken van het implantaat. In de Verenigde Staten is men zich recent ook bewust geworden van het risico. Daar moeten fabrikanten van pedikelschroeven die reeds op de markt werden gebracht nu met klinische studies de werkzaamheid en veiligheid van de implantaten aantonen.

In Codex Medicus: Kanaalstenose en Spondylolisthese

Nieuwe techniek voor uitstrijkjes betrouwbaar


Nijmegen, 29 oktober 2009 - Dunnelaagcytologie, een relatief nieuwe manier om uitstrijkjes voor het onderzoek op baarmoederhalskanker te maken, is even betrouwbaar is als de huidige PAP-test. Dit blijkt uit een groot onderzoek onder 90.000 vrouwen, uitgevoerd door het UMC St Radboud en het Laboratorium voor Pathologie in Eindhoven. De resultaten staan in het meest recente nummer van JAMA, het tijdschrift van de American Medical Association. De nieuwe techniek levert voordelen op voor de te onderzoeken vrouwen, voor de huisartsen die de uitstrijkjes maken en voor de laboratoria.


De strijd tegen baarmoederhalskanker is in Nederland succesvol dankzij het bevolkingsonderzoek, waarbij vrouwen worden uitgenodigd om bij hun huisarts een uitstrijkje (Pap-test) te laten maken. Pap is de afkorting van de naam Papanicolaou, de uitvinder van de test. Jaarlijks gebeurt dit onderzoek bij 500.000 Nederlandse vrouwen tussen 30 en 60 jaar. Hoewel succesvol, heeft de Pap-test beperkingen. De patholoog kan de uitstrijkjes niet altijd goed beoordelen en bij twijfel moet er opnieuw een uitstrijkje worden gemaakt. Met een nieuwe techniek, de dunnelaagcytologie, zijn uitstrijkjes beter te beoordelen. Pathologen van het UMC St Radboud en van het Laboratorium voor Pathologie (PAMM) hebben samen met huisartsen en gynaecologen aangetoond dat deze nieuwe techniek even betrouwbaar is als de gebruikelijke Pap-test. Daarnaast biedt dunnelaagcytologie belangrijke voordelen.


Aan de studie namen 90.000 vrouwen deel uit de regio Nijmegen en Eindhoven, bij wie in het kader van het bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker een uitstrijkje werd gemaakt. De huisartspraktijken waar de uitstrijkjes zijn verzameld, werden op basis van loting ingedeeld in twee groepen: één groep die de nieuwe techniek gebruikte en de controlegroep met de conventionele Pap-test. De onderzoekers keken naar overeenkomsten en verschillen tussen de technieken wat betreft opsporing van voorlopercellen van baarmoederhalskanker. Het onderzoek heeft vier jaar geduurd.


Dunnelaagcytologie heeft voordelen voor de vrouwen, de huisartsen, de cytologisch analisten en de pathologen. Voor de vrouwen is het van belang, dat minder uitstrijkjes mislukken. Als een uitstrijkje niet goed is gelukt, moet het opnieuw gebeuren. De huisartsen kunnen het verzamelde materiaal eenvoudig overbrengen in een flesje, gevuld met een vloeistof. Bij de Pap-test moet het materiaal zorgvuldig worden ´uitgestreken´over een glaasje en gefixeerd; huisartsen ervaren dit als omslachtig. Voor analisten geldt, dat dunnelaagcytologie beter te beoordelen is dan het Pap-uitstrijkje.


In Codex Medicus: Uitstrijkpreparaat volgens Papanicolaou

Meest betrouwbare methode bepaald voor opsporen van coeliakie


Utrecht, 28 oktober 2009 - Coeliakie is een ziekte waarbij de combinatie van erfelijke aanleg en het eten van gluten een afweerreactie veroorzaakt met als gevolg een ontsteking van de dunne darm. In haar proefschrift laat Victorien Wolters zien dat voor het opsporen van coeliakie het bepalen van de ‘tissue transglutaminase antistoffen' (IgA-tTG) de meest betrouwbare methode is.

Verder bleek uit haar onderzoek dat het recent ontdekte I-FABP een goede marker voor het meten van dunne-darmschade. I-FABP is duidelijk van toegevoegde waarde voor de diagnose van coeliakie als ook in de follow-up na de start van het glutenvrij dieet.


Wolters onderzocht verder of drie met coeliakie geassocieerde genvarianten (MYO9B, MAGI2 en PARD3) de darmdoorlaatbaarheid beïnvloedden. Dit bleek niet het geval. Dus andere immunologische mechanismen lijken betrokken. De invloed van darmdoorlaatbaarheid en genetische risicofactoren op het ontstaan van coeliakie zal in de toekomst duidelijker worden.


In Codex Medicus: Coeliakie

Biomarkers voorspellen agressiviteit ziekte van Alzheimer


Amsterdam, 27 oktober 2009 - Uit nieuw onderzoek van het Alzheimercentrum VUmc blijkt dat de verhouding tussen twee biomarkers in hersenvocht voorspelt hoe snel de ziekte van Alzheimer zich ontwikkelt. Bij Alzheimerpatiënten met een lage waarde van deze verhouding ontwikkelt de ziekte zich sneller. Het onderzoek van het Alzheimercentrum VUmc werd uitgevoerd door Maartje Kester.

Biomarkers zijn eiwitten in hersenvocht, die gebruikt kunnen worden om de diagnose ziekte van Alzheimer met meer zekerheid te stellen. De biomarkers zeggen iets over de mate van neerslag van eiwitten in de hersenen en de schade aan hersencellen. Via een simpele ruggenprik kan de concentratie van deze biomarkers worden vastgesteld.
 
De ziekte van Alzheimer verloopt bij de ene patiënt sneller dat bij de ander. Hoe beter het verloop voorspeld kan worden, hoe beter de patiënt en zijn omgeving zich daarop kan voorbereiden en maatregelen kan nemen. De onzekerheid over de toekomst kan daarmee verminderd worden. Daarnaast kan het onderzoek van Kester een belangrijke bijdrage leveren aan het begrijpen van de ziekte van Alzheimer.


Over de ziekte van Alzheimer
De ziekte van Alzheimer is de meest voorkomende vorm van dementie. In Nederland is op dit moment bij ruim 200.000 mensen de diagnose 'dementie' gesteld. Daarnaast zijn er vermoedelijk ongeveer 60.000 mensen, die lijden aan dementie, maar bij wie de diagnose nog niet is vastgesteld. Circa 12.000 dementiepatiënten zijn jonger dan zestig jaar wanneer de ziekte begint. De Gezondheidsraad schat dat tot 2040 het aantal patiënten zal verdubbelen als er geen oplossing voor deze ziekte komt. Deze toename wordt met name veroorzaakt door de toenemende vergrijzing.


In Codex Medicus: Ziekte van Alzheimer

Onderschatting van hersenschudding kan leiden tot ernstige hersenschade

Den Haag, 26 oktober 2009 - Per jaar lopen ruim 85.000 Nederlanders traumatisch hersenletsel op als gevolg van een val of harde klap op het hoofd. Ongeveer de helft daarvan is 60-plus. Slechts één op de zes van alle betrokkenen wordt behandeld in het ziekenhuis. Oók de mensen die na een val of klap op hun hoofd geen klachten hebben, lopen tot 24 uur later alsnog het risico een hersenbeschadiging te hebben of zelfs in coma te raken. De Hersenstichting start vandaag een voorlichtingscampagne om mensen te informeren over de risico's. Iedereen kan een gratis folder Hersenschudding en hersenkneuzing aanvragen bij de Hersenstichting.

De meest voorkomende oorzaken van traumatisch hersenletsel zijn een klap of stoot op het hoofd door bijvoorbeeld een verkeersongeluk, een val of geweld. In de meeste gevallen verliezen de betrokkenen na het ongeval even het bewustzijn en hebben ze geen ernstige klachten. Ze gaan naar huis zonder een arts te raadplegen. Bij 60-plussers is het risico extra groot omdat zij meer dan jongeren bloedverdunners slikken. Ook verliezen ze sneller het evenwicht waardoor ze vaker ongelukkig komen te vallen. Bij ongevallen kan een wond of bult ontstaan, maar het kan ook zijn dat er niets aan het hoofd te zien is. Een enkele keer kan toch een zwelling of bloeding in het hoofd ontstaan, zonder dat een verwonding aan het hoofd te zien is.

Verschijnselen die na een ongeval kunnen optreden zijn: sufheid (patiënt is moeilijk te wekken), toename van hoofdpijn, herhaald braken, verwardheid. De patiënt zelf merkt de sufheid of verwardheid niet. Daarom is het belangrijk dat iemand de patiënt controleert. In een ziekenhuis maakt men bij twijfel een scan om interne beschadiging van de hersenen uit te sluiten. Wanneer men niet naar een ziekenhuis gaat is het raadzaam thuis de patiënt de eerste 24 uur niet alleen te laten en na het ongeval - ook 's nachts -  elk uur te wekken. Zo kan men controleren of de symptomen niet alsnog optreden. Betrokkenen wordt aangeraden tegen de pijn alleen paracetamol in te nemen. Andere medicijnen - zoals aspirine - kunnen als bijwerking hebben dat het bloed minder gauw stolt. Hierdoor kan een bloeding extra lang doorgaan.

In Codex Medicus: Commotio / contusio cerebri
Palliatieve zorg: vaak al nodig lang voor de terminale levensfase

Leuven, 23 oktober 2009 - Het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) onderzocht de situatie van de palliatieve patiënten in België, in samenwerking met de federaties voor palliatieve zorg en universitaire teams (K.U.Leuven, Universiteit Antwerpen, UCL en UGent). De status van palliatieve patiënt zou moeten worden toegekend op basis van de behoeften van de persoon i.p.v. op basis van zijn levensverwachting. De patiënt zou meestal thuis willen worden verzorgd en overlijden. De opleiding van de zorgverleners, met vooral aandacht voor communicatieve vaardigheden, en de zorg door een multidisciplinair team zijn essentieel voor een kwalitatieve palliatieve zorg.

'Palliatief': een ruimer concept dan 'terminaal'
Een palliatieve patiënt is een persoon “die zich in een vergevorderde of terminale fase van een ernstige, progressieve en levensbedreigende ziekte bevindt”. Tijdens de terminale fase kan een patiënt een beroep doen op een financieel forfait. Los daarvan pleit het KCE ervoor om de levensverwachting niet als bepalende factor te nemen om te beslissen of iemand palliatieve patiënt is, maar wel het bestaan van bepaalde behoeften (lichamelijke, psychologische, sociale, geestelijke en gezondheidszorgbehoeften). Er is vooral nood aan stapsgewijze, aangepaste informatie over het verloop van de ziekte en aan ondersteuning bij de dagelijkse activiteiten als de patiënt thuis wordt verzorgd.

Download het volledige rapport.

In Codex Medicus: Palliatieve zorg
Behandeling met inhalatiecorticosteroïden verbetert milde vorm COPD

Groningen, 22 oktober 2009 - De chronische longziekte COPD blijkt wel degelijk op therapie te reageren. Patiënten met een milde tot matig-ernstige vorm van COPD, kunnen hun ziekte verbeteren door langdurig inhalatiecorticosteroïden te gebruiken. De daling van de longfunctie wordt hierbij afgeremd. Zodra patiënten stoppen met hun medicatie, gaat hun longfunctie weer achteruit. Dan verergeren hun klachten, neemt hun welbevinden af en komt de ziekte opnieuw terug. Het is voor het eerst dat in een studie het verband is aangetoond tussen het onderdrukken van de ontsteking die aan de basis ligt van COPD, het gebruik van medicatie en het voorkómen van achteruitgang van de longfunctie. Deze conclusies blijken uit een langdurig onderzoek onder leiding van longarts Dirkje Postma van het Universitair Medisch Centrum Groningen en klinisch-fysioloog Peter Sterk van het Academisch Medisch Centrum.

Postma en Sterk screenden een groep patiënten, die allen met een milde of matig-ernstige vorm van COPD bij hun huisarts in behandeling waren. Vrijwel niemand van deze groep had al eerder inhalatiecorticosteroïden gehad tegen ontstekingen aan de luchtwegen. Het doel van hun studie was om te onderzoeken of het mogelijk is de ontsteking van de luchtwegen bij deze patiënten te verminderen of zelfs te laten verdwijnen. Ook wilden de onderzoekers het effect nagaan op de klachten van de patiënten en op de achteruitgang van de longfunctie bij deze chronische longaandoening.

Gedurende 2,5 jaar werd een groep van 114 patiënten gevolgd. Hierbij onderzochten Postma, Sterk en hun onderzoeksteams in UMCG en LUMC het effect van de toegediende inhalatiecorticosteroïden fluticasonpropionaat. De behandeling hiermee leidde bij de patiënten tot vier positieve gevolgen: een afname in de hoeveelheid ontstekingscellen, een afname van kortademigheid, een vertraging in jaarlijkse afname van de longfunctie en een verbetering van de kwaliteit van leven. Zodra de patiënten stopten met inhalatiecorticosteroïden, verslechterden al deze uitkomsten juist weer. Hieruit blijkt dat patiënten hun medicatie dagelijks en ook langdurig moeten blijven gebruiken.

Volgens Postma en Sterk laat deze studie heel duidelijk zien dat in een vroeg stadium van COPD, de medicatie goed werkt op de ontsteking en op de klachten van de patiënt. ‘Voor het eerst is via deze studie aangetoond dat niet alleen het functioneren van de patiënt verbetert, maar ook het mechanisme van de ziekte. Door de behandeling neemt in het begin van de ziekte de ontsteking af, en ook de progressie van de ziekte kan worden omgebogen’. De uitkomst noemt zij ook van groot belang voor huisartsen. ‘Zij moeten zich realiseren dat het wel degelijk zinvol is om patiënten met een milde vorm van COPD inhalatiecorticosteroïden voor te schrijven’.

In Codex Medicus: COPD
Vergeten ziekte onder aandacht van het Antwerpse Instituut voor Tropische Geneeskunde


Antwerpen, 21 oktober 2009 - Het internationale onderzoeksconsortium 'Stop Buruli' gaat onderzoek te velde doen naar een 'vergeten' ziekte, Buruli ulcus. Dat is een besmettelijke ziekte die in de tropen en subtropen jaarlijks duizenden kinderen treft. Ze veroorzaakt open zweren en misvormingen, en is zeer moeilijk te genezen. Het Antwerpse Instituut voor Tropische Geneeskunde (ITG) maakt deel uit van het onderzoeksconsortium.
 
Misvormingen
"De Buruli ulcus treft vooral kinderen: zij maken 70 tot 90 procent van de gevallen uit", weet professor Françoise Portaels. "Veel patiëntjes lijden aan open zweren die vaak een chirurgische behandeling vergen, tot en met amputatie van hele ledematen. Ook als de zweren genezen, blijven de slachtoffers levenslang last hebben van de littekens en misvormingen."
 
Armoede
De Buruli ulcus is een 'tropische weesziekte', een ziekte waar weinig aandacht voor is. Ze breken meestal uit in omstandigheden van diepe armoede, ondervoeding, ondermaatse gezondheidszorg, onhygiënische leefomstandigheden en gebrek aan zuiver water.
 
Het consortium Stop Buruli telt, naast het Instituut voor Tropische Geneeskunde, zes leidende onderzoeksgroepen uit Australië, Zwitserland, Benin, Ghana, Kameroen en de VS. Ze willen snel en grondig de manier van besmetting ophelderen, een eenvoudige laboratoriumtest ontwikkelen en de vroege opsporing en behandeling van de ziekte verbeteren.


In Codex Medicus: Buruli ulcus

Online zelfhulp helpt onvoldoende bij ernstige depressie


Maastricht, 20 oktober 2009  - Zelfhulpbehandeling voor depressie via internet zonder professionele begeleiding is niet effectiever dan de gewone zorg door de huisarts. Beide eerstelijnsbehandelingen zijn onvoldoende in staat om depressieve klachten te verminderen. Zowel direct na de behandelingen als een jaar later zijn de klachten nog altijd aanzienlijk. Vooral voor mensen met ernstige klachten lijken deze behandelingen onvoldoende effectief. Dit concludeert Esther de Graaf in haar proefschrift waarop zij hoopt te promoveren aan de Universiteit Maastricht. Hoewel zelfhulp via internet veelbelovend lijkt, moet beter onderzocht worden wie er baat bij heeft en wie niet. Een nauwkeurig beleid rondom de invoering van online zelfhulp in het huidige zorgstelsel evenals de vergoeding ervan door zorgverzekeraars is noodzakelijk.


Eén op de vijf Nederlanders krijgt in zijn of haar leven te maken met depressie. Slechts een deel van de mensen met depressieve klachten ontvangt echter een adequate behandeling. Internet biedt de mogelijkheid om behandeling voor depressie op grote schaal aan te bieden. Bovendien kunnen mensen er anoniem en in hun eigen tijd en omgeving mee aan de slag. In Nederland heeft het Trimbos-instituut de online zelfhulpbehandeling ‘Kleur Je Leven' ontwikkeld, waarbij mensen zelfstandig hun depressieve klachten aanpakken. Eerder onderzoek toonde veelbelovende resultaten wat betreft de effectiviteit van ‘Kleur je Leven' voor ouderen.


De werkzaamheid van deze zelfhulpbehandeling voor depressie is nu voor het eerst onderzocht onder volwassenen binnen de eerstelijnszorg.
Zowel direct na de behandelingen als een jaar later werden er geen verschillen in depressie gevonden tussen de drie groepen. Hoewel de depressieve klachten in de drie groepen evenveel afnamen, waren deze verbeteringen slechts marginaal. Online zelfhulp, huisartsenzorg en een combinatie van beide zijn dus niet voldoende werkzaam voor mensen met relatief ernstige depressieve klachten.


In Codex Medicus: Depressie

Onderzoek naar medische zorg ouderen


Leiden, 19 oktober 2009 - Steeds meer wordt wordt duidelijk dat gezondheid en ziekte bij oudste ouderen niet hetzelfde zijn als bij mensen van middelbare leeftijd. De bestaande medische kennis en richtlijnen schieten daardoor voor deze groep tekort. Wetenschappelijk onderzoek kan dit verhelpen. En omdat meer dan 90% van de medische zorg voor ouderen door huisartsen wordt verleend, is het belangrijk dat dit onderzoek juist in deze eerstelijnspopulatie plaatsvindt. Dat stelt prof. dr. Jacobijn Gussekloo in haar oratie als hoogleraar Eerstelijnsgeneeskunde bij de afdeling Public Health en Eerstelijnsgeneeskunde aan het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC).


Een lichaam op leeftijd functioneert anders dan een jong lichaam. Uit eerder onderzoek van het LUMC bleek bijvoorbeeld dat hoge bloeddruk - bij mensen van middelbare leeftijd een risicofactor - bij 85-plussers de levensverwachting juist verhoogt. Om de medische zorg voor ouderen op dit soort verschillen aan te passen en wetenschappelijk te onderbouwen, zal Gussekloo de komende jaren veel onderzoek verrichten binnen de eerstelijns ouderenzorg. Speciale aandacht gaat hierbij uit naar preventie en proactieve zorg voor ouderen, een nieuwe en intrigerende ontwikkeling. Daarnaast is Gussekloo erg geïnteresseerd in het beleid rondom de medische zorg voor ouderen. "Als we met wetenschappelijke kennis het beleid kunnen ondersteunen, dan zal dit bijdragen aan het terugdringen van de negatieve gevolgen van vergrijzing."


Ouderenonderzoek in het LUMC
Gussekloo werkt binnen het LUMC samen met een team van onderzoekers in de ouderengeneeskunde. Het ouderenonderzoek in het LUMC, dat al een lange traditie kent, loopt uiteen van basaal laboratoriumonderzoek (bijvoorbeeld naar de genetica van langlevendheid) tot het klinisch evalueren van nieuwe behandelingen. Nu komt daar dus een extra dimensie bij, speciaal gericht op de eerstelijnsgezondheidszorg, een unicum in Nederland.

In Codex Medicus: Geriatrie en gerontologie

Bedrijfsarts wordt zelfstandig

Utrecht, 16 oktober 2009 - Door aanpassingen in de arbowet zijn sommige arbodiensten gegroeid, andere gekrompen. Veel bedrijfsartsen zijn daardoor de laatste jaren noodgedwongen van werkgever veranderd en veel van hen zijn als zelfstandige aan de slag gegaan.

Vanaf 2005/2006 zijn bedrijven niet meer verplicht om aangesloten te zijn bij een arbodienst. Hierdoor stootte een deel van de arbodiensten personeel af. Aan de andere kant waren er ook arbodiensten die door de toenemende marktwerking juist personeel moesten aantrekken. Verder blijken functies die tot dan toe door geregistreerde bedrijfsartsen werden vervuld, in toenemende mate door basisartsen (arbo-artsen) te worden bekleed. Bedrijfsartsen zijn door deze ontwikkelingen de laatste jaren veelvuldig van baan veranderd, zo blijkt uit onderzoek van het NIVEL (Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg) dat is uitgevoerd met subsidie van het Capaciteitsorgaan.

In Codex Medicus: Bedrijfsarts
Nieuw ziektemodel voor myotone dystrofie

Brussel - 15 oktober 2009 - Nieuw ziektemodel voor myotone dystrofie

Myotone dystrofie is een neuromusculaire aandoening met als voornaamste symptomen myotonie, verzwakte spieren, cataract, problemen met hartgeleiding en zelfs mentale retardatie in de ernstigere vormen. Totnogtoe was weinig geweten over de ontwikkelingsperiode van de ziekte, maar uit onderzoek van wetenschapster Nele De Temmerman van de Vrije Universiteit Brussel blijkt nu dat de moleculaire onstabiliteit die aan de basis ligt van de ziekte zich al in een zeer vroeg stadium ontwikkelt.


De moleculaire basis van myotone dystrofie type 1, ook soms nog de ziekte van Steinert genoemd, is een CTG-repeat, dit wil zeggen een herhaling van telkens drie DNA baseparen, die onstabiel is en die zich in het gen voor myotone dystrofie bevindt. Het aantal CTG-repeats is sterk bepalend voor de ernst van de ziekte en de leeftijd waarop deze zich manifesteert. Gezonde personen hebben 3 tot 37 repeat-sequenties, terwijl dat aantal bij patiënten oploopt van 50 tot enkele duizenden. Zo'n verhoogd aantal CTG repeat-sequenties is erg onstabiel en vergroot meestal van de ene generatie op de volgende. Toch is er nog veel onduidelijkheid over de ontwikkelingsperiode waarin deze repeat-sequenties onstabiel worden en de cellulaire mechanismen die hierbij een rol spelen.


Nele De Temmerman van de Vrije Universiteit Brussel probeerde het tijdstip waarop de repeat-sequentie onstabiel wordt nader te bepalen in haar doctoraatsonderzoek. Ze maakte hiervoor gebruik van embryo's waar tijdens pre-implantatie genetische diagnose (PGD) werd aangetoond dat ze de ziekte droegen. PGD is een vroege vorm van prenatale diagnose waarbij embryo's worden onderzocht op de aanwezigheid van een erfelijke ziekte. Embryo's waarbij wordt aangetoond dat ze de ziekte niet dragen worden ingeplant bij de moeder; de andere embryo's alsook de eicellen en spermatozoa die niet werden gebruikt tijdens de behandeling worden afgestaan voor onderzoek. De Temmermans onderzoek van deze vroege ontwikkelingscellen heeft aangetoond dat een verhoogd aantal DM1 CTG repeat-sequenties reeds aanwezig zijn in onrijpe eicellen. Dit wijst erop dat de repeat in het gen reeds zeer vroeg onstabiel is, dat wil zeggen nog voor het embryo is gevormd. Dit kon eerder niet worden aangetoond.


Met haar onderzoek toonde De Temmerman bovendien aan dat humane embryonale stamcellen (HESC) een interessant in vitro modelsysteem vormen om repeat-onstabiliteit te bestuderen. Opnieuw gebruik makend van embryo's die werden afgestaan omdat ze myotone dystrofie droegen, kon ze HESC aanmaken die deze ziekte dragen. In een langdurige in vitro-celcultuur werd een duidelijke onstabiliteit van de repeat-sequentie gedetecteerd, met een stapsgewijze vergroting in opeenvolgende groeifases. Deze HESC vormen een belangrijk in vitro-model om myotone dystrofie te bestuderen, en om zo wellicht nieuwe behandelingen te ontwikkelen.


In Codex Medicus: Myotone dystrofie (ziekte van Steinert, DM1)

Nederlandse Jeugdgezondheidszorg voorop in Europa


Enschede, 14 oktober 2009 - Nederlandse Jeugdgezondheidszorg voorop in Europa


De Nederlandse Jeugdgezondheidszorg (JGZ) loopt voorop in Europa. Maar vooral op het vlak van adolescentenzorg kan Nederland nog leren van andere landen. Dat blijkt uit promotieonderzoek van Rosemarie Wieske.


Er is geen internationale definitie bekend van JGZ, daarom richt de studie van Wieske zich op de organisatie van preventieve zorg die aan kinderen wordt aangeboden. In Nederland vormen kinderen van 0-19 jaar de doelgroep. Dat verschilt van land tot land. In Kroatië is de doelgroep 6,5-25 jaar, in Duitsland 0-12 jaar en in Zwitserland 0-16 jaar.

Geen lijn in Europa


Over het algemeen zit er geen lijn in de JGZ in de Europese Unie. In sommige landen geldt een kleinere doelgroep voor de JGZ dan in Nederland. Het kan zijn dat gezondheidsbedreigingen in gezin of buurt niet worden gemeten. Of er bestaan andere keuzes in het vaccinatie- of screeningpakket. Wat de beste maatregelen zijn, hangt af van het land, maar er zijn altijd verbeteringen mogelijk die geïnspireerd zijn op het beleid van andere landen.


Nederland kan zich volgens de studie verbeteren in de adolescentenzorg. Wieske noemt als voorbeeld het toevoegen van een consult voor vijftien- en zestienjarigen.


In Codex Medicus: Jeugdgezondheidszorg

Nieuw gen voor autisme gevonden


Utrecht, 13 oktober 2009 - Een internationale groep wetenschappers heeft via genetisch onderzoek een nieuw gen gevonden dat betrokken is bij het ontstaan van autisme. Het gen blijkt bovendien in de hersenen van patiënten met autisme minder goed afgelezen te worden.


De onderzoekers analyseerden de erfelijke eigenschappen van meer dan duizend families met twee of meer leden met autisme. Ze vergeleken de genen van patiënten met autisme met gezonde familieleden. Op die manier spoorden ze een nieuw gen op dat mede verantwoordelijk is voor het ontstaan van autisme (semaphorine 5A). De autisme-variant van het gen verklaart deels het ontstaan van autisme, maar het is niet de enige factor die bijdraagt aan het ontstaan van de ziekte.  Het betekent dat het geen zin heeft om mensen preventief te onderzoeken of ze de genvariant bij zich dragen. Het gen draagt wel bij aan inzicht in het ontstaan van de ziekte.


De onderzoekers hebben het niet bij genetisch onderzoek gelaten. Ze vergeleken de activiteit van het semaphorine 5A-gen in de hersenen van twintig overleden autisme-patiënten met de activiteit in de hersenen van tien mensen zonder autisme. In de hersenen van autisme-patiënten blijkt het gen beduidend minder actief te zijn. Extra bewijs voor het belang van het semaphorine 5A-gen.


Het nieuw ontdekte autisme-gen is betrokken bij de besturing van uitgroeiende uitlopers van zenuwcellen. Zenuwcellen communiceren met elkaar door verbindingen met elkaar aan te gaan. Dr. Maretha de Jonge van het UMC Utrecht: "De vinding sluit goed aan bij het idee dat autisme veroorzaakt wordt door falende ‘connectiviteit'. Dat is het idee dat hersengebieden met elkaar verbonden moeten zijn voor een goede werking van de hersenen. Gebrekkige communicatie tussen hersengebieden zou mede de oorzaak kunnen zijn van autisme."


In Codex Medicus: Autistische stoornis

Thuiswonende dementen ervaren zorgtekort


Amsterdam, 12 oktober 2009 - Thuiswonenden met dementie vinden dat zij vaak onvoldoende of helemaal geen hulp ontvangen. Dat blijkt uit promotieonderzoek van Henriëtte van der Roest van het VU Medisch Centrum.

De patiënten geven aan dat ze onvoldoende worden geïnformeerd over wat er met hen aan de hand is. Ook vinden ze dat ze te weinig hulp krijgen bij geheugenproblemen, gezelschap en dagbesteding.
Hulpmiddel

Van der Roest ondervroeg 236 thuiswonende mensen met dementie en 322 mantelzorgers naar hun zorgbehoeften. Op basis van deze resultaten ontwikkelde de onderzoekster een nieuw digitaal hulpmiddel, de DementieWijzer. Hiermee kunnen mensen met dementie en mantelzorgers zelf snel persoonlijk advies-op-maat krijgen over beschikbare zorg voor hun specifieke zorgbehoeften.
Omgaan met zorgbehoeften

Gebruikers van de DementieWijzer bleken adequater om te kunnen gaan met zorgbehoeften en mantelzorgers voelden zich ook beter in staat om zorg te bieden aan hun naaste. De DementieWijzer is nog niet beschikbaar en wordt nog verder ontwikkeld voor algemeen gebruik.
Onvoldoende informatie

Het onderzoek laat ook zien dat mensen met dementie heel goed kunnen aangeven hoe zij hun situatie ervaren. Bijna tien procent van de ondervraagden met dementie geeft aan geen of onvoldoende informatie over dementie en de beschikbare zorg te ontvangen.

Opvallend is verder dat mantelzorgers vrijwel dezelfde onderwerpen noemen als het gaat om onvoldoende adequate hulp of zorg voor geheugenproblemen, dagbesteding en gezelschap. Daarnaast gaven mantelzorgers aan zelf ook onvoldoende informatie te ontvangen over dementie en de beschikbare zorg.

In Codex Medicus: Dementie

Diagnose Parkinson: een lastige

Nijmegen, 9 oktober 2009 - Het proefschrift van Wilson Abdo (UMC St Radboud) gaat in op de grote diagnostische problemen die artsen ondervinden bij het stellen van de juiste diagnose wanneer een patiënt zich presenteert met klachten die kunnen passen bij de ziekte van Parkinson. Naast de ziekte van Parkinson bestaat een breed scala aan aandoeningen die dezelfde klachten kunnen veroorzaken. Daarom is het voor artsen vaak moeilijk om een goed onderscheid te maken. Dit onderscheid is echter van groot belang voor de vervolgstappen (behandeling en het adviseren van de patiënt en diens familie). Uit onderzoek blijkt dat patiënten vooral klagen over de moeizame diagnostiek in deze vroege fase.

Abdo bespreekt een serie van onderzoeken die artsen kunnen helpen bij het beter en sneller stellen van de juiste diagnose. Het betreft een breed spectrum van enerzijds eenvoudige testen die in de spreekkamer kunnen worden verricht, tot anderzijds geavanceerde biochemische analyses van het hersenvocht.

In Codex Medicus: Ziekte van Parkinson
Nieuw type lenzen tegen staar minder goed dan verwacht

Groningen, 8 oktober 2009 - Asferische kunstlenzen, een nieuw type kunstlens voor de behandeling van staar, werken minder goed dan werd aangenomen. Dat blijkt uit onderzoek van promovenda Kim van Gaalen.

Staar is een ouderdomsziekte waarbij het zicht van de patiënt vermindert doordat de ooglens vertroebelt. De ziekte wordt al sinds 1949 succesvol behandeld door de natuurlijke ooglens te vervangen door een kunstlens. Tot 2002 werden hiervoor bolvormige (sferische) lenzen gebruikt. Een nadeel van deze lenzen is dat ze een van de belangrijkste lensfouten van de oogoptiek, de sferische aberratie, vergroten en zo het gezichtsvermogen verslechteren. Dit probleem ontstaat wanneer lichtstralen door de rand van de pupil de optische as op een andere locatie kruisen dan lichtstralen door het centrale deel van de pupil. Door niet-bolvormige (asferische) kunstlenzen te gebruiken, kan deze lensfout verkleind worden, wordt algemeen verondersteld.

Van Gaalen toont aan dat het gebruik van de asferische kunstlens de sferische aberratie inderdaad vermindert tot op het niveau van gezonde, jonge ogen. Maar een aantal facetten van het gezichtsvermogen van de patiënt wordt hierdoor niet beter. Patiënten blijken met sferische kunstlenzen contrasten even goed waar te nemen als met asferische kunstlenzen. De scherptediepte, de afstand tot een object waarop deze nog scherp gezien kan worden, neemt bij ogen met de asferische kunstlens zelfs iets af. De myopic shift, waarbij de brilcorrectie om grote voorwerpen optimaal te zien iets negatiever is dan voor kleine voorwerpen, is echter kleiner in ogen met de asferische kunstlens. Dat kan een voordeel zijn van asferische kunstlenzen. Wat precies de rol van sferische aberratie in het gezichtsvermogen is, moet nog beter worden onderzocht.

In Codex Medicus: Staar
Veel vrouwen kampen met vaginale verzakking


Amsterdam, 7 oktober 2009 - Ongeveer een miljoen vrouwen in Nederland lijdt aan een vaginale verzakking. Dat zegt gynaecoloog Jan Paul Roovers van AMC in Amsterdam.
 

Volgens de gyneacoloog laten veel vrouwen er niets aan doen omdat het taboe op de kwaal zo groot is. Het is Roovers nog niet helemaal duidelijk waarom nu zo veel vrouwen in lichte tot ernstige mate last van een vaginale verzakking hebben. Hij denkt dat de toename vooral zichtbaar wordt, omdat er steeds meer over wordt gesproken.


Een andere verklaring voor de toename is volgens hem dat vrouwen steeds ouder worden en dat het bindweefsel slechter wordt. Ook is het gewicht van baby's de afgelopen jaren toegenomen en krijgen vrouwen op latere leeftijd kinderen. Soms lopen vrouwen jaren lang rond met klachten. Vaginale verzakkingen kunnen klachten veroorzaken zoals plas- en ontlastingsproblemen. Ook kan een verzakking leiden tot pijn bij vrijen.


Verzakkingen kunnen vaak worden verholpen door bekkenbodemspieroefeningen of een operatie in combinatie met oefeningen.


In Codex Medicus: Prolaps

11.000 Belgen willen euthanasie bij onomkeerbare coma


Brussel, 6 oktober - Na een jaar tijd hebben 10.799 Belgen een officiële wilsverklaring voor euthanasie ingediend bij hun gemeente. Dat antwoordde minister van Sociale Zaken Laurette Onkelinx (PS) eergisteren op een vraag van MR-parlementslid Xavier Baeselen, zo meldt Le Soir.


Onomkeerbare coma
Sinds september 2008 is het mogelijk een officiële wilsverklaring euthanasie te laten registreren bij het gemeentebestuur, waarin men kan verklaren euthanasie te willen als je in een onomkeerbare coma zou terechtkomen.
 
De 10.799 mensen die zich lieten registreren zijn hoofdzakelijk (98 procent) mensen van veertig jaar of ouder. Toch vertegenwoordigen ze slechts 0,2 procent van de populatie 40-plussers. Ook opvallend is dat duidelijk meer vrouwen (61 procent) dan mannen (39 procent) een wilsverklaring hebben ingediend.
 
Eerbaar aantal
Volgens Jacqueline Herremans van l'Association pour le droit de mourir dans la dignité, de Franstalige zustervereniging van Recht op Waardig Sterven, vormen deze 10.799 verklaringen "een zeer eerbaar aantal". Ze merkt ook op dat het niet altijd even vanzelfsprekend is om de stap te zetten en dat bovendien niet alle gemeenten even soepel te werk gaan bij de registratie van de wilsverklaring.


In Codex Medicus: Euthanasie

Succes stent wordt bepaald door genetische code


Amsterdam, 5 oktober 2009 - Stents die een dichtgeslibde kransslagader open moeten houden, zijn niet altijd succesvol. Onderzoek van de afdeling Medische Biochemie van het AMC laat zien dat het deels genetisch te voorspellen is bij wie de kans groot is dat de stent het bloedvat open zal houden, en bij wie niet.


Een stent is een klein metalen veertje, dat enigszins lijkt op de bekende veertjes in balpennen. Hij wordt gebruikt om vernauwde kransslagaderen open te houden na een dotterbehandeling, zodat er weer voldoende bloed doorheen kan stromen. Bij tien tot vijftien procent van de patiënten die zo'n stent krijgen, groeit het bloedvat toch weer dicht door woekerend littekenweefsel. Artsen spreken dan van in-stent restenose. Zelfs de nieuwe generatie stents, die medicijnen afscheidt tegen littekenvorming, kan restenose niet altijd voorkomen.


Al meer dan tien jaar vermoeden cardiologen dat de een meer aanleg heeft voor het opnieuw dichtslibben van de slagader dan de ander. Tot nu toe werd steeds gekeken naar variaties in genen die betrokken zijn bij ontstekingsprocessen, maar met weinig succes. Hoogleraar Medische Celbiochemie Carlie de Vries en post-doc onderzoekster Claudia van Tiel van de afdeling Medische Biochemie bestudeerden vijf genen die de aanmaak regelen van gladde spiercellen. Dat zijn cellen die in dichtgegroeide stents worden teruggevonden. Eén gen, en wellicht ook een tweede, bleek een belangrijke SNP (Single Nucleotide Polymorphism) te bevatten. Dat wil zeggen dat één letter uit de code voor dat gen verwisseld is. Deze verwisseling blijkt nu geassocieerd met een grotere of een kleinere kans op restenose. De ontdekking van de biochemici, die samenwerkten met de afdeling Cardiologie en onderzoekers van het LUMC, werden onlangs in het wetenschappelijke tijdschrift Circulation gepubliceerd.


Op de vondst is inmiddels patent aangevraagd. ‘Je mag verwachten dat er in de nabije toekomst testen zullen worden ontworpen om dit soort SNP's op te sporen', stelt Rob de Winter, hoogleraar Klinische Cardiologie, in het bijzonder acute coronaire syndromen, in het AMC Magazine van oktober. Zodat artsen bij een patiënt met een SNP die weinig kans geeft op in-stent restenose, voor een relatief eenvoudige stent kunnen kiezen, in plaats van een exemplaar dat medicijnen afscheidt.


In Codex Medicus: Restenose

COBRA-therapie heel effectief bij reumatoïde artritis

Amsterdam, 2 oktober 2010 - COBRA-therapie, een combinatie van drie goedkope antireumatische geneesmiddelen waaronder prednisolon, is effectief, veilig en goed te gebruiken als eerste therapie voor patiënten met reumatoïde artritis. Dat blijkt uit het proefschrift van Lilian van Tuyl van het VU Medisch Centrum.

De effectiviteit van COBRA-therapie bleek al twaalf jaar geleden uit de COBRA-trial waarin bij patiënten die COBRA gebruikten de ziekte sneller onderdrukt werd en de schade aan de gewrichten op de lange termijn beperkt bleef in vergelijking met patiënten die monotherapie gebruikten. Follow up van de patiënten zoals beschreven in Van Tuyls proefschrift laat zien dat de eerste klap inderdaad een daalder waard is: patiënten die elf jaar geleden met COBRA-therapie startten hebben nog steeds minder gewrichtsschade dan patiënten die met monotherapie startten.

Toch is de COBRA therapie geen populaire therapie bij reumatologen om in het begin van de ziekte voor te schrijven: uit interviews en focus groep discussies blijkt dat reumatologen de COBRA-therapie ingewikkeld vinden en denken dat patiënten het niet willen gebruiken. Patiënten geven daarentegen aan open te staan voor een agressieve start van de therapie, inclusief prednisolon, indien dit de ziekte direct onderdrukt, de prognose verbetert en van tijdelijke aard is.

Na een inventarisatie van voor- en nadelen vanuit het perspectief van zowel de reumatoloog als de reumapatiënt is een implementatiepakket samengesteld en uitgetest dat het gemakkelijker maakt voor arts, patiënt en verpleegkundige om de therapie in de praktijk voor te schrijven en te gebruiken.
Meer informatie is te vinden op www.cobratherapie.nl

In Codex Medicus: Reumatoïde artritis
Nieuwe voedingsproducten maken geen eind aan voedselallergieën


Wageningen, 30 september 2009 - Nieuwe voedingsproducten helpen nauwelijks om problemen met voedselallergieën op te lossen. Dit komt doordat voedsel nooit gegarandeerd allergeenvrij is en allergiepatiënten vaak extreem voorzichtig zijn.

Dat concludeert dr. Margreet van Putten van de Wageningen Universiteit in haar proefschrift. Van Putten kwam tot haar conclusie na literatuuronderzoek en gesprekken met patiëntenverenigingen, de voedingsindustrie, allergologen en consumenten met een voedselallergie.


Doorstralen
Novel foods,  nieuw ontwikkelde voedingsmiddelelen, door bijvoorbeeld veredeling of genetische modificatie, zouden een uitkomst moeten zijn voor de één tot twee procent van de volwassenen en acht procent van de kinderen die allergisch zijn voor bepaald voedsel. Notenallergieën, maar ook overgevoeligheid voor bepaalde fruitsoorten zoals appels en kiwi's komen relatief veel voor. Met kruisingen, genetische modificatie of doorstralen met gammastraling zouden de allergieopwekkende stoffen, allergenen, zodanig kunnen veranderen dat ze geen allergische reactie meer veroorzaken. Zo ontwikkelde Wageningen UR de santana, een hypoallergene appel die ook mensen met een milde appelallergie kunnen eten. 

Extreme gevoeligheid
Echter, juist mensen met een voedselallergie zien de nieuwe voedingsproducten niet erg zitten. Waarschijnlijk omdat allergiepatiënten veel voorzichtiger en sceptischer zijn. ‘Terecht', vindt van Putten. ‘Minuscule sporen van voedsel  kunnen een zeer allergische reactie veroorzaken met soms de dood tot gevolg.' Het probleem van het het nieuwe voedsel ligt volgens van Putten dan ook vooral in die extreme gevoeligheid van allergiepatiënten;  voedsel kan nooit honderd procent allergeen vrij is. ‘Door die extreme gevoeligheid kan de ontwikkeling van hypoallergeen voedsel slechts allergiepatiënten met een milde allergie helpen', legt van Putten uit. ‘Honderd procent allergeenvrij bestaat niet.'

Maar zelfs al zou een product allergeenvrij zijn, dan nog moet het door de hele voedselketen vervangen worden om iets voor mensen met voedselallergie te betekenen. Een kostbare grap, zeker als je bedenkt dat het aantal voedselallergiepatiënten relatief  laag is.


In Codex Medicus: Voedelovergevoeligheid

Leuvense professor pleit voor meldingsplicht ziekenhuisbacterie


Annecy (F), 29 september 2009 - De Leuvense professor Johan Van Eldere pleit voor een meldingsplicht voor de zeer gevaarlijke ziekenhuisbacaterie MRSA's en ESBL's. Tijdens een tweedaags wereldcongres in Annecy (Frankrijk) klonk duidelijk de roep om internationale samenwerking en ook om ziekenhuizen op termijn te verplichten deze infecties publiek bekend te maken.

MRSA's
De bekendste ziekenhuisbacterie zijn de MRSA's, die resistent zijn tegen veel maar niet alle antibiotica. Deze ziektekiemen zorgden vorig jaar in België voor 2.526 doden; dat is het dubbele van het aantal verkeersdoden. "Maar door doorgedreven (hand)hygiëne en snelle detectie krijgen we dat probleem onder controle", zegt Van Eldere. "De consensus hier was: we moeten met die ziekenhuisinfecties leren leven, want ze zullen altijd aanwezig blijven in ziekenhuizen waar veel wordt gewerkt met antibiotica en waar ziektekiemen bijgevolg volop de kans krijgen weerstand hiertegen aan te kweken."


ESBL's
Zorgwekkender is de opmars van nieuwe infecties, de zogenaamde ESBL's. Dat zijn bacteriën die enzymes afscheiden die antibiotica uitschakelen. Er duiken intussen ook in België dergelijke ESBL-ziektekiemen op die zelfs carbapenems uitschakelen. Dat zijn breedspectrumantibiotica die op spoedafdelingen dikwijls het allerlaatste wapen vormen tegen infecties. 'In ons land is dit nog maar een beperkt probleem, maar op dit congres kwam de wereldwijde ongerustheid hierover duidelijk tot uiting.'

De aanpak van ESBL's is dezelfde als van MRSA's en andere ziekenhuisinfecties: snelle detectie, isolatie van besmette patiënten, en strikte hygiëne. 'Dat veronderstelt blijvende investeringen in goede microbiologische labs en doorgedreven discipline bij de zorgverstrekkers', zegt professor Van Eldere. 'België is geen eiland, de infecties komen van overal. Vandaar de nood aan internationale samenwerking.'


In Codex Medicus: MRSA

Kinkhoest is tienerziekte geworden


Utrecht, 28 september 2009 - Kinkhoest komt nu vooral voor in de leeftijdsgroep van 10 tot 14 jaar, zo blijkt uit onderzoek binnen de Continue Morbiditeits Registratie Peilstations van het NIVEL, en niet in de leeftijdsgroep van 1 tot 4 jaar, tot voor kort de leeftijdsgroep waarin kinkhoest het meest voorkwam. NIVEL-onderzoeker, huisarts en epidemioloog Gé Donker: "Dat de piekleeftijd nu bij jonge tieners ligt, is niet zo verwonderlijk als je bedenkt dat zij niet zijn gevaccineerd met het nieuwe vaccin. Zij zijn beschermd tegen de ‘oude' bacterie, maar niet tegen de kinkhoest van nu. De ziekte gaat vanzelf over, maar het hoesten kan maanden aanhouden. Belangrijk is dat het nieuwe vaccin effectief blijkt voor de kinderen die daarmee gevaccineerd zijn."


Kinkhoest is voor ouderen geen gevaarlijke ziekte, maar zuigelingen kunnen eraan sterven. Daarom zit het vaccin sinds de jaren vijftig in de DKTP-prik. In 2001 en 2002 waren er ondanks de vaccinatie epidemieën van kinkhoest. De bacterie Bordetella pertussis die kinkhoest veroorzaakt bleek sinds de jaren vijftig veranderd, maar de vaccins niet. Ze beschermden daardoor niet meer voldoende tegen de ziekte. Sinds juli 2001 zijn de vaccinaties op 4-jarige leeftijd en sinds 2005 álle vaccinaties voor kinkhoest vervangen door een vernieuwd vaccin. Dat blijkt effectief, kinkhoest komt nu minder vaak voor.


CMR
De Continue Morbiditeits Registratie (CMR) Peilstations vormen een representatieve groep van 61 Nederlandse huisartsen in 45 praktijken. Hun patiëntenpopulatie bestrijkt ongeveer 0,8% van de Nederlandse bevolking en is representatief naar regio en naar verdeling over stad en platteland. De peilstation-huisartsen rapporteren wekelijks (waardoor trends zeer snel zichtbaar worden) of op jaarbasis over het vóórkomen van een aantal ziekten, gebeurtenissen en verrichtingen die in routine-registraties ontbreken en daarin niet gemakkelijk zijn op te nemen. De CMR-peilstations bestaan sinds 1970.


In Codex Medicus: Pertussis

Doorbraak in behandeling leukemie bij senioren

Rotterdam, 25 september 2009 - Een veel hogere dosis chemotherapie kan de levens redden van oudere patiënten met acute myeloïde leukemie. Een team van internationale onderzoekers van onder andere het Erasmus MC hebben dit ontdekt.
Bij een deel van de patiënten stijgt de kans op totale genezing aanzienlijk. Bij wie de bloedkanker niet verdwijnt, kan de hogere dosering de leukemie wèl flink verminderen. De wetenschappers hebben hun doorbraak gepubliceerd in het toonaangevende tijdschrift The New England Journal of Medicine.

De ontdekking betekent een stap vooruit in de behandeling van oudere patiënten met acute myeloïde leukemie, de meest voorkomende vorm van acute leukemie. De meeste mensen met deze ziekte zijn ouder dan 60 jaar en door de vergrijzing dreigt het aantal patiënten verder toe te nemen. Ouderen hebben een kleinere kans op genezing omdat ze minder goed reageren op de chemotherapie. Bij de behandeling van acute leukemie is de eerste klap een daalder waard. Het gaat er in de eerste instantie om de leukemie bij zoveel mogelijk patiënten terug te dringen, want dan verdwijnen vaak ook klachten als infecties en bloedingen. In tweede instantie willen artsen zorgen dat de leukemie daarna weg blijft en dus genezing voor meer mensen binnen bereik komt.

De behandeling bestaat uit het toedienen van twee soorten cytostatica, middelen die de deling van cellen kunnen stoppen. Al 20 jaar worden deze middelen wereldwijd in een bepaalde dosering gebruikt. De onderzoekers hebben echter in een proef met 800 patiënten tussen de 60 en 83 jaar de gebruikelijke dosis van één van de cytostatica (daunorubicin), verdubbeld. Het blijkt dat daardoor bij meer patiënten de behandeling aanslaat. De leukemie wordt veel krachtiger teruggedrongen en dat gebeurt al meteen na de eerste kuur. Het succes is het grootst bij de jongste groep (60-65 jaar). Bij bijna driekwart van hen werd de leukemie met succes teruggedrongen, terwijl dit bij de oude dosis bij slechts de helft van de patiënten gebeurde. Hoewel soms de leukemie daarna terugkeerde, bleek bovendien de kans op blijvende genezing toe te nemen van 23% naar 38% ‘Het bijzondere is dat het verdubbelen van de dosis niet leidt tot meer bijwerkingen bij de patiënt. Ze betalen dus geen hogere prijs’, zegt Bob Löwenberg, hoogleraar Hematologie bij het Erasmus MC en coördinator van de studie.

De studie laat zien dat artsen in het verleden waarschijnlijk te voorzichtig zijn omgegaan met de dosering. Deze neiging hebben artsen altijd enigszins bij het behandelen van oudere patiënten met kanker. Löwenberg: ‘Maar dit kan dus averechts uitpakken voor ouderen.’

In Codex Medicus: Acute myeloïde leukemie
Gerichte vernietiging van tumorcellen spaart gezond weefsel


Nijmegen, 24 september 2009 - Allogene stamceltransplantatie en donorlymfocyten-infusie worden toegepast bij de behandeling van verschillende soorten kanker, met name leukemie. Bij deze behandeling kan een positieve afweerreactie optreden waarbij tumorcellen van de patiënt aangevallen worden door zogenaamde T-cellen afkomstig van het getransplanteerde afweersysteem van de donor. Dit komt door herkenning van ontvangerspecifieke eiwitten op de tumorcellen. Helaas gaat deze positieve afweerreactie vaak gepaard met een schadelijke reactie tegen gezonde weefsels.


Om selectief de gunstige afweerreactie te stimuleren wordt onderzoek gedaan naar eiwitten die aanwezig zijn op tumorcellen, maar niet op cellen van gezonde weefsels. Ingrid Overes onderzocht een nieuw ontvangerspecifiek eiwit. Dit eiwit blijkt selectief voor te komen op cellen van verschillende soorten bloedkanker en solide tumoren. Daarnaast kunnen T-cellen specifiek gericht tegen dit eiwit tumorcellen herkennen en vernietigen. Dit betekent dat dit eiwit geschikt is om verder te bestuderen als aangrijpingspunt voor gerichte immunotherapie bij verschillende soorten kanker na stamceltransplantatie.
 
In Codex Medicus: Stamceltransplantatie

Rookverbod leidt tot minder hartinfarcten


San Diego (VS), 23 september 2009 - Rookverboden op het werk en in publieke ruimtes in Noord Amerika en Europa zorgen voor een afname van het aantal hartinfarcten met een derde. Dat blijkt uit Amerikaans onderzoek waarvan de resultaten zijn gepubliceerd in Circulation en de Journal of the American College of Cardiology.


Een jaar nadat het rookverbod in de horeca in juli 2007 in het Verenigd Koninkrijk van kracht ging, daalde het aantal infarcten meteen al met 10 procent. Dat is een hoger percentage dan aanvankelijk was gecalculeerd. In de jaren daarna steeg dat cijfer naar ruim 30 procent. In Engeland krijgen jaarlijks 275.000 mensen een infarct waarvan er 146.000 overlijden.


Uit het onderzoek blijkt tevens dat ook de rook die niet-rokers inademen drastisch is verminderd. In de rest van Europa en Noord-Amerika daalt het aantal infarcten met vergelijkbare cijfers, stellen de onderzoekers. In landen waar het rookverbod geldt, daalde het aantal infarcten het eerste jaar gemiddeld met 17 procent. Drie jaar na de invoering was de gemiddelde daling gelijk aan 36 procent.


In Codex Medicus: Hartinfarct

Emfyseemproces kan worden vertraagd door heparanase-remmers


Nijmegen, 22 september 2009 - Promovenda Nicole Smits genereerde antilichamen om hiermee heparansulfaat (HS-)ketens in longweefsel te bestuderen. Smits stelde vast dat bepaalde HS-epitopen sterk verminderd zijn bij patiënten met longemfyseem. Bij deze patiënten blijkt expressie van heparanase (een HS-afbrekend enzym) te zijn toegenomen. Dit suggereert dat remmers van heparanase-activiteit gebruikt kunnen worden om het proces van emfyseem te vertragen. Smits heeft een opmerkelijk anti-HS antilichaam bestudeerd en wist het epitoop te ontrafelen. Goedgekarakteriseerde antilichamen zouden gebruikt kunnen worden om betrokkenheid van HS in longpathologie te onderzoeken. Het ligt voor de hand om het effect van roken op longen te bestuderen en zo te achterhalen welke HS-structuren worden afgebroken.


Heparansulfaat proteoglycanen (HSPG's) zijn belangrijke componenten van de alveolaire matrix en bestaan uit een eiwitketen waaraan lange heparansulfaat (HS-)ketens zijn gekoppeld. Veranderingen in synthese en/of samenstelling van HS kunnen de matrix verstoren. Dit kan leiden tot longemfyseem, een aan roken gerelateerde longaandoening.


In Codex Medicus: Emfyseem van de long

Artsen onderschatten belang vitamine D


Amersfoort, 18 september 2009 - Volgens kinderarts Roos Nuboer wordt in Nederland het belang van vitamine D voor onze gezondheid niet goed genoeg onderkend. Nuboer pleit voor toevoeging van vitamine D aan melk en olie om zo iedere Nederlander van een 'goede spiegel te voorzien'.

Nuboer wijt de onderschatting van het belang van vitamine D aan onbekendheid. Daarom zullen er veel Nederlanders met vitamine D-tekorten blijven lopen, aldus Nuboer.

De meeste mensen denken dat zij voldoende vitamines binnenkrijgen als zij gezond eten. Dit gaat echter niet op voor Vitamine D. Vitamine D zit in halvarine/margarine, bak en braadproducten en vette vis, (niet in olie en melk), maar de belangrijkste bron is zonlicht. In de winter is er echter weinig zon in Nederland.

Pro-hormoon
Vitamine D is een zeer belangrijk pro-hormoon dat niet alleen voor de botopbouw van belang is maar ook een relatie heeft met de afweer, kankerpreventie, insulineresistentie, vermoeidheid, depressie, schizofrenie, auto-immuunziekten, spierzwakte en de bloeddruk.

Normaalwaarden
In Nederland worden lage normaalwaarden aangehouden in vergelijking met de landen om ons heen. Zo hanteren wij in de meeste bevolkingsgroepen een grens van 30 nmol/l terwijl in Amerika de grens op 75 nmol/l gesteld is. Dit verschil in normaalwaarden is historisch ontstaan in de discussie rondom osteoporose. Voor het positieve effect op de insulineresistentie en de afweer zijn echter hogere spiegels nodig.
Onderzoek

In Finland wordt vitamine D toegevoegd aan melk en olie. Dit zou een eenvoudige manier zijn om alle Nederlanders van een goede spiegel te voorzien.

In Codex Medicus: Vitamine D-deficiëntie

Kaalheid is genetisch bepaald

Antwerpen, 17 september 2009 - Lucretia Matthieu, dermatoloog van het Universitair Ziekenhuis Antwerpen heeft vastgesteld dat kaalheid genetisch is bepaald. "Als de vader kaal is, maakt de zoon ook flink kans om kaal te worden. Maar je kunt ook kaal worden omdat er aan moeders kant van de familie kaalheid voorkomt." Die genetische voorbestemdheid heeft alles te maken met hormonen, meer bepaald met de omzetting van mannelijke hormonen, de testosteronen, in de cellen van de haarwortel. "Het heeft niet te maken met veel of weinig mannelijke hormonen", aldus Matthieu. "De volkswijsheid die beweert dat kale mannen overlopen van testosteron - zeg maar viriliteit - klopt niet."

Elke mens verliest per dag een 100-tal haren, maar wanneer je je haar wast kunnen dat er makkelijk 200 zijn. "Wat niet betekent dat je van haar wassen kaal wordt", zegt dr. Matthieu. "De extra haren die dan loskomen waren sowieso al klaar om uit te vallen, maar door de manipulatie verlies je ze iets sneller."

"Natuurlijk kun je je haar door andere factoren verliezen, zoals medicijnen of een chemokuur. Ook kunnen mensen last krijgen van plaatseljke haaruitval. Dat heeft te maken met een storing in de auto-immuniteit waarbij het lichaam zich tegen zijn eigen cellen, in dit geval haarwortels, keert. De oorzaak daarvan is nog onbekend."

Waar je niet kaal van wordt, is door een hoed of een pet te dragen. "Als een hoofddeksel zo strak zit dat het je haar beschadigt, kan je haar plaatselijk afbreken, maar echte haaruitval is dat niet. Hetzelfde geldt voor wie zijn haar kleurt of met een permanent laat krullen. Daardoor kan je haar broos worden en afbreken, maar dat heeft niets met de haarwortels te maken. Ook de invloed van het milieu op haarverlies is niet bewezen."

In Codex Medicus: Haaruitval
Rouw vergroot kans op hartinfarct

Sydney, 16 september 2009 - Rouwen om het verlies van een geliefde leidt tot een zes maal grotere kans op een hartinfarct. Australische onderzoekers hebben dat geconcludeerd in een studie die dinsdag is gepubliceerd. Je kunt dus inderdaad 'doodgaan aan een gebroken hart', aldus het onderzoek.

De studie richtte zich op lichamelijke veranderingen na het verlies van een kind of een geliefde. De rouwende krijgt last van hoge bloeddruk, hartrimtestoornissen en veranderingen in het immuunsysteem.

Hartfalen
Bij het onderzoek waren 160 mensen betrokken. De helft van hen was in rouw na het verlies van een geliefde. De kans op hartfalen nam af na zes maanden en was na twee jaar gelijk aan die voor andere mensen.

Volgens het Australische onderzoek is een plotselinge stroom van stresshormomen de oorzaak van de hartproblemen. De aandoening treft vooral vrouwen.

In Codex Medicus: Hartinfarct
Slecht geheugen niet direct dementie


Utrecht, 15 september 2009 - Bij mensen met diabetes kunnen cognitieve problemen voorkomen. Deze problemen ontstaan al in een vroege fase, maar de achteruitgang hoeft niet het begin te zijn van dementie. Dat concludeert neuropsycholoog Esther van den Berg in haar promotieonderzoek dat ze uitvoerde aan het UMC Utrecht.

Van den Berg vroeg zich af welke mensen met diabetes meer kans lopen op cognitieve problemen. Het idee is dat risicofactoren voor hart- en vaatziekten een belangrijke voorspeller vormen voor hersenproblemen, deze factoren vergroten namelijk ook de kans op diabetes.

Van den Berg vergeleek daarom drie groepen ouderen: patiënten met diabetes type II, mensen met het metabool syndroom (hoge bloeddruk, hoog cholesterol en overgewicht) en controle proefpersonen. Al deze personen nemen sinds 1989 deel aan de Hoorn Studie naar diabetes. Van al deze mensen analyseerde ze het geheugen, mentale traagheid en flexibiliteit. Het blijkt dat zowel patiënten met diabetes als mensen met het metabool syndroom slechter presteren dan de controlegroep.

“Ik vind het een bewijs dat de afname van cognitief functioneren al begint voor diabetes optreedt”, zegt Van den Berg. “Diabetes blijft weliswaar de sterkste voorspeller van cognitieve problemen, maar ik denk dat de drijvende kracht achter het ontstaan van deze problemen het metabool syndroom is. Als mensen met metabool syndroom óók diabetes krijgen, kan een hoge bloedsuikerspiegel voor verdere achteruitgang zorgen. Voor huisartsen is het belangrijk om te weten dat bijvoorbeeld geheugenproblemen bij diabetes kunnen horen, zonder dat het meteen het begin van dementie is.”

Diabetes type II kan niet alleen leiden tot nierschade, netvliesproblemen of doorbloedingsproblemen in de voeten. Het wordt steeds duidelijker dat een hoge bloedsuikerspiegel negatieve effecten heeft op de hersenen. Diabetes verhoogt bijvoorbeeld de kans op dementie met anderhalf tot twee maal. In Nederland lijden ruim 700.000 mensen aan diabetes.

In Codex Medicus: Diabetes mellitus bij ouderen

In Codex Medicus: Metabool syndroom

Doorbraak in onderzoek naar mannelijke onvruchtbaarheid

Gent, 14 september 2009 - Onderzoekers van het Universitair Ziekenhuis in Gent en Oxford University hebben een genetische mutatie ontdekt die aan de basis ligt van één bepaalde vorm van mannelijke onvruchtbaarheid. De mutatie werd ontdekt bij een man met een spermadefect na meerdere gefaalde vruchtbaarheidsbehandelingen en bevindt zich in het specifieke eiwit ‘PLCzeta’ in de zaadcellen. Deze doorbraak maakt de weg vrij voor een nieuwe aanpak van onvruchtbaarheid bij koppels bij wie IVF-behandelingen zoals ICSI niet tot een zwangerschap leidden en mogelijk zelfs voor de ontwikkeling van een anticonceptiepil voor de man. Het onderzoek werd uitgevoerd door Elke Heytens van de onderzoeksgroep van prof. dr. Petra De Sutter van de Afdeling Reproductieve Geneeskunde van het UZ Gent. De resultaten staan deze maand in het vaktijdschrift Human Reproduction.

Het Belgisch-Brits onderzoeksteam heeft zaadstalen van negen mannen onderzocht bij wie de IVF-behandeling ICSI gefaald had. In alle negen gevallen werden de eicellen niet geactiveerd. De onderzoekers konden aantonen dat het eiwit PLCzeta bij deze groep in verminderde hoeveelheid of op een abnormale locatie in de zaadcellen aanwezig was. Ze ontdekten bovendien bij één man een mutatie in het PLCzeta gen die de verminderde of uitblijvende eicelactivatie veroorzaakt. De ontdekking van die mutatie is bijzonder, omdat het de eerste spontane mutatie is die de functie van het PLCzeta proteïne drastisch verstoort en zo tot onvruchtbaarheid leidt.

Het werk van de onderzoekers uit Gent en Oxford is uiteraard slechts een eerste stap. De screening van PLCzeta bij een grotere populatie zal bijdragen tot een nog beter begrip van de rol die het eiwit speelt in mannelijke onvruchtbaarheid. Bovendien zal het gebruik van PLCzeta tijdens IVF/ICSI-behandelingen wellicht een nieuwe oplossing zijn voor eerdere gefaalde vruchtbaarheidsbehandelingen: testen waarbij eicellen van muizen geïnjecteerd werden met een correcte versie van het PLCzeta gen hebben immers aangetoond dat die eicellen het eiwit zelf aanmaken en zo geactiveerd worden.

In Codex Medicus ICSI
Automatisch omlijnen van anatomische structuren in CT-scans


Utrecht, 11 september 2009 - In haar proefschrift beschrijft Eva van Rikxoort methodes om op een CT-scan van de thorax (ribbenkast) automatisch verschillende structuren te identificeren en omlijnen. Zij laat zien dat het mogelijk is de longen, fissuren, lobben, segmenten, de luchtwegen en het hart, automatisch te omlijnen met een hoge precisie. Als mensen naar een plaatje kijken, zien ze meteen welke objecten erop staan en waar ze zitten.


Hetzelfde geldt voor een radioloog die een CT-scan bekijkt. De identificatie van de verschillende anatomische structuren is de eerste stap naar een diagnose. Een eerste noodzakelijke stap in de ontwikkeling van computerprogramma’s die radiologen helpen bij de diagnose is het automatisch identificeren en omlijnen van de verschillende anatomische structuren.

In Codex Medicus: Computertomografie

Slaapproblemen bij patiënten met nierfalen

Amsterdam, 10 september 2009 - Patiënten met het eindstadium van nierfalen hebben veel slaapproblemen. Birgit Koch van het VU medisch centrum onderzocht slaapproblemen die worden veroorzaakt door een verstoord slaap-waak ritme. Zij ontdekte dat hemodialysepatiënten (bij wie het bloed wordt gezuiverd door een kunstnier) slechter slapen dan de algemene Nederlandse populatie van dezelfde leeftijd. Ze slapen zelfs slechter dan patiënten bij wie officieel slapeloosheid is geconstateerd.

Koch ontdekte ook dat er bij patiënten met chronisch nierfalen een relatie ligt tussen het afnemen van de nierfunctie en de melatonineproductie. Melatonine speelt een belangrijke rol in het slaap-waakritme. Melatonine wordt gewoonlijk gezien als endogene (van binnen uit) synchronizator van meerde circadiane (biologische) processen in ons lichaam, zoals het regelen van lichaamstemperatuur. Bij chronisch nierfalen heeft Koch dit verband niet kunnen aantonen, mogelijk kan melatonine door zijn afwezigheid deze rol niet spelen. Wanneer de melatonine ritmiek van dialysepatiënten wordt vergeleken met die van mensen met chronische nierinsufficiëntie, blijkt dat bij dialysepatiënten de melatonineproductie extra verstoord is. Blijkbaar speelt het dialyseproces ook een rol bij het circadiane slaap-waakritme en bij de aanmaak van melatonine.

Bij patiënten met dagdialyse is het endogene melatonineritme verstoord. Door nachtdialyse worden de slaapinducerende eigenschappen van de dialyse op het juiste moment benut. Door het veranderen van dag- naar nachtdialyse toont Koch aan dat bij de overgang naar nachtdialyse een significante verbetering van de slaap optreedt en dat het melatonineritme verbetert. Ook toont ze verbetering van het melatonineritme en een verbeterd slaap-waak-ritme aan met exogeen melatonine in een placebogecontroleerde studie bij hemodialysepatiënten die overdag dialyseerden.

In Codex Medicus: Chronische nierinsufficiëntie
Bestrijden van levercysten zonder operatie

Leuven, 9 september 2009 - Het Universitair Ziekenhuis Leuven heeft een nieuwe behandeling ontwikkeld voor het bestrijden van levercysten. Hiermee kunnen patiënten met veel cysten in hun lever voor het eerst geholpen worden zonder operatie. Wetenschappers constateerden dat wanneer patiënten gedurende zes maanden met een synthetisch maagdarmhormoon (lanreotide) worden behandeld, de fors opgezwollen lever met bijna vijf procent krimpt.

In totaal kunnen naar schatting honderden patiënten, van wie normaal driekwart in de loop van hun ziekte geopereerd wordt, met deze nieuwe medicamenteuze biotechaanpak geholpen worden.

Zeker vijf procent van de Belgen heeft een of twee cysten (met vocht gevulde holtes) in hun lever. Er zijn ook patiënten met meerdere cysten in de lever (polycysteuze lever). Door deze cysten kan de omvang van de lever vier- tot zesmaal toenemen. Tot voor kort waren artsen voor de behandeling van polycysteuze levers aangewezen op operaties. Niet iedereen komt echter voor deze chirurgische ingreep in aanmerking en verder is deze aanpak niet altijd succesvol en is er een risico op complicaties. Slechts een enkele keer komen deze patiënten in aanmerking voor een schaarse levertransplantatie.

Experimenteel onderzoek op dieren suggereerde dat de toediening van het synthetisch maagdarmhormoon (lanreotide) resulteert in aanzienlijk kleinere levercysten. Dit stimuleerde de onderzoekers van UZ Leuven en het UMC St Radboud in Nijmegen om in 2007 een groot onderzoek voor 54 patiënten op te zetten. Lanreotide bleek het best te werken bij patiënten met de grootste levers.

In Codex Medicus: Cysten van de lever
Sterke stijging ongevallen GHB

Amsterdam, 8 september 2009 - Het aantal behandelingen na het gebruik van de partydrug GHB op Spoedeisende hulpafdelingen (SEH) van ziekenhuizen is in de periode 2003-2008 zorgwekkend gestegen. Zo meldt de Stichting Consument en Veiligheid. Het jaarlijks aantal is in deze periode verviervoudigd tot rond de 980 slachtoffers in 2008. Dit komt overeen met 19 slachtoffers per week.


Een derde van deze slachtoffers heeft naast GHB ook alcohol gebruikt. Ongeveer 20 procent gebruikte naast GHB een andere drug, zoals XTC, cocaïne en speed. Ruim 40 procent van alle op de SEH behandelde slachtoffers was er zo slecht aan toe dat een ziekenhuisopname nodig was. De helft hiervan is zelfs meteen naar de Intensive Care verwezen. Ongeveer 3 procent van de behandelde slachtoffers denkt slachtoffer te zijn geweest van een ongemerkte toediening van de drug door een ander. GHB wordt vooral in het uitgaansleven gebruikt. Ongeveer 65 procent van de behandelingen heeft dan ook in het weekend plaatsgevonden.

GHB (GammaHydroxyBoterzuur) is van oorsprong een narcosemiddel en heeft een verdovende werking op het centrale zenuwstelsel. De beschikbaarheid is groot omdat het zelf te maken is en redelijk goedkoop is te verkrijgen. Gebruikers die GHB drinken en slikken zeggen dat je er vrolijk van wordt en dat remmingen en angsten verdwijnen. Een dagelijks gebruiker kan echter in een patroon terecht komen waarin hij om de paar uur GHB wil of moet gebruiken om trillingen, slapeloosheid en angsten te voorkomen. Niet alleen verslaving is een risico. GHB is een middel waarvan al snel zo veel wordt ingenomen dat de gebruiker een paar uur wegzinkt of bewusteloos raakt. Gebruikers beschouwen dit out gaan vaak als een onschuldige bijwerking. Dit is onterecht, want een gebruiker kan in deze toestand in een verkeerde houding terecht komen en stikken in de tong of door braaksel dat van de maag in de longen terecht komt.

In Codex Medicus: GHB

 

Patiënten na behandeling huidkanker positiever over kwaliteit van leven


Groningen, 7 september 2009 - De kwaliteit van leven van patiënten met melanoom gaat niet achteruit door onderzoek van de schildwachtklier, of zelfs verwijdering van alle regionale lymfklieren. Sterker nog: deze patiënten hebben een betere kwaliteit van leven dan de algemene bevolking. Dat blijkt uit onderzoek van chirurg-oncologen van het Universitair Medisch Centrum Groningen dat wordt gepubliceerd in het tijdschrift Annals of Surgical Oncology. Ook ontdekten zij een nieuwe methode om de kans op terugkeer van melanoom beter in te schatten.

Melanoom is een kwaadaardige vorm van huidkanker die kan ontstaan uit moedervlekken. De ziekte kan uitzaaien in het lichaam via het lymfestelsel, een vatenstelsel dat belangrijk is voor het afweersysteem. De schildwachtklier is de eerste lymfeklier waar kwaadaardige cellen terechtkomen. Daarom wordt deze klier bij patiënten met melanoom onderzocht. Bevat de schildwachtklier geen kankercellen, dan kan worden aangenomen dat er helemaal geen uitzaaiing heeft plaatsgevonden. Bevat de schildwachtklier wel kankercellen, dan worden alle regionale lymfklieren verwijderd. Het aantal gevallen van melanoom neemt in Nederland nog steeds toe: van 11.8 op 100.000 in 1995 tot 19.4 in 2005.

 

Andere kijk
Noch biopsie van de schildwachtklier, noch verwijdering van de regionale lymfklieren heeft negatieve gevolgen voor de kwaliteit van leven van patiënten met melanoom, zo blijkt uit een studie van UMCG-onderzoekers onder leiding van prof. dr. Harald Hoekstra. De patiënten rapporteerden zelfs een betere kwaliteit van leven dan een controlegroep uit de algemene bevolking. Hoekstra: “Wat meespeelt is dat de onderzochte patiënten een relatief kleine ingreep hadden ondergaan, en een goede levensverwachting hadden. Verder is hun kijk op het leven wellicht veranderd. We denken dat ze de kwaliteit van hun leven na de ingreep vergelijken met die in de periode waarin ze ziek waren. Vermoedelijk komen ze daardoor tot een positiever oordeel dan mensen die niet ziek zijn geweest.”

In Codex Medicus: Melanoma

Hepatitis C-campagne volgende week van start

Woerden, 4 september 2009 - Op 8 september start de Nationale Hepatitis C- campagne. De campagne wil de Nederlandse bevolking bewust maken van de risico's op besmetting met hepatitis C. De meeste Nederlanders kennen deze risico's namelijk niet. Ook weten ze niet dat hepatitis C een sluipende ziekte is, die eerst meestal geen klachten geeft, maar later kan leiden tot levens­bedrei­gende aandoeningen. Vroege opsporing en behandeling kunnen dit veelal voorkomen.


Hepatitis C: virale tijdbom
Hepatitis C  - ook HCV genoemd - is een ernstige, besmettelijke ziekte, die wordt overgedragen door bloedcontact met besmet bloed. Geschat wordt dat mogelijk 60.000 mensen in Nederland, zonder dat zij dat weten, besmet zijn met hepatitis C. Een besmetting met hepatitis C geeft meestal geen directe klachten, maar kan uiteindelijk leiden tot levercirrose of leverkanker. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) noemt hepatitis C de 'virale tijdbom'. De WHO schat dat wereldwijd 180 miljoen mensen zijn besmet, waarvan 130 miljoen de ziekte chronisch hebben. Anders dan bij hepatitis A en B is inenting niet mogelijk. Er is geen vaccin tegen HCV. Sinds enige jaren is behandeling in veel gevallen wel mogelijk. Daarom is het belangrijk dat mensen weten of ze risico hebben gelopen en besmet zijn. 

Besmetting
Besmetting met hepatitis C vindt plaats door bloedcontact met besmet bloed. Vòòr 1992 was het technisch onmogelijk bloed op hepatitis C te controleren. Hierdoor lopen mensen, die voor dat jaar een bloedtransfusie hebben gehad, risico besmet te zijn geraakt. Ook mensen afkomstig uit gebieden waar veel hepatitis C voorkomt, vormen een risicogroep. Reizigers kunnen risico lopen bij een tandarts- of medische behandeling of bij het zetten van een tatoeage of piercing in een land waar hepatitis C veel voorkomt. Het gaat om veel Aziatische en Afrikaanse landen, maar ook om populaire vakantielanden als Spanje, Italië en Turkije. Daarnaast richt de campagne zich op mensen die harddrugs gebruiken of dit in het verleden hebben gedaan.

De Nationale Hepatitis C-campagne
Uit een verkennend onderzoek is gebleken dat er weinig kennis is bij de Nederlandse bevolking over hepatitis C en dat er veel misverstanden bestaan. Daarom is het belangrijk om mensen te informeren. Voor de Nationale Hepatitis C Campagne zijn informatie­materialen ontwikkeld, zoals folders en radiospots, de website www.hebikhepatitis.nl en de Hepatitis infolijn (033-4220988).

In Codex Medicus: Hepatitis C

Actief hepatitus B opsporen en behandelen


Rotterdam, 3 september 2009 - Een chronische infectie met het hepatitis B-virus kan ernstige gevolgen hebben, zoals levercirrose of leverkanker. De behandelingsmogelijkheden zijn de afgelopen tien jaar sterk verbeterd. Door tijdige opsporing en behandeling kunnen we veel schadelijke gevolgen voorkomen en dus gezondheidswinst behalen, aldus Irene Veldhuijzen, infectieziekten-epidemioloog bij GGD Rotterdam-Rijnmond, in haar proefschrift. Veldhuijzen promoveert op vrijdag 4 september aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.


Besmet
Mensen met een chronische hepatitis B-virusinfectie blijven besmettelijk voor anderen en lopen de kans later in hun leven ernstige leverziekten te ontwikkelen. Chronische infecties worden het meest gevonden bij migranten uit landen waar hepatitis B relatief veel voorkomt. Zij zijn meestal in het eigen land besmet geraakt van moeder op kind of via huishoudelijke contacten in het gezin. Screening op hepatitis B is een vorm van secundaire preventie, waarbij antivirale middelen gebruikt kunnen worden om het ontstaan van hepatitis B-gerelateerde leverziekten te voorkomen. Omdat de behandelmogelijkheden met antivirale middelen sterk zijn toegenomen, wordt het belangrijker om patiënten met chronische hepatitis B tijdig op te sporen.


Geld
Veldhuijzen: "Maar ook al is de impact van antivirale behandeling potentieel groot, er wordt niet optimaal van geprofiteerd aangezien slechts een klein deel van de patiënten dat behandeling nodig heeft ook daadwerkelijk behandeld wordt. Screening kan de opsporing van hepatitis B patiënten verbeteren. Daarom hebben wij ook gekeken naar de kosteneffectiviteit van screening van migranten. Screening kost geld, maar je wint kwaliteit van leven doordat je kunt behandelen en de ernstige gevolgen kunt voorkómen. Alles bij elkaar lijkt screening kosteneffectief te zijn."


In Codex Medicus: Hepatitis chronica

Meer aderverkalking bij 'bingedrinkers'

Den Haag, 2 september 2009 - Mannen van middelbare leeftijd die regelmatig ‘bingedrinken', d.w.z. snel achter elkaar zes alcoholhoudende consumpties of meer drinken, hebben meer last van aderverkalking dan mannen die een matiger drinkpatroon hebben. Dit verschil is onafhankelijk van de totale hoeveelheid alcohol die per week wordt geconsumeerd. Aderverkalking verhoogt het risico op hart- en vaatziekten.

Uit eerdere onderzoeken was al bekend dat matige drinkers een lager risico op hart en vaatziekten hebben dan geheelonthouders en zware drinkers. Maar de relatie tussen alcoholconsumptie en aderverkalking is tot dusver nog niet geheel opgehelderd.  In dit recente onderzoek - verschenen in het tijdschrift Atherosclerosis - gingen de onderzoekers na of er een relatie is tussen het drinkpatroon en aderverkalking.
In voorgaande onderzoeken werd vaak uitgegaan van de gemiddelde alcoholconsumptie per week, en werd geen rekening gehouden met het drinkpatroon, dwz de spreiding van de alcoholconsumptie over de weekdagen.


De Finse onderzoekers hebben de onderzoeksgroep, die bestond uit 751 Finse mannen van middelbare leeftijd, onderverdeeld in bingedrinkers (zes of meer consumpties per keer) en niet-bingedrinkers (minder dan 6 consumpties per keer). De mate van aderverkalking werd vastgesteld door middel van een scan van de halsslaghaders. Hierbij werd de maximale dikte en de gemiddelde dikte van de halsslagaderwand gemeten. Na elf jaar werd deze meting herhaald. Vervolgens werden de resultaten met elkaar vergeleken en werd vastgesteld wat de verandering in vaatwanddikte was. Uit de analyse van de resultaten bleek dat er een significant verschil was in mate van aderverkalking tussen de groep bingedrinkers en de groep matige drinkers. Dit verschil bleef ook na correctie voor de o.a. de gemiddelde hoeveelheid alcoholconsumptie aanwezig. Ook na verdere correctie voor allerlei verstorende variabelen, zoals bloeddruk, lichaamsgewicht, rookgedrag e.d., bleef er een significant verschil tussen de twee onderzoeksgroepen.


De onderzoekers doen de aanbeveling om bij toekomstige studies naar de relatie tussen alcholconsumptie en aderverkalking niet alleen de gemiddelde alcoholconsumptie in het onderzoek te betrekken, maar ook het drinkpatroon.


In Codex Medicus: Atherosclerose

Kwaliteitsindicatoren voor palliatieve zorg op komst


Utrecht, 1 september 2009 - Het NIVEL (Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg) werkt samen met het VU medisch centrum aan een set kwaliteitsindicatoren voor de palliatieve zorg in Nederland. Voor Nederland moet er één indicatorenset komen die op alle aspecten (lichamelijk, psychosociaal, spiritueel) van palliatieve zorg betrekking heeft. Ook moet die indicatorenset bruikbaar zijn in alle sectoren waar palliatieve zorg voorkomt. Dit betekent dus dat er veel nieuwe indicatoren ontwikkeld moeten worden. Naast deze systematische literatuurstudie, leveren interviews met zorgverleners, patiënten en nabestaanden, en expertraadpleging daarvoor de bouwstenen aan. In de tweede helft van 2009 verschijnt het eindrapport over de ontwikkeling van de indicatoren.


Er bestaan nog relatief weinig indicatoren voor het sociale en spirituele domein, zo blijkt uit een publicatie van onderzoekers van EMGO+ en het NIVEL in The Journal of Pain and Symptom Management. Voor de lichamelijke aspecten van palliatieve zorg zijn internationaal al wel indicatoren voor handen.


Per jaar overlijden in Nederland ongeveer 135.000 mensen, van wie ruim de helft overlijdt aan kanker of andere chronische aandoeningen. Aan het overlijden gaat dan vrijwel altijd een ziekbed vooraf waarin patiënten een beroep doen op palliatieve zorg. Deze zorg wordt onder meer gegeven door thuiszorg, huisartsen, ziekenhuizen of verpleeg- of verzorgingshuizen en binnen specifieke palliatieve terminale zorgvoorzieningen. Door de uiteenlopende en vaak complexe zorgbehoefte is palliatieve zorg in principe multidisciplinaire zorg, waarbij professionals en vrijwilligers vaak samenwerken. Behalve voor medische en verpleegkundige zorg is in de palliatieve fase ook aandacht nodig voor psychosociale en spirituele aspecten.


In Codex Medicus: Palliatieve zorg

Codex Medicus actueel nieuws »