A  A  A 

Obstipatie, chronische

Te langdurige retentie van een meestal te viskeuze darminhoud (onverteerde voedselresten, afgeschilferd darmepitheel, bacteriën en mucus) in het darmstelsel of vertraagde lediging van het rectum. De defecatie verloopt moeilijk met excessief persen op harde en droge feces.
ETIOLOGIE
Organische oorzaken Velerlei: organische neurogene stoornissen, endocriene oorzaken (hypothyreoïdie, hyperparathyreoïdie), intoxicaties (lood), abusus van obstiperende medicatie. Functionele stoornissen Deze veroorzaken de klassieke chronische habituele obstipatie die meestal jarenlang bestaat. Verwaarlozing van de normale darmfunctie, overdreven tonus van het colon descendens op neurogeen-psychische basis (colitis spastica), een tekort aan vezelige substanties die de deels onverteerbare hoofdmassa uitmaken van de normale ontlasting en die de normale harmonische propulsiefunctie van het colon bevorderen, hypotonie van het colon (vooral vrouwelijke bejaarden), een inert atoon colon na laxantia-abusus, uitblijven van de defecatiereflex bij rectumdistensie (afgestompte defecatiereflex: dyschesie), een gestoorde defecatiereflex bij zwakke buikpers (emfyseem, eventratie van de buikwand) en bij aandoeningen in of rond het anale kanaal (ontstoken hemorroïden, fissura ani enz.). In de klinische praktijk is het onderscheid in slow transit-obstipatie, op basis van gestoorde colonmotoriek, en outlet obstructie als gevolg van een gestoorde functie van de bekkenbodem, bruikbaar voor de behandeling. Voor obstipatie bij kinderen zie Kindergeneeskunde: Obstipatie bij kinderen.
SYMPTOMEN
Harde droge feces, een- à tweemaal per week, met na enkele dagen een gevoel van abdominale last of zwaarte dat duidelijk verbetert bij voldoende ontlasting. Ook kan de defecatie slechts één maal per twee weken plaatsvinden.
COMPLICATIES
Secundaire prikkeling van de dikkedarmmucosa door de stagnerende harde ontlasting met verhoogde mucussecretie en vloeibaar worden van de feces: paradoxe diarree of false diarrhoea. Rectumfissuren, hemorroïden, eventueel misschien diverticulose-diverticulitis. Zelden obstructie-ileus door coprostase (coprolieten) of fecolieten.
DIAGNOSE
Uitsluiten van organische oorzaken en van pseudo-obstipatie bij personen die iedere dag een weke brijachtige stoelgang wensen en hiervoor laxerende suppositoria of medicatie aanwenden. De colonpassage snelheid is te bepalen met behulp van een markerstudie, waarbij in aansluiting op herhaalde inname van radiopaque markers een buikoverzichtsfoto gemaakt wordt ter bepaling van de doorlooptijd van de markers.
THERAPIE
Indien mogelijk oorzakelijk. Voor de gewone chronische habituele obstipatie: voldoende lichaamsbeweging, desnoods speciale gymnastiek; ook (her-)opvoeding van de defecatiereflex door geregelde pogingen tot defecatie, bijv. elke ochtend na een uitgebreid ontbijt met een grote hoeveelheid vocht waarbij door uitzetting van de maag de colonmotiliteit reflectoir wordt geprikkeld (gastrocolische reflex). Voorts moet de vroeger meestal gevolgde vezelarme voeding worden vervangen door een vezelrijke voeding (zie Voedings- en dieetleer: Vezelverrijkt dieet) om het colon in zgn. meer normale omstandigheden harmonisch te laten contraheren op een voldoende intestinale massa (volkorenbrood, zemelen, bladgroenten, kool, erwten, pruimen, vijgen enz., zoals in een vezelverrijkte voeding); ook ruime vloeistoftoevoer is onmisbaar. Farmaca: Bulkvormende medicatie (tritici testa, psylliumzaad, sterculiagom), cellulosederivaten die water vasthouden (carboxymethylcellulose, agar-agar, hemicellulose). Volumevergrotende laxantia die polyethyleenglycol (PEG) bevatten, zoals macrogolelektrolyten, maken gebruik van de fysiologische water- en zoutuitwisseling over het darmstelsel. Laxeermiddelen zijn zelden geïndiceerd voor chronisch gebruik en worden bij voorkeur niet langdurig ingenomen. Vooral de antrachinonderivaten zijn schadelijk bij langdurig gebruik door hun eventueel zenuwbeschadigende werking. Ook salinische laxantia (magnesiumoxide, magnesiumsulfaat: bitterzout of Engels zout), laxantia en drastica met chemische werking op dunne en dikke darm (ricinusolie, fenolftaleïne) zijn minder raadzaam. Eventueel kan men lactulose, lactitol en bisacodyl, dat het dikkedarmslijmvlies prikkelt, voorschrijven; of ook suppositoria (glycerine of bisacodyl enz.) bij dyschesie; eventueel bij zeer ernstige obstipatie of bij zeer verzwakte patiënten evacuerende klysma's met water, olie of glycerine, ofwel microklysma's met contactprikkelende stoffen natriumlaurylsulfoacetaatsorbitol). Indien de obstipatie therapieresistent is gebleken en slow transit obstipatie niet de oorzaak lijkt, kan fysiotherapeutische behandeling tot verbetering leiden. Chirurgie: bij slow transit obstipatie kan in therapieresistente gevallen worden overgegaan tot colectomie en het aanleggen van een ileostoma of ileorectale anastomose.
Zoeken in Codex Medicus
ZOEK OP TREFWOORD
Inloggen
Onthoud gegevens