- A
- Acute geneeskunde
- Ademhalingsstelsel, aandoeningen van het
- Algemene chirurgie
- Anesthesiologie en pijnbestrijding
- B
- Bedrijfsgezondheidszorg, arbo en verzekeringsgeneeskunde
- Bloedziekten
- Buikholte en maag-darmkanaal, ziekten van -
- E
- Endocrinologie
- F
- Farmacotherapie en bijwerkingen van geneesmiddelen
- G
- Geriatrie en gerontologie
- Gezondheidsrecht
- H
- Hart- en vaatziekten
- Huid- en geslachtsziekten
- Huisartsgeneeskunde
- Hyperbare en duikgeneeskunde
- I
- Immuunziekten en allergie
- Implantaten en biomaterialen
- Infectieziekten
- Intensivecaregeneeskunde
- J
- Jeugdgezondheidszorg
- K
- Keel-, neus-, oorziekten
- Kindergeneeskunde
- Klinische epidemiologie en biostatistiek
- Klinische genetica, cytogenetica en moleculaire genetica
- L
- Leverziekten, ziekten van galwegen, pancreas en milt
- M
- Medische ethiek
- Mondziekten, kaak- en aangezichtschirurgie
- N
- Nierziekten
- Nucleaire geneeskunde
- O
- Oncologie
- Oogziekten
- Orthopedische chirurgie
- Ouderengeneeskunde (Verpleeghuisgeneeskunde)
- P
- Palliatieve zorg
- Plastische, reconstructieve en handchirurgie
- Psychiatrie
- R
- Radiologie
- Rampengeneeskunde
- Reumatische en systeemziekten
- Revalidatie
- T
- Transplantatiegeneeskunde
- Traumatologie
- Tropische ziekten
- U
- Urologie
- V
- Vergiftigingen
- Verloskunde
- Verstandelijke gehandicapten, medische zorg voor -
- Voedings- en dieetleer
- Vrouwenziekten
- Z
- Zenuwstelsel, ziekten van het -
IgE-gemedieerde allergie
Een vorm van allergie (type I volgens Gell en Coombs, zie tabel 9.5), die berust op de aanwezigheid van specifieke IgE-antistoffen.
ETIOLOGIE
Erfelijke aanleg speelt een grote rol (atopie) naast blootstelling aan het allergeen en nog onvolledig geïdentificeerde omgevingsfactoren (zie ook Hygiëne hypothese). Patiënten maken potentieel IgE-antistoffen vooral tegen inhalatieallergenen, voedselallergenen (zie Voedselallergie), insectengiffen (zie Insectengifallergie), geneesmiddelen (zie Geneesmiddelenallergie) en/of latex (zie Latexallergie). PATHOFYSIOLOGIE
IgE-antistoffen hebben een sterke bindingsneiging aan hoge affiniteits Fc-receptoren op mestcellen en basofiele leukocyten. Overbrugging van IgE-antistoffen door allergeen induceert vrijstelling van mediatoren die de klinische symptomen veroorzaken. Sommige mediatoren zijn chemotactisch voor eosinofiele leukocyten. SYMPTOMEN
Verschillen naargelang de contactplaats met het allergeen (inhalatie, ingestie, injectie): rhinitis, astma, conjunctivitis, urticaria (zie Huid- en geslachtsziekten: Urticaria), angio-oedeem, oraal allergiesyndroom en anaphylaxis. DIAGNOSE
Berust op anamnese, intracutane huidtesten en allergeenspecifieke IgE-bepaling. Bepaling van totale IgE in serum heeft geen waarde als screeningtest. Het IgE-gehalte in serum stijgt van een zeer lage waarde bij de geboorte langzaam tot het volwassen gehalte op de leeftijd van tien jaar. In het algemeen is het totale IgE-gehalte bij IgE-gemedieerde allergie hoger dan bij normale mensen (normaal <250 E/ml). Er bestaat echter een grote overlapping in de waarden, zodat in het individuele geval bepaling van het totale IgE-gehalte geen goede methode tot screening is. Het totale IgE-gehalte is verhoogd bij worminfecties en bij een aantal virale en immunologische ziekten. Hoog IgE-gehalte kan aanleiding zijn tot fout-positieve in-vitrobepalingen van allergeenspecifieke IgE-antistoffen. Bloedeosinofielen zijn vaak gestegen. THERAPIE
Eliminatie (sanering) en vermijding van de verantwoordelijke allergenen. Zie saneringsmaatregelen bij huisstofmijtallergie. Dieren zo nodig uit huis plaatsen. Dit laatste ook bij betrekkelijk lichte allergie om verdere sensibilisatie te voorkomen. Bij voedsel- en geneesmiddelenallergie aan de patiënt een SOS-kaart meegeven, waarop de gewraakte allergenen vermeld staan. Symptomatisch werkende medicamenten: zie Astma, Rhinitis, Urticaria, Anaphylaxis, Atopische dermatitis. Zie ook Antihistaminica en Cromoglicaat. Bij IgE-gemedieerde allergie voor inhalatieallergenen en insectengif bestaat nog de mogelijkheid tot hyposensibilisatie. Recent werd ook de werkzaamheid aangetoond van anti-IgE monoklonale antistoffen die IgE-binding aan hun receptor beletten en daardoor de allergische symptomen voorkomen. Dit geneesmiddel wordt enkel gebruikt bij ernstige vormen van allergisch astma. De vorming van IgE-antistoffen is afhankelijk van bepaalde cytokinen. Gezien de toename van de kennis hierover valt te verwachten dat in de komende jaren therapeutische technieken op basis hiervan worden ontwikkeld om de vorming van IgE-antistoffen tegen te gaan. 


Maak van deze pagina mijn startpagina
Toevoegen aan favorieten