- A
- Acute geneeskunde
- Ademhalingsstelsel, aandoeningen van het
- Algemene chirurgie
- Anesthesiologie en pijnbestrijding
- B
- Bedrijfsgezondheidszorg, arbo en verzekeringsgeneeskunde
- Bloedziekten
- Buikholte en maag-darmkanaal, ziekten van -
- E
- Endocrinologie
- F
- Farmacotherapie en bijwerkingen van geneesmiddelen
- G
- Geriatrie en gerontologie
- Gezondheidsrecht
- H
- Hart- en vaatziekten
- Huid- en geslachtsziekten
- Huisartsgeneeskunde
- Hyperbare en duikgeneeskunde
- I
- Immuunziekten en allergie
- Implantaten en biomaterialen
- Infectieziekten
- Intensivecaregeneeskunde
- J
- Jeugdgezondheidszorg
- K
- Keel-, neus-, oorziekten
- Kindergeneeskunde
- Klinische epidemiologie en biostatistiek
- Klinische genetica, cytogenetica en moleculaire genetica
- L
- Leverziekten, ziekten van galwegen, pancreas en milt
- M
- Medische ethiek
- Mondziekten, kaak- en aangezichtschirurgie
- N
- Nierziekten
- Nucleaire geneeskunde
- O
- Oncologie
- Oogziekten
- Orthopedische chirurgie
- Ouderengeneeskunde (Verpleeghuisgeneeskunde)
- P
- Palliatieve zorg
- Plastische, reconstructieve en handchirurgie
- Psychiatrie
- R
- Radiologie
- Rampengeneeskunde
- Reumatische en systeemziekten
- Revalidatie
- T
- Transplantatiegeneeskunde
- Traumatologie
- Tropische ziekten
- U
- Urologie
- V
- Vergiftigingen
- Verloskunde
- Verstandelijke gehandicapten, medische zorg voor -
- Voedings- en dieetleer
- Vrouwenziekten
- Z
- Zenuwstelsel, ziekten van het -
Splenectomie, infectiegevaar na
Beduidend groter risico van een algemene infectie: postsplenectomie septikemie, bekend als het OPSI (overwhelming postsplenectomy infection)-syndroom, gekenmerkt door een insidieus verloop dat met enkele uren kan evolueren naar shock met intravasale stolling en bij 50% van de patiënten met mortaliteit. Zou veroorzaakt worden door 1. verminderde klaring, 2. verlaging van IgM-gehalte, 3. verminderde opsonine-activiteit. Het infectierisico wordt bepaald door de leeftijd: vooral kinderen beneden de 2 jaar (80% van de gevallen) zijn gevoelig voor sepsis door pneumokokken en meningokokken, maar een verhoogd risico, vooral het eerste jaar na de splenectomie en tot de helft verminderd na 5 jaar, kan tot 25 jaar na de splenectomie blijven bestaan. Het risico is ook afhankelijk van de onderliggende pathologie (ziekten van het reticulo-endotheliale systeem die tot de splenectomie hebben geleid): 2% bij idiopathische trombocytopenische purpura, 25% bij thalassaemia major, 10% bij ziekte van Hodgkin, 1 à 2% bij posttraumatische splenectomie.
THERAPIE
Zorgvuldige indicatie van de splenectomie. Splenectomie vermijden bij kinderen beneden de 2 jaar. Indien mogelijk conservatieve chirurgie bij milttrauma. Zo mogelijk autotransplantatie van miltweefsel. Profylaxe door vaccinatie (pneumokokken) en (langdurig) antibioticatherapie. 


Maak van deze pagina mijn startpagina
Toevoegen aan favorieten